DE CHARISMATISCHE BEWEGING
1978-08-11
Slot van het referaat dat ds H. Smit op de laatstgehouden jaarvergadering van onze persvereniging heeft gehouden.- Jaargang 22
- nummer 29
Voor de duidelijkheid nemen we daarbij ook nog een keer de stellingen op zoals die al eerder in ons blad hebben gestaan.
9. Van eminent belang is uiteraard de wijze waarop de apostel Paulus met name in 1 Kor. over de Geestesgaven spreekt.
Toetssteen voor de èchtheid van enig charismatisch gebeuren is voor hem het door hem verkondigde evangelie van Jezus als Heer (1 Kor. 12 : 3, 1 Kor. 14 : 29, 1 Thess. 5 : 19-21).
Ten aanzien van het recht gebruik van de Geestesgaven stelt hij als kriterium dat dit gebruik heeft te strekken tot het welzijn van àllen en dan nog met een speciale toespitsing op het kleine en zwakke in de gemeente (1 Kor. 12: 7, 12-31 ; vgl. de praktische toepassing van dit beginsel in 1 Kor. 14: 26-33 ). Paulus verwijt de Korinthiërs met nadruk hun vleselijk omgaan met de Geestesgaven waardoor het tegengestelde wordt bereikt van hetgeen de Geest bedoelt (1 Kor. 12 : 15,21,1 Kor. 4 : 8 ... )!
Ad 9. Wanneer de apostel Paulus in 1 Kor. 12 over de Geestesgaven gaat spreken, dan doet hij dat allereerst omdat hij niet wil dat de gemeenteleden in de trant van hun vroegere levensvoering onwetend en onkritisch zich maar laten voortdrijven op alle wateren. Nimmer zal de Geest kunnen leiden tot een verwerping van de Christus. Omgekeerd zal het "Kurios is Jezus" als door de Geest gewerkt moeten worden aanvaard.
Ook hier zien we hoe Paulus de scheiding tussen meer bizonder en meer gewoon weer doorbreekt. De toetssteen is gegeven en moet ook worden gebruikt ... in de beoordeling van de profetie. . . in het toetsen van alles (Zie 1 Kor. 12 : 1-3, 1 Kor. 14 : 29, 1 Thess. 5 : 19-21). Dat dit toetsingswerk inderdaad tot uitschifting van imitatie kan leiden wordt betuigd door 2 Thess. 2: 2 (tegenspraak tegen een "geestesuiting")! De charismatisché uitingen kunnen kennelijk hun eigen gewicht niet dragen en moeten naar het verkondigde evangelie van Christus worden beoordeeld!
Ook ten aanzien van het rechte gebruik van de Geestesgaven mag men zich niet onwetend en onkritisch gedragen. De grote regel is hier wel dat aan een ieder de openbaring van de Geest gegeven wordt tot welzijn van allen (1 Kor. 12 : 7). Anders gezegd: Een ieder ontvangt de gave als lid van het lichaam (1 Kor. 12 : 12 evv.). Het is veelzeggend dat in de trinitarische drieslag van 1 Kor. 12 : 4-6 de termen "genadegaven" en "werkingen" worden afgewisseld met "diakoniai" = "diensten". Alle zoeken-van-zichzelf in eigen roem wordt van daaruit als ontering van de Geest en als miskenning van het lichaam uitgesloten. Het echte charismatische leven is alleen als dienst in liefde mogelijk (1 Kor. 13). Zo sterk geldt het algemene nut als maatstaf, dat Paulus enkele malen stelt dat de beoefening van een geschonken gave dient te worden opgeschort of vermeden, wanneer het algemene welzijn daardoor niet bevorderd wordt (1 Kor. 14 : 28: Geen tongentaal als de uitlegger ontbreekt; 1 Kor. 14: 32-33 Zelfbeheersing van de profeet ter voorkoming van onstichtelijke wanorde)!
Stellig is er van een rangorde in de Geestesgaven sprake maar die orde wordt niet door de graad-van-bizonderheid maar door het nut voor de gemeente bepaald (1 Kor. 14 : 1-3). Wanneer Paulus op een eigenaardige wijze als een beschikking van God aanwijst, dat wij de onwelvoeglijkheid van bepaalde lichaamsdelen in de zorgvuldigheid van de bekleding als het ware kompenseren, dan is zijn bedoeling kennelijk ons de minst begaafde gemeenteleden, waarmee de gemeente de minste eer behaalt, aan te wijzen als bizondere voorwerpen van Gods zorg. Zo dient onderlinge hulp gewaarborgd en onderlinge verachting vermeden te worden!
Hoe zal het Paulus geschokt hebben dat de verrijking met Geestesgaven tot zoveel ongeestelijk gebruik aanleiding heeft gegeven! In de tekening van de liefde (1 Kor. 13 : 4-5) wordt het tegendeel aan de orde gesteld van de toestand in Korinthe. Daar is immers wèl afgunst (12 : 15), praalziekte (4: 7), opgeblazenheid (4: 6). Men kan stellen dat de Geest, die in Rom. 8: 23 als eerste gave, "voorschot", getypeerd wordt, de Korinthiërs niet heeft bewogen tot een sterke verwachting in het samengaan van pijn en hoop (Rom. 8 : 23), maar dat ze juist gekomen zijn tot een platte gearriveerdheid die het besef van het "Nog niet" en van de noodzaak-van-strijd doorbroken heeft (1 Kor. 4: 8). Geestesgaven ... zowel van de Geest als van het lichaam der kerk geïsoleerd, in egoïsme misbruikt!
In vele opzichten vertoont de gemeente een vervullingsparallel van de Oude Bedeling waar de zegening met rijke gaven steeds weer en zelfs tot in de wijze Salomo een "achteruitslaande vette Jeschurun" heeft voortgebracht, (Deut. 32 : 15) om tenslotte in zijn volslagen tegendeel, het "Wee u, gij rijken!" uit te monden.
10. Te wijzen is verder nog op enkele zaken die niet in direkt verband met de Geestesgaven worden genoemd.
Wat is er te verwachten voor de gemeenschap wanneer de Geest in alles de verheerlijking van Jezus als Heer beoogt, terwijl deze hoofd bedoeling wordt bedreigt vanuit de loochening van de opstanding der doden (1 Kor. 15: 12-34)?
Wat is er te hopen voor een gemeenschap waarin de Geest bij al zijn werk het welzijn van àllen op het oog heeft, terwijl het Avondmaal door een harde polarisatie op sociaal vlak wordt ontheiligd (1 Kor. 11 : 17-34)?
Ad 10. Ik verwijs ook naar enkele gedeelten die niet direkt met de Geestesgaven in verband staan, namelijk naar 1 Kor. 15 : 12-34 (Paulus' scherpe reaktie op de voorkomende loochening van de opstanding) en naar 1 Kor. 11 : 17-34 (de scherpe vermaning vanwege sociaal wangedrag aan het Avondmaal). Niet om deze gedeelten er bij te slepen, maar om de aandacht te vestigen op het duidelijke feit, dat de rijke charismatische begiftiging van de gemeente Paulus geen moment brengt tot verslapping van de aandacht voor het rechte omgaan met elkaar en voor de rechte leer omtrent de Kurios, die dood geweest is en Hij leeft. Geen moment kan het charisma de gebreken in leer en gedrag kompenseren. Integendeel, vanuit de verkeerdheid van leer en gedrag dreigt het gehele gemeenteleven onder te gaan (1 Kor. 11 : 33, 1 Kor. 15 : 32-34). De Schrift geeft er geen enkele aanleiding toe een oekumenische diversiteit van gedachten en leren te zien als een veelheid van wegen naar het Rome van de charismatische vervulling. Integendeel!
11. Het komt me voor dat een weloverwogen en ernstige toepassing van de paulinische kriteria ook vandaag een betere benadering waarborgt dan een oordeel bijvoorbaat. Aan een ernstige kritiek op de Charismatische Beweging - haar vooronderstellingen, haar "binnenkerkelijkheid", haar oekumenische image - zal het daarbij niet kunnen ontbreken.
Ad 11. Het komt me voor dat de door Paulus aangereikte direkte en indirekte toetsstenen niets van hun aktualiteit verloren hebben!
De apostel denkt er niet aan de gemeenschap van Christus-belijders te onderscheiden van een bizondere charismatische gemeenschap (1 Kor. 12 : 3). Ook vindt men bij hem geen scheidslijn tussen meer-gewone en meerbuitengewone Geestesgaven. Ieder ontvangt de openbaring van de Geest als lid van het lichaam, in harmonie met de overige leden, ten báte van het lichaam De in 2b en 5 reeds besproken konceptie van de Geestesdoop als "tweede zegen" en als aanvangspunt van het charismatische leven brengt scheiding te weeg waar Paulus de harmonie stelt!
Dat is bizonder duidelijk te konstateren in de oorspronkelijke Pinksterbeweging waar Geestesdoop-met-tongenspraak bijna steeds werd aangemerkt als grensbepalend ten aanzien van het wáre lichaam van Christus en als een motief-van-separatie ten aanzien van de bestaande kerken. Hoe heeft het oog zich hier tegen de hand afgezet (zie 1 Kor. 12 : 21)! In de latere ontwikkeling wordt dit separatisme verworpen. Maar toch worden Geestesdoop en charismatisch leven aan de gemeenschap der kerk als zodanig onttrokken en gemaakt tot een heiIs-top waarnaar de gelovigen hebben te streven ... een binnenkerkelijke polarisatie!
Het blad "Vuur", de levensscholen van de Charismatische Werkgemeenschap, haar werkgroepen en haar met eucharistie/avondmaalsviering besloten conferenties markeren de binnen-kerkelijk oekumenische verbizondering, Ook hier de merktekenen van een geestelijke élite waarbij het gelijkelijk voor elkander zorgen van de leden (1 Kor. 12: 25) in een éénrichtingsverkeer wordt omgezet.
We zagen dat de Geest als eerste gave, als "voorschot", de gemeente brengt tot een scherp zien van de beloofde vervulling en van het huidige "Nog niet" waarbij de hoop de boog tussen die beide spant. Pinksterbeweging en Charismatische Beweging geven ons telkens weer een tendens naar kortsluiting te zien, waarbij de boog der verwachting wijken moet voor de konceptie van het gerealiseerde aanwezige Koninkrijk. Een houding die stellig minder plat is dan die van het oude Korinthe maar die toch evenzeer onder de kritiek van 1 Kor. 4 : 8 valt. Op ethisch gebied leidt deze absolutering van het Geestbezit telkens weer tot perfektionisme, tot de gedachte dus dat men de staat van zondeloosheid bereikt heeft en boven de vijfde bede van het "Onze Vader" is uitgegroeid. Vanuit deze te vroeg gegrepen realisering van het eschaton kunnen ook zomaar weer lijnen getrokken worden naar een politiek en sociaal messianisme, naar de meest moderne gedachten omtrent de verwerkelijking van alles wat in het woord "verlossing" opgesloten ligt door onze aktiviteit. In elk spreken over de Geest-in-ons dreigt de kortsluiting van het objektieve en het subjektieve!
Hiermee zijn we reeds aangeland bij een volgend punt: We zagen dat Paulus er niet aan denkt het charismatische leven tot een zelfstandige toetssteen voor de gemeente te maken. Integendeel, de Geestesuitingen behoeven zèlf de toets van het verkondigde evangelie van Christus.
In het zo door de Geest verrijkte Korinthe blijkt de loochening van de opstanding mogelijk en werkelijk hetgeen door Paulus als een dodelijk gevaar wordt aangemerkt! Dit geeft ons de aanwijzing dat de vraag "Wat dunkt U van de Christus?" met grote nadruk gesteld moet worden. Het is in dit opzicht verontrustend dat onder de grote charismatische koepel zich diverse strómingen zoeken te bergen, die we nu niet anders dan zeer beknopt kunnen aanduiden.
Op het terrein van de christologie: De gedachte van Irving dat Jezus zich door zijn zondeloosheid de inwoning des Geestes had waardig getoond welke laatste zich danook in zijn doop realiseerde ... de mens als transparant voor God!
Verder de gedachte van de dramatische verzoeningsleer (Dr K. J. Kraan) waarbij de strijd tussen Geest en vlees in Jezus zelf wordt gesitueerd en het kruis wordt gezien als het definitieve gericht over het vlees (in Jezus èn in ons) ... het ontbreken van de noties van schuld en betaling. We noemden het gevaar van verpsychologisering onder 5. Hier is het grote gevaar aanwezig dat "Geest" slechts een ander woord zal worden voor het uitkomen van de mens tot de verwerkelijking van alles wat potentieel in hem aanwezig is... een verhumanisering! Gaven van God door de Geest kunnen in gebruik en nadenken geperverteerd worden. Denk weer aan rijkdom als geperverteerde zegen!
12. Zelfkritiek behoort bij de kerk overigens óók niet te ontbreken!
Vóór de Reformatie kwamen charismatische verschijnselen en zelfs bedieningen voor, maar de manier waarop de ambtelijke hiërarchie leiding, sacrament, genade en Geest onder de eigen beschikking gesteld en de christenen tot leken had gereduceerd kon toch niet anders werken dan als een kwalijke ontwenningskuur waarin de heiliging van gaven en krachten aan de Here en het gebed om de kracht daartoe niet in het blikveld verscheen.
Ad 12. Maar ook aan zelfkritiek mag het ons niet ontbreken. Ook in de kerk is het gegeven van het gelijkelijk voor elkaar zorgen van de leden (1 Kor. 12 : 25) maar al te zeer onderdrukt. In plaats van de harmonische samenzang van de leden kwam geleidelijk aan de tweeslag van leer-en-regeer-ambt enerzijds en leken anderzijds tot stand met een merkwaardige evenzeer separate zijtak beweging in het leven van monniken en orden. In de worstelingen van de eerste tijd werd de weg gebaand naar de bisschop als beheerder der genade en opvolger der apostelen. De leiding van de Heilige Geest werd in het Leerambt vastgelegd en ingevroren. Geest en Geestesgaven onder beheer en onder kontrole gebracht!
Steeds kwamen krampachtige reaktionaire Geest-bewegingen voor, die zich op hun beurt in exotisme en verabsoluteringen verloren. Nog in de toespraak van 19 mei 1975 van paus Paulus tot de roomse tak van de Charismatische vernieuwing ziet men de historische zucht naar beheer en kontrole levensgroot voor ogen als de paus de toehoorders waarschuwt te blijven zien dat Hij die zijn gaven uitdeelt dezelfde is als Hij die de Schrift heeft geïnspireerd en ... het levende leergezag steunt waaraan Christus de authentieke verklaring van de Schrift heeft toevertrouwd. De authenticiteit moet verzekerd worden door de hiërarchie. En wel bij voorbaat.
Een duidelijke ordehandhaving op een moment waarop de historische tweeslag van ecclesia docens en ecclesia audiens, van de lerende en regerende kerk enerzijds en de kerk die alleen maar horen en ontvangen kan anderzijds, dreigt te worden doorbroken! Hier draagt de kerk schuld aan de krampachtige reaktionaire bevrijdingsdrift die steeds weer de Geest-bewegingen heeft gekenmerkt. Polarisatie!
13. De Reformatie heeft een grote sanering gebracht. Veel kwaad is echter gesticht door het feit dat Geest en Geestesgaven veelal op een brutale wijze door doperse stromingen werden geclaimd en uitgespeeld tegen Woord, ambtelijke orde en kerkelijke inrichting. De reformatorische koncentratie op het Woord kon, hoezeer zij ook positief te waarderen valt, dat Woord nogal gemakkelijk als een logisch-rationele tegenpool gaan opstellen tegenover de gevreesde "doperse" emotionaliteit. Piëtisme en bevindelijkheidsgodsdienst treden op hun beurt weer als reaktie op en verraden mede de ongestilde honger naar Godservaring. Pool en tegenpool, aktie en reaktie. . . kiemen van separatisme, élitehouding en andere ongezonde bijverschijnselen van geestelijke polarisatie.
Ad 13. De Reformatie bracht een grote verbetering. De hiërarchie valt weg. Leken worden weer christenen. Evenwel hebben doperse stromingen met hun pretentie van on-middellijke Geestgemeenschap en hun geringschatting van Woord, ambt en orde veel kwaad aangericht. Het bodemloze subjektivisme waarin de Heilige Geest niet meer werd onderscheiden van de eigen troebele geest bracht een sterke reaktie teweeg. Hierbij dreigde steeds weer het gevaar dat men het Woord zou gaan reduceren tot het objektief-vaststaande, tot het geheel vari goddelijke waarheden, en dat men het boodschap-karakter en het evangelie als kracht Gods tot behoud (Rom. 1 : 16) uit het oog zou verliezen. Juist in zijn boodschapkarakter doorbreekt het Woord het dilemma objektief-subjektief. Wordt dat karakter veronachtzaamd dan blijft de polariteit. Dat ziet men het duidelijkst bij stromingen van bevindelijkheidsgodsdienst. "Voorwerpelijk" en "onderwerpelijk" treft men daar aan als onverzoende en toch ook weer ongescheiden polen: het objektieve Wóórd en de Géést die dat objektleve aan het subjekt toeëigent. In dat tweede wordt het verlangen naar werkelijke Godservaring dat door geen enkele objektiviteit kan worden gestild dan vervuld. Zo stelt men het tenminste! De ene pool heeft altijd om de andere geroepen. De duitse orthodoxie schreeuwde om zijn tegenhanger in het Piëtisme, de voorwerpelijke waarheidsprediking .om de bevinding.
Zo stelt de felle reaktie van de Pinksterbeweging en al evenzeer de schijnbare matiging in de Charismatische Beweging de Geestervaring centraal als startpunt van het echte charismatische leven. Deze reaktie doet de vraag opkomen wat de prediking is geweest en nog is. In hoeverre is de vóórreformatorische verschraling van het geloof tot een beamen van de voorgestelde waarheden toch weer teruggekomen? Wie een Pinkstergemeentedienst volgt komt zo vaak tot de konklusie dat de Woordverkondiging een minuskule "aangever" is geworden voor de Geest in zijn kracht. Is dat echter niet mede een reaktie op een prediking die de Geest als het ware heeft opgesloten in het Woord om vervolgens dat Woord te reduceren tot informatie óver God?
14. Er moet veel gebed zijn om een prediking die zo wordt gebracht èn zo wordt gehoord dat er maar niet alleen informatie over God overkomt maar dat in het Woord de Spreker zèlf wordt gehoord en de presentie van de Here wordt ervaren. Wanneer dat gebed wordt verhoord, dan mag ook verwacht worden dat de Geest krachten van hart, hoofd en hand aktiveert en heiligt aan de Here tot arbeid voor het Koninkrijk en tot opbouw van Christus' Lichaam. Ik denk o.m. aan een toenemende aktiviteit en betekenis van kringen van lofzegging en gebed, van bijbelstudie en van hulpbetoon ... Het bizondere ambt zal zulk een ontwikkeling positief dienen te begeleiden en ervoor zorg hebben te dragen dat deze aktiviteiten erkenning vinden als wézenlijk kerkelijke verrichtingen (zie bijv. Hand. 12 : 5, 12, ook 17 voor het ontbréken van bizon der gekwalificeerde personen!). Wanneer broeders en zusters die naar de begeerte van hun hart elkander zoeken de indruk houden, dat ze zich daar mee toch eigenlijk buiten het erf van de strikte kerkelijkheid begeven, dan zouden wij er aan schuldig staan dat het wieltje van Piëtisten, Naderereformatiechristenen, Gezelschapsvromen, Pinksterbroeders in polariserende trant nog eens wordt omgedraaid.
Ad 14. Op diverse plaatsen en wijzen stelt Paulus dat het gepredikte evangelie de kracht en de bron is van de totale levensvernieuwing - zie Rom. 1 : 16 ("kracht tot behoud ... "), Rom. 10: 9-10, 17-18 ("Woordgeloof-
behoud"), Gal. 3 : 2 ("de Geest ontvangen ten gevolge van - uithet geloofsgehoor"). Dit doet ons de polarisatie ontvluchten en bidden om een prediking die zó wordt gehouden en zó wordt gehoord dat daarin en daardoor de Spreker zèlf wordt gehoord en zijn tegenwoordigheid en kracht ervaren. Men zal Woord en Geest niet mogen veréénzelvigen waarbij de Geest als het ware in het Woord ondergaat. Men zal Woord en Geest niet mogen scheiden! Realiteit van ervaring. Maar ook: het wijken van het streven naar de apàrte, twééde ervaring als een aparte aangelegenheid.
De prediker mag vasthouden dat zijn werk funderend is en zich daarop toeleggen (2 Tim. 4: 1-2), maar hij zal tevens met verrassing gewaarworden, dat zijn werk vruchten-van-de-Geest doet rijpen die zijn eigen maat en kunnen telkens weer te boven gaan. Daarin komt naar voren dat de ambtelijke opbouw in de gemeente zeer wel harmonieert met de lichaam-leden-struktuur van 1 Kor. 12 en dat de verzorging niet de éne richting gaat van ambt naar gemeenteleden maar het wederkérige kent van het "gelijkelijk voor elkànder zorgen". Door het Woord en de les der historie geleerd zullen opzieners en regeerders hun ambtelijke dienst moeten bewaren voor de verschraling tot kontroleren, beheersen en korthouden.
Naast het noodzakelijke werk van snoeien en wieden in de tuin van de Geest is daar het positieve element van de verzorging die ernaar streeft de ontplooiing van de gewassen - plaats, licht, warmte! - te bevorderen. Daarbij zal de verzorgde plant ook telkens weer en in vele opzichten het eigen gewas van de opziener teboven kunnen gaan! Het is verheugend als de leden van de gemeente de behoefte hebben en ook vervullen aan de onderlinge zorg op vele manieren gestalte te geven en zich in te zetten tot een direkt persoonlijke bijdrage in het gemeenschappelijke gebed. Naast het element van het volharden bij het onderwijs der apostelen (Hand. 2 : 42) treft men ook de samenkomst tot gemeenschappelijk gebed die zo vrij is van opzet dat "Jakobus en de broeders" blijkbaar kunnen ontbreken - zie Hand. 12 : 12, 17 - terwijl zij toch wordt aangemerkt als een arbeid "door de gemeente" - zie 12 : 5. De prediking is funderend, maar een fundament blijft niet bloot. Een angstige opstelling, die beheersing en kontrole het hoogste acht, zal het Woord der prediking gaan reduceren tot een norm waaraan men zich te houden heeft (wat het Woord natuurlijk óók is). De kring wordt zo nauw getrokken dat weer de drang opkomt naar de Geesteservaring als een tweede pool, ergens buiten de kerkinrichting te bereiken. Daarvoor moge God ons behoeden.