DE HEILIGE GEEST ALS HELPER EN TROOSTER
1978-08-18
Inleidende opmerkingen- Jaargang 22
- nummer 30
Aandacht vragen voor het werk van de Geest is zeker geen overbodigheid.
Met name niet in deze tijd, waarin onder vele christenen een zogenaamde charismatische beweging zich sterk maakt en bijzondere Geesteswerkingen en Geestesgaven volop in gesprek zijn.
Hoe werkt de Geest? Openbaart Hij zich ook nu nog in allerlei opzienbarende tekenen en wonderen, tongentaal, gebedsgenezing, het uitdrijven van boze geesten? Of kwamen die gaven en krachten alleen maar voor in de apostolische tijd en in sommige eerste christengemeenten?
Waarom nu niet meer?
En hoe moeten we daarover oordelen?
Is dat een bewijs van een ingezonken gemeentelijk leven?
Zonder op deze charismatische beweging zelf in te gaan, komt het mij goed voor, in dit verband te luisteren naar wat de Heer Jezus zelf inzake het werk van de heilige Geest tot zijn discipelen gezegd en via het getuigenis van de evangelisten ons geopenbaard heeft.
Met name in de rede, toen Hij zijn apostelen voorbereidde op het heengaan naar zijn Vader: Ik ga heen - zeide Hij - maar Ik zal u geen wezen laten.
Hij sprak toen: "Ik heb jullie nog véél te zeggen, maar jullie kunnen dat allemaal nog niet verwèrken.
Maar wanneer de Geest der waarheid komt, zal hij jullie de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet op éigen gezag spreken, hij zal alléén vertellen wat hij hoort en de dingen, die komen gaan, bekendmaken.
Hij zal mij verhéérlijken, want alles wat hfj jullie bekend maakt, heeft hij van mij. Alles wat de Váder heeft is van mfj, daarom zeg ik jullie dat hij, wat hij jullie bekend maakt, van mij heeft."
Goed verstaan, zegt de Heer Jezus van de Geest:
1. Hij wijst ons de weg naar de volle waarheid.
2. Hij spreekt niét uit zichzèlf.
3. Hij voorspelt ons de tóekomst.:
4. Hij verhéérlijkt de Christus.
5. Hij werkt in verbóndenheid met de Vader en de Zoon.
De Geest wijst de weg naar de volle waarheid
De Geest, die Christus aan zijn discipelen had tóegezegd en die zich over de gemeente van de Heer heeft uitgestort, zouden we kunnen noemen de Geest van goddelijke bijstand. Deze Tróóster, beter gezegd deze Hélper zou de discipelen verder brengen. Als Christus zèlf niet meer bij hen zou zijn, zou Hij door zijn Géést het onderwijs voortzetten.
Jezus had zijn apostelen en leerlingen al veel geleerd. In dagelijks verkeer en veelvuldige gesprekken had Hij voor hen de Schriften geopend. Gáándeweg had Hij hun de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen geopenbaard en hun laten zien, hoe heel het evangelie, door Mozes en de profeten voorzegd, in Hém zijn vervulling had gevonden. Dat Hij als de Messias moest lijden en sterven en opstaan uit de doden.
Maar telkens bléék, dat zijn leerlingen dit onderwijs maar zeer ten dele verstaan hebben. Zij konden de betekenis van Christus' woorden niet altijd begrijpen. Telkens stuitte de Heer op hun onverstand en traagheid van hart, om alles te geloven wat de Schriften van hem hadden gezegd. Vandaar ook hun herhaaldelijk terugkerende vrágen.
Waarom moest de Christus lijden en stérven aan het kruis?
Waarom moest Hij hééngaan naar de Vader?
Hoe en wanneer zou Hij dan op aarde het Kóninkrijk vestigen?
Na de opstanding van Christus bleek, dat zelfs de méést vertrouwde jongeren, die dágelijks aan zijn voeten hadden gezeten, zijn woorden en werken maar gedééltelijk begrepen hadden. Afgedacht van wat ze van de waarheid nog niet verdrágen konden.
Maar de Heer had hun voorzegd: dat komt stráks wel goed. Wat jullie nu nog niet kunnen verstaan, begrijpen, verdragen en onthouden, dat zal u stráks alles en genoegzaam duidelijk worden.
Straks komt de heilige Géést. En Hij is de Geest der waarheid. Hij zal jullie alles leren en weet te binnen brengen, wat Ik jullie vroeger geleerd en voorzegd heb.
Hij zal jullie tot de vólle waarheid brengen.
En zo is het ook gebeurd. Ná Jezus' hemelvaart. Toen de gemeente van Jeruzales ter gelegenheid van het joodse Pinksterfeest op eenzelfde plaats bijeen was gekomen.
Toen stortte de verheerlijkte Heiland de heilige Geest uit. Toen kwam die Geest in zijn gemeente wóning maken. Toen heeft Hij de harten van de discipelen vervuld. Toen gingen ze in een verscheidenheid van talen de grote werken Gods verkondigen. Toen stond Petrus daar te spréken en te getuigen en de Schriften te verklaren.
Te verkondigen dat Jezus de Christus is, de Redder en Behouder van de wereld.
Hoe hebben tóen en daarná die apostelen van de Heer, die eenvoudige vissers uit Galilea, die óngeleerde en óngeletterde mensen; Petrus en Johannes en Stefanus en Filippus, een inzicht gekregen in de verborgenheden van het Koninkrijk van God. Hoe hebben ze de Schriften leren verstaan, ze verkláárd en uitgelegd en toegepast voor de kerk van alle eeuwen.
Daar heeft de heilige Géést voor gezorgd. Ze de weg gewezen tót en ze ingeleid In de volle waarheid, zodat ze daarvan in hun prediking en in hun brieven en evangeliën getuigenis konden geven.
En daarvan mogen wij, de kerk van alle eeuwen en op alle plaatsen, nu profiteren. Daardoor hebben wij nu die kostelijke bijbel gekregen.
Die wondere éénheid van Oud en Nieuw Testament. Dat boek der wáárheid. Al wat ons nodig is te weten om God te leren kennen in het aangezicht van Jezus Christus.
Al wat ons dienen kan om getroost te leven en te sterven.
Wie zich nu door de Geest der waarheid, die Geest van Christus laat onderwijzen, die heeft de waarheid, de volle waarheid. Die heeft geen bijzondere Geestesopenbaringen meer nodig. Hij wordt bij het indachtig luisteren naar de Schrift in de waarheid geleid.
Let wel: in de vólle waarheid.
De Geest wil ons bijstaan en helpen, enerzijds door zijn woord te openen voor ons hart, en anderzijds door ons hart te openen voor zijn woord.