Onze houding tegenover christen organisaties
1978-08-18
Naar aanleiding van de in Opbouw gevoerde discussie over het artikel van J. Meulink "Predikant en Politiek" wil ik enkele notities maken m.b.t. wat M. het hoofdprobleem van de discussie noemt: de verhouding tussen levensbeschouwing en maatschappelijk en politiek inzicht.- Jaargang 22
- nummer 30
Terecht komt M. aan het einde van zijn repliek tot de conclusie dat christenen en humanisten in Nederland anno 1978 niet in één politieke partij kunnen en mogen samengaan. Ik ben blij met de tijd en plaatsbepaling in deze conclusie, omdat deze hierdoor van een algemene tot een concrete en aantoonbare stelling verheven wordt, die ik van harte onderschrijf.
Ik meen dat M. erin geslaagd is een zodanige omschrijving te geven van de christen levensbeschouwing tegenover de humanistische dat deze na een toetsing aan de praktijk voor geen andere conclusie ruimte laat.
De discussie in Opbouw heeft zich tot nu toe beperkt tot het terrein van de politiek. Ik meen echter dat de opmerkingen van M. in een breder kader geplaatst kunnen worden. Zeker gelden ook voor het maatschappelijk terrein en wel in het bijzonder voor de werknemersorganisaties anno 1978 in Nederland. In feite zien we daar een zelfde verschijnsel als in de politiek. Ook daar is sprake van een organisatie, die zich baseert op een christen levensbeschouwing - het C.N.V. - en een organisatie, die zich baseert op een humanistische levensbeschouwing - d.i. F.N.V. - en wel op de in M's gedachtengang als "beheersingsstroom" gekenschetste richting van het humanistisch denken. Opvallend is dat de andere richting van het humanisme, de visie van de vrijheidsdrang, op het terrein van de vakbeweging ontbreekt. Het gaat misschien te ver om hieruit te concluderen dat de keuze voor één der humanistische grondmotieven kennelijk voortvloeit uit een bereikte maatschappelijke positie in plaats dat zij principieel van aard zou zijn.
Ook binnen de F.N.V. zien we de erkenning van het verband tussen levensbeschouwing en maatschappelijk inzicht, evenals de respectering van een christen levensbeschouwing, mits deze leidt tot de voorgestane socialistische maatschappijvisie. Dit laatste is naar mijn mening van doorslaggevend belang. De F.N.V. staat evenals de P.v.d.A. een socialistische maatschappij voor. Een visie waarin de individuele verantwoordelijkheid, die de mens bij de schepping van Godswege opgelegd heeft gekregen, uiteindelijk plaats moet maken voor een collectieve verantwoordelijkheid.
Helaas is dit niet altijd zichtbaar en is het mogelijk dat in concrete situaties christenen, die - zoals Kurpershoek en Pekelder in hun "ingezonden" schrijven m.b.t. de P.v.d.A. - lid worden van de F.N.V., dat doen omdat hun maatschappelijk inzicht (toevallig) overeenstemt met dat van de F.N.V. Het is heel wel mogelijk dat Kurpershoek en Pekelder deze parallel niet trekken, maar zeker is dat duizenden anderen dat wel doen.
De F.N.V.-propagandaleus, als zou de F.N.V. meer christenen onder haar leden tellen dan het totale C.N.V.-Iedental, spreekt boekdelen.
Toch geloof ik dat zich hierbij nog een ander aspect voordoet dan M. in zijn artikel noemt. Naast de door hem uitgewerkte christen en humanistische levensbeschouwingen en de volledige synthese van deze twee, hebben we hier te maken met een tweetal tussenvormen, die eigenlijk een onvermijdelijke consequentie zijn van de dialectische ontwikkeling van beide genoemde levensbeschouwelijke stromingen gedurende de achterliggende eeuwen. Een tweetal levensbeschouwelijke vormen, die ik zou willen aanduiden als een door het christen denken beïnvloede humanistische levensbeschouwing en een door het humanistische denken beïnvloede christen levensbeschouwing. Beide stromingen komen we tegen binnen zowel de christen organisaties, zoals het C.D.A. en het C.N.V., als binnen humanistische organisaties, zoals de P.v.d.A. en de F.N.V.
Tot de eerstgenoemde stroming behoren m.i. vele van de christenen binnen de P.v.d.A. en de F.N.V. Mensen met een humanistische levensbeschouwing, beïnvloed door een christelijke opvoeding en een veelal nog bestaande relatie met een kerkelijke richting.
Tot de laatstgenoemde stroming behoren m.i. velen binnen de christen organisaties en partijen, zoals het C.N.V. en het C.D.A. Mensen met een christen levensbeschouwing, maar geïntrigeerd door humanistisch-socialistische idealen. De gevolgen van de ontwikkeling van deze twee stromingen zijn niet gering. Zij veroorzaakt een vervaging van het onderscheid tussen organisaties, die zich baseren op een christen levensbeschouwing enerzijds en organisaties, die zich baseren op een humanistische levensbeschouwing anderzijds. Deze vervaging kan voor de christen organisaties een tweeledige uitwerking hebben. Enerzijds kan hierdoor binnen de christen organisaties een - zoals M. noemt- soort van geestelijk federalisme plaatsvinden tussen beide oorspronkelijke levensbeschouwingen.
Anderszijds kan hierdoor onder degenen die dit .gevaar onderkennen en afwijzen een passieve en zelfs veroordelende houding t.o.v. deze christen organisaties, alsmede voor de houding t.o.v. deze organisaties van degenen die de gevaren van deze vervaging onderkennen. Over belde nog enkele opmerkingen.
Het karakter van de christen organisaties brengt mij even op het artikel van ds H. Amelink "Het C.D.A. en de zonde", dat onlangs in een tweetal nummers van Opbouw werd gepubliceerd. Ds Amelink signaleert de hierboven omschreven vervaging m.i. als hij - mede i.v.m. het C.D.A. - spreekt over een omkering van alle waarden. Een ja tegen alternatieve samenlevingsvormen, een nee tegen koopsompolissen. Een Ja tegen abortus en euthanasie, een nee tegen elke afwijking op geldelijk gebied. Ik meen dat hier inderdaad sprake is van een, mede ten gevolge van de door mij gesignaleerde vervaging, omkering van waarden. Voordat we echter de veroordelende vinger uitsteken, moeten we naar mijn mening duidelijk
zien welke waarden hier omgekeerd worden. Gaat het hier niet om waarden, hooggehouden door christelijke organisaties. en niet in de laatste plaats kerken in onze eigen historie en vandaag nogin vele delen van de wereld, die een nee tegen alternatief samenleven verbonden en verbinden aan een keihard ja tegen koopsompolissen en een nee tegen abortus en euthanasie aan een even hard ja tegen talloze zonden op economisch gebied?
Ik denk dat de verliefdheid van christenen op humanistisch-socialistische idealen mede hieruit verklaard kan en moet worden. Het vinden van een verklaring betekent echter nog geen vrijbrief. Ik geloof zeer zeker dat hierin een groot gevaar schuilt voor de christen organisaties op maatschappelijk en politiek terrein. Ik meen echter ook dat onze eigen verantwoordelijkheid hier in het geding is. Dat brengt me tenslotte op de houding van degenen die deze vervaging onderkennen en afwijzen t.o.v. de christen organisaties.
Christen organisaties, juist grotere organisaties als in dit artikel genoemd, zijn middelen waardoor wij als christenen onze verantwoordelijkheid en roeping om Gods schepping te bewerken en te bewaren kunnen beleven. Met opzet heb ik in dit artikel gesproken van christen organisaties in plaats van christelijke organisaties. Een organisatie, die het Evangelie erkent als richtsnoer voor haar beleid is - zoals ook uit dit artikel blijkt - zeker niet per definitie een christelijke organisatie. Zij is echter wel een middel voor christenen om de ons van Godswege opgelegde verantwoordelijkheid in deze wereld te beleven.
Door een passieve en veroordelende houding t.o.v. de christen organisaties zal de geschetste vervaging en daardoor het verdwijnen van deze middelen slechts worden bevorderd. De verantwoordelijkheid, die we hiermee op ons nemen - niet in de laatste plaats tegenover degenen die binnen deze organisaties de humanistische invloeden trachten te bestrijden - is groter dan velen - ook in onze kring - beseffen.
Juli 1978