Zo was het (19)

1978-08-25
  • Jaargang 22
  • nummer 31
We lieten in V. dus een lid van de Ev. Luth. kerk toe tot het H. Avondmaal, zonder dat zij als lid van de vrijgemaakte kerk werd ingeschreven.
Naar aanleiding daarvan wil ik iets zeggen over het Avondmaal en wat daarmee samenhangt. Het is één van de beide Sacramenten.
Sacrament betekent: heilige zaak, gewijde handeling. Het doet ons denken aan iets, dat bizonder heilig is. Sedert eeuwen werden de sacramenten gesteld boven het Woord, heiliger dan het Evangelie. In m'n jeugd was het dan ook gewoonte, dat m'n Vader een hoge hoed en een zwart pak droeg.
Zowel bij de Doop als bij het Avondmaal. Wie het zich kon veroorloven om de financiën, toog ter kerke met hoge, zijden hoed en gestreepte broek en lange, zwarte jas. Als het Avondmaal werd bediend gingen wij als kinderen wel mee naar de kerk. Maar als de eigenlijke avondmaalsdienst begon gingen wij naar huis. Zat daar mogelijk achter, dat wij tot het "allerheiligste" nog niet werden toegelaten?

Verder kwam de heiligheid van het Avondmaal ook uit in de stemming of sfeer, waarin het werd gevierd. Die was niet vreugdevol te noemen. Het leek alles veel ernstiger en plechtiger dan een gewone kerkdienst. De avondmaalgangers waren niet in een feeststemming. Het leek er meer op, dat men naar een begrafenis ging. We zullen het woord sacrament wel niet kwijtraken uit onze kerkelijke woordenschat. Maar het komt me voor, dat we die apartigheid van Doop en Avondmaal wèl kwijt moeten raken.

Om nu maar bij het Avondmaal te blijven: Het is een zichtbaar en proefbaar Evangelie. Het Blij Bericht is bestemd om gehoord te worden en met het hart aanvaard te worden. En hef Avondmaal is bestemd om gezien en gesmaakt te worden. Niet alleen met oog en mond, maar ook met het hart.
Er is dus wel verschil, maar wezenlijk gaat het bij het Avondmaal en bij de verkondiging van het Evangelie om dezelfde zaak. Evengoed als we spreken van het heilig Avondmaal zeggen we ook: heilige Schrift en heilig Evangelie. We zouden eigenlijk, als we Doop en Avondmaal sacramenten noemen, ook wel kunnen spreken van het sacrament van het Woord. Naar mijn mening hebben we Doop en Avondmaal ten onrechte zo apart gezet, naast het Evangelie. Met het gevolg, dat wij het Avondmaal als iets zeer bizonder beschouwen. En de gang naar het Avondmaal als iets zeer speciaals, boven onze gewone kerkgang. Zouden onze vaderen daarom ook het Avondmaal maar vier keer per jaar als regel hebben gevierd?
We krijgen de indruk uit het N.T., dat dit in de oudste gemeenten niet het geval was. Woordverkondiging en viering van het Avondmaal waren veel nauwer aan elkaar verbonden dan later het geval werd. Werd toen soms het Avondmaal elke week bediend? Als ik het wel heb wilde Calvijn dit eigenlijk ook. Hij kon het niet doorvoeren vanwege de overheid.
Ik zeg niet, dat wij nu zo maar elke week moeten gaan Avondmaal vieren. Maar het lijkt me een goede zaak, zoals we dat in Voorthuizen ook deden en elders ook gebeurt, om de twee maanden het Avondmaal te bedienen. Er zijn gemeenten waar men het maandelijks viert. Wat eigenlijk heel gewoon moest zijn, dunkt mij.

In verband daarmee mag ook gezegd worden, dat het aloude formulier wel wat lang en zwaar en onderwijzend is uitgevallen. Het is nogal een wijdlopig verhaal geworden over de leer van het Avondmaal en waaróm en waartoe het is ingezet. Dát zal wel nodig geweest zijn in de eerste tijden van de grote Reformatie. Toen was het kerkvolk immers soms in één dag of nacht van rooms, gereformeerd geworden. Door ingrijpen van de overheid bijv. De meesten waren nog thuis in de leer van de roomse mis.
Naar die opvatting werd het brood wezenlijk veranderd in het lichaam van de Here Jezus. Men at om zo te zeggen lichamelijk en eigenlijk het lichaam van Christus. De gemeente moest worden onderwezen in de schriftuurlijke betekenis van het Avondmaal. Vandaar die brede uiteenzetting over instelling en doel van het Avondmaal. Verder zal het wel nodig zijn geweest, dat streng werd aangedrongen op rechte zelfbeproeving. Want de toestanden in de roomse kerken waren hier en daar allerellendigst. Als Pausen en prelaten, pastoors en kapelaans "hokten" zal ik maar zeggen, dan hoeft men niet te vragen hoe het stond met zeden en gewoonten van de "beminde gelovigen". Heel het volk was zogenaamd rooms. En dát volk was plotseling zogenaamd gereformeerd geworden. Dat was natuurlijk in z'n geheel niet zo maar veranderd. Vandaar die strenge toon van het oude formulier. En dat rijtje van schrikkelijke zonden, dat ons om de drie maanden werd voorgehouden. Met o.a. die "afgodendienaars, allen die gestorven heiligen, engelen of andere schepselen aanroepen, allen, die de beelden eer aandoen, alle tovenaars en waarzeggers, die vee of mensen mitsgaders andere dingen zegenen en die aan zulke zegening geloof hechten", enz. enz. Verder worden alle "doodslagers, echtbrekers, hoereerders, dronkaards, dieven, woekeraars, rovers" enz. vermaand zich van het Avondmaal te onthouden. Wel volgt er dan: "dit wordt ons niet voorgehouden om de verslagen harten der gelovigen kleinmoedig te maken".
Maar waarschijnlijk heeft de krasse taal van het formulier wèl velen kleinmoedig gemaakt. We hoorden deze geladen taal geduldig aan. Maar als we even nadenken, kunnen we ons toch moeilijk voorstellen, dat moordenaars enz. zich zouden verwaardigen om het Avondmaal te vieren. En wie weet nog wat het is "vee en mensen te zegenen en daaraan geloof te hechten"?

Vele kerken hebben wel gevoeld, dat dit formulier eigenlijk te lang en te zwaar is. Men trachtte dit bezwaar op te lossen, door een gedeelte te lezen bij de zogenaamde voorbereiding. En de rest bij de viering van het Avondmaal. Maar we mogen blij zijn, dat onze Chr. Geref. broeders ge zorgd hebben voor een korter en beter formulier. Moge het veel gebruikt worden.

Na vele jaren het Evangelie van dood en opstanding van de Here Jezus gehoord te hebben, weten wij toch wel, wat de inhoud van de Blijde Boodschap is en dus ook wat het Avondmaal voor ons betekent? Nu is zulk een lange uiteenzetting toch niet meer nodig? Wat mij betreft zou een korte aanhaling van de instellingswoorden van de Here Jezus voldoende zijn. De apostelen en evangelisten zullen toch ook wel zulk een formulier niet hebben opgesteld en voorgelezen? Waar men met het oude nog niet kan of wil breken blijve men bij het oude. Het kán er wel goed om zijn. Alle gemeenten zijn niet gelijk en koekoek-éénzang hoeft het in de gemeenten van de Here Jezus niet zijn. Het nieuwe is nog niet goed, omdat het nieuw is. Maar men moge ook bedenken, dat het oude nog niet goed is omdat het oud is. De hoofdvraag is altijd weer: is ons gebruik naar aanwijzing van het Evangelie? Dat zullen we met elkaar moeten overwegen. En ik zou wel de kant op willen van: eens per maand bij de dienst van het Woord ook de dienst van het Avondmaal. Preek en Avondmaal horen bij elkaar. Dát moeten we niet vergeten. We zullen niet scheiden wat de HERE heeft samengevoegd. We moeten niet apartzetten wat bij mekaar behoort.

Mogelijk klinkt een en ander sommigen vreemd in de oren. De vraag komt wellicht op: Als het Avondmaal zo vaak, ééns in de maand, zou worden bediend zou het dan niet te gewoon worden? Zou het toegaan tot het Avondmaal geen sleur worden? Zouden velen dan het Avondmaal niet maar vieren "uit gewoonte of bijgelovigheid", zoals ergens staat?

Ik zou met een weervraag willen antwoorden: Zou het dan ook maar niet beter zijn eens in de drie maanden als gemeente samen te komen om Gods Woord te horen? Of ééns in de maand? Wordt het ook geen gewoonte of sleur om samen te komen voor het luisteren naar de beloften en vermaningen, die men al zo vaak heeft gehoord? Die kennen we toch allang?

U zult antwoorden: Dát kunnen we niet missen. Ons geloof moet gesterkt worden. En door de vermaningen wordt onze voortgaande gehoorzaamheid opgewekt. Daarbij is samen-bidden nodig en het onderhouden van de gemeenschap der heiligen. Daarmee ben ik het van harte eens. Wij hebben dat nodig. Maar geldt dat ook niet van het Avondmaal? Heeft de Here Jezus dat niet ingezet, óók opdat wij Hem niet zouden vergeten? En opdat wij niet zouden ophouden het leven en de redding te zoeken buiten ons zelf in Hem alleen? Waarom zou ons dat niet vervelen bij het luisteren naar het Woord en wel bij het zien en smaken van het heil in Christus?
Waarom zou dat sleur worden?

Vroeger kon een Avondmaaldienst wel "vervelend" worden door de manier, waarop het bediend werd: in de dagen van ds Oosterzee soms 40 tafels! Hier in Kampen maakte ik het nog mee: 10 tafels. Dan wordt zulk een dienst een oefening in geduld. Dan liever brood en wijn langs de banken uitgereikt. En een kort formulier. In onze, meest kleine, gemeenten bestaat dat bezwaar niet.

Nog één opmerking over de toelating tot het Avondmaal. We zijn het zó gewend. Er wordt elk jaar een zogenaamde belijdenis-catechisatie gegeven.
Een soort stoomcursus? Daarna een soort examen voor de kerkeraad en een bezoek door ouderlingen met onderzoek naar de beweegreden. Als dat alles normaal verloopt doen dan omstreeks Pinksteren een behoorlijk aantal jonge leden, voor de gemeente openbare geloofsbelijdenis. Over !het algemeen denkt men, dat dit altijd zo gegaan is. Maar zo ging het niet altijd.

In m'n jonge jaren logeerde ik nogal eens bij m'n voogd, die dominee was in een dorp met een eigenaardige naam, vooral in de oren van een Groninger: het heette Boxum. Daar kwam het geregeld voor, dat tegen de viering van het Avondmaal een jongen of meisje of beiden samen aan de pastorie kwamen om te zeggen, dat zij aan het Avondmaal wensten deel te nemen. Op een vergadering van de kerkeraad werd dan onderzoek gedaan naar de geloofskennis,: En dan legden zij vóór de viering van het Avondmaal belijdenis af van hun geloof en namen deel aan de Tafel des Heren. Een speciale belijdenis-catechisatie was daar niet. Een bepaalde leeftijd was ook niet gesteld. Het komt mij voor, dat dit een goede gewoonte was. Naar ik meen ook wel in gebruik in de dagen van de Afscheiding.
Waarom komt dit nu als regel niet meer voor?

Het komt mij voor, dat bij de tegenwoordige gewoonte de schijn wordt gewekt, alsof het onderzoek door de kerkeraad een soort school-examen is. Moet iemand eerst zus en zoveel weten, zoveel kennis in het hoofd hebben, eer men mag deelnemen aan het Avondmaal? Er is dunkt mij soms teveel nadruk gelegd op wat een catechisant Wist, eer hij of zij mocht toegaan. Het komt aan op geloof en bij geloof hoort ook weten, in, Wie men gelooft en wat' men gelooft. Maar hoe groot die hoeveelheid weten moet zijn kan niemand zeggen. Dat hangt ook samen met de gaven van een catechisant. Maar het onderzoek moet in elk geval niet ontaarden in een soort parade van de candidaat, die moet laten blijken hoe goed het onderwijs van de catecheet wel is geweest. Dát was het geval bij de nu volgende gebeurtenis: Wáár gebeurd. Waar en wanneer, dat doet er niet toe. Een dominee had een uitstekende leerling. Hij kon gemakkelijk wat "van buiten leren". Hem werd door de catecheet gevraagd het hele formulier van de Doop in het hoofd te zetten. De leerling deed het. Prompt werd hem bij het onderzoek een vraag gesteld over de Doop. En het formulier rolde van de lippen van de kandidaat!

Het ware te wensen, dat een belijdenis-catechisatie niet nodig zou zijn.
En dat er bij elke avondmaalsviering gelegenheid zou zijn om het geloof te belijden en dat er van die gelegenheid gebruik zou worden gemaakt.
Vanzelf moeten zij, die toegang vragen, in de Heiland geloven. En weten in Wie en wat zij geloven. Maar een schools examen mag het niet zijn.
Natuurlijk is er geen verstandig mens, die verlangt naar een toestand als in de Middeleeuwen. Toen was het voldoende als men het Onze Vader, de Wet des HEREN en de 12 Artikelen kende. Zulk een minimum zou 'nu beneden de maat zijn. Maar tenslotte is het geloof niet alleen een zaak van het hoofd, maar meer van het hart. Toen ik toegang tot het Avondmaal vroeg en het onderzoek voor de kerkeraad meemaakte, werd alleen gevraagd naar kennis, die in het hoofd zat. Bij een persoonlijk bezoek werden meer persoonlijke vragen gesteld. Ik zou niet weten, waarom dit niet zou gebeuren bij het onderzoek voor de kerkeraad. Ik herinner mij een regel, die ongeveer als volgt luidt: Het haantje in de borst moet geen koning kraaien, maar men moet het ook niet de nek omdraaien. Dát werd in een redeneertijd van het gereformeerdendom wel eens gedaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief