OM HET U AAN TE ZEGGEN (3)

1978-09-01
  • Jaargang 22
  • nummer 32
Elsevier 1977

In diverse kerkelijke formulieren worden de letters N.N. gebruikt. Bedoeld is op die plaats de naam van de betrokkene in te voegen. In die formulieren zijn de letters zo onbepaald mogelijk. Maar wie het aangaat is bij het invullen van zijn naam sterk betrokken.

Daar kunt u aan denken bij de letters N.N., die de Duitse term "Nacht und Nebel" aangaven. Deze letters zijn opgenomen in een officieel herdenkingskruis.
Wie zijn naam tegen een kampnummer had ingeruild verdween voor de Duitsers in het blauwe niets, werd een N.N.-geval. Maar zelf was hij bij die letters sterk betrokken.

Zo zijn er velen omgekomen, gedood, verast, vergaan. Van velen is zelfs het nummer niet teruggevonden; alleen nacht en nevel blijven. Maar door God de Heere zijn ze allen bij name genoemd. Ondergaan in nacht en nevel betekende voor hen, die Gods beloften geloofden: transport naar het eeuwig leven. Dat kon geen Duitser verhoeden.

Vanzelfsprekend is het overleven van een concentratiekamp iets, waarmee zowel lichaam en geest als "ziel" gemoeid zijn. De samenhang van deze drie komt juist in een crisis scherp uit.

Het vinden van enige hulp, het verkrijgen van enig extra voedsel, het gebruiken van elk middel, het economisch omgaan met lichaamskracht is dus alles nodig om lichamelijk te overleven. De schrijver Floris Bakels dankt dan ook vele vrienden die hem hierbij geholpen hebben. Zonder die hulp zou een lang persoon, niet getraind in lichamelijke arbeid, het niet gehaald hebben.

Maar ook mentaal ontving hij de aanmoedigende hulp van anderen. Het moedige voorbeeld van ter dood veroordeelden spoorde hem aan om flink te blijven - op slechts enkele depressies na. Maar vooral bij het helpen, troosten en begeleiden van anderen kreeg de schrijver goede moed. Indien ergens dan is hier op zijn plaats: dat het zaliger is te geven dan te ontvangen. Wat we weggeven aan troost, bemoediging, hulp en kracht komt altijd vermeerderd op het eigen hoofd terug.

Het sterkst is de schrijver echter, wanneer hij verhaalt hoe God zelf in Jezus Christus hem en anderen tot krachtbron is geweest.

Dat iemand, die in de grootste onzekerheid, angst en twijfel verkeert, des te gereder naar de enige zekerheid voor tijd en eeuwigheid grijpt, is al gezegd. Maar dat de Satan hierin meteen een rol tracht te spelen moest de schrijver nog ondervinden. Tegelijk met de zekerheid "wie gelooft kan bergen verzetten" en "als God voor ons is wie zal tegen ons zijn?"
kwam ook de menselijke betekenis - op grond van ingebeelde gegevens - die natuurlijk teleurstelde. Het gevolg was een vreselijke crisis, die tijdelijk in godsdienstwaanzin ontaarde. Door Gods goedheid kreeg eindelijk zijn gezonde verstand de overhand: hij begreep, dat hij God niet kon dwingen.

Zijn benadering van het kerkelijk christendom. Tijdens het aardappelenschillen sprak hij met zes predikanten en een pastoor. Over de christelijke geloofsverdeeldheid. "Is het wel nodig, gezien de vele wegen die naar God leiden, ook nog zo veel christelijke wegen te onderscheiden?" vraag hij. "Het maakt wel wat uit, ja, maar niet veel, als het er op aankomt", wordt geantwoord. "Maar het kómt er op aan, nu en altijd", concludeert hij. En een andere keer: "Jullie zijn fijne kerels, goed op de hoogte van alles. Theologen zijn iullie. Ik heb alleen God, en Christus". "Bij welke kerk moet ik me aansluiten?" vraagt hij hun.

"Hebben jullie je wel eens afgevraagd of jullie in de loop van twintig eeuwen het christelijk geloof niet vertheologiseerd hebt?" "Ik geloof dat jullie het geloof bedolven hebt onder mensenwerk. Kan dat zijn?" En als dit wrevel wekt: "Mijn God, ze begrijpen U niet, ze hébben U niet werkelijk" .

Over twee egoïstische broers schrijvend merkt hij op, nu hij een van hen in de nacht angstig en eenzaam en snikkend aantrof: "op dat ogenblik beleefde ik het wonder van de absolute naastenliefde. Ik had de door iedereen als de pest gemeden broeders hartstochtelijk lief. Ook de anderen.
Allen in de barak". "Ook de vijanden, de vijand. Al mijn medemensen, alle door mijn God geschapen arme, wanhopige, jammerende en vooral slechte mensen had ik brandend lief. Zo volkomen verdwaald. Zo hulpeloos en verlaten. Zo ontzettend ver verwijderd van enig geluk".
"Nooit sterker en zaliger dan in die nacht heb ik het tweede gebod in mij vervuld gevoeld. Een doordringend geluksgevoel had ik. Ik legde het neer voor God, Die niet meer naar elders vertrokken bleek".

Hij spreekt over een predikant, die voorbeeldig was. "Hij had het erg druk met verscheidene bijbelkringen. Veel gesprekken had hij met ter dood veroordeelden. Hij had ook een Bijbel. Zijn hele wezen straalde een onoverwinnelijke kracht uit. Als hij met je bad, voelde je die kracht in je overstromen".

Een predikant was radeloos van spijt en verdriet, nadat iemand voor de troep was doodgeknuppeld. "Ik had er iets tegen moeten doen. We hebben allemaal werkeloos toegekeken, hoe een medemens werd vermoord".
Maar men argumenteerde: "man je bent gek. Als jij, dominee, je mond had opengedaan, hadden ze jou meteen ook doodgeslagen, en nog vier en twintig erbij. Bek dicht en niet opvallen". Waarop de predikant zich afvroeg: "is het zo erg als ik mijn leven geef en dat van anderen erbij? Wij hangen zo aan onze levens maar lees eens in de bijbel. Lees je daar niet dat ons aardse leven niet zoveel waard is?"

In diezelfde kring merkte de schrijver eens op: "als ik jullie zo hoor discussiëren sterkt mij dat in mijn vermoeden, dat het christelijk geloof bij jullie in verkeerde handen is." (Zeven paar ogen staarden hem ontzet aan.) "De kerken monopoliseren de beoefening van het geloof. Wie gelooft moet ter kerke. Is het wel eens in jullie opgekomen dat wie echt gelooft, niét naar de kerk moet?" "Er zijn ontzettend veel mensen die diep in God geloven en diep in Christus geloven, maar er niet over dénken naar de kerk te gaan. Zoeken jullie de oorzaken maar eens bij jezelf.
Hier, in Amersfoort". En nader: "Ik zou zo graag willen dat ons geloofsleven in gemeenschap met anderen weer iets moois werd, iets grandioos, iets voor buiten, niet binnen. Geloof, niet beoefend in kerken met preekstoelen en orgels maar geloof op zee, in de bergen, in de autofabrieken, in de metropolen, de treinen, de vliegtuigen. God is geen binnenhuisgod, Hij is een reusachtige God met een reusachtige Schepping en niets is bij benadering mooi genoeg om Hem te vereren ... "

Hij voelde zich nu heel schuldig. Er was een stilte ontstaan. Maar een van de predikanten knikte hem toe. "We praten er nog eens over, ik begrijp wel wat je bedoelt". Later hoorde de schrijver, dat deze predikant bij nacht en ontij een ter dood veroordeelde op diens dringend verzoek had gedoopt. Met levensgevaar.

Over geloof en kerk. Sommige mensen zeiden hem bij voorbaat: "praat me niet van christenen, kerken, dominees, pastoors; het is één grote schijnheiligheid". Schrijver komt hier sterk tegen op. Hij meent dat de geloofsverwarring tussen de kerken schuld is van deze vrij wijd verbreide opvatting. Maar daar komt bij het hardnekkige misverstand, dat christenen, met name ambtsdragers, vrij van zonde zouden zijn. "Veeleer is het omgekeerde het geval. Een christen is zich uitzonderlijk sterk bewust van zijn onvolkomenheid, zijn zondige aard; hij hoopt juist op verlossing uit zijn erbarmelijke staat door Jezus. Gesimplificeerd: men meent dat een christen pretendeert, hovaardiglijk, dat hij een goed mens is, terwijl de christen zelf het tegenovergestelde weet te zijn". "Men vergeet. . . dat het mogelijk is, dat oprechte gelovigen nochtans zonden begaan. Misschien zelfs is, soms, hun geloof te sterker naarmate zij dieper zinken: meer en meer voelen zij verloren te zijn als er geen Verlosser ware".

In zijn overpeinzingen ook deze. "Andere tegenstanders stoten zich aan het begrip 'vernedering', vooral 'zelfvernedering', dat met het christelijk geloof is verbonden. Het stuit hen tegen de borst. Waarom toch al dat knielen, al die zelfbeschuldiging, al die weerloosheid, dat nederige? Waar blijft de menselijke waardigheid? Waar het gepaste zelfvertrouwen?" Hij is bij het beantwoorden van deze vijandschap niet heel zeker. "Misschien mogen we best eens trots zijn. Misschien mogen we nu en dan de medemens oordelen: er zijn rechters". Maar hij eindigt dit gedeelte: "Het is tragisch, maar het is waar. Als de directeur van een onderneming, een politicus, een ambtenaar, een rechter zich gingen gedragen zoals ons dat in de Bijbel wordt voorgehouden, zou de samenleving ontwricht worden.
Maar misschien is dat ook wel de bedoeling".

En dan ligt naast hem een slapeloze man, die morgen voor het executiepeleton moet. "Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar de ziel niet kunnen doden. Dat zegt Christus, God zelf als Mens! Wees niet bevreesd voor het Duitse executiepeloton, zegt God, het kan jouw ziel niet doden. Het kan jouw ziel niet doden. Jouw ziel, zegt Christus, blijft leven. En Christus vertoont -zich, duidelijk zichtbaar, uiterst glorieus aan de man met het doodvonnis, tijdens de Tweede Wereldoorlog, 1942 jaar na zijn geboorte".
(slot volgt)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief