DE HEILIGE GEEST ALS HELPER EN TROOSTER

1978-09-08
  • Jaargang 22
  • nummer 33
De Geest werkt in verbondenheid met de Vader en de Zoon De Here God heeft zich ten volle geopenbaard in de Zoon en dóór de Geest. En deze Geest - zoals Jezus tot zijn discipelen had gezegd - is in alles één met de Vader en de Zoon.
Dat is de eenheid van God in het wondere verlossingswerk, in Gods genadeverbond. Zoals die eenheid van God er ook was bij de schepping van ale dingen.
God schiep de wereld door het Woord. En de Geest van God zweefde toen over de eerst nog woeste en ledig zijnde chaos.
's Heren alvermogen bracht de hemelbogen door zijn woord in 't licht; heeft de flonkervuren, die de tijd verduren, door zijn Geest gesticht.

En zo bestaan nog alle dingen in deze geschapen wereld. Uit God (de Vader) en door God (het Woord, de Zoon) en tot God in de Geest hebben ale dingen hun bestand en voortduur.
Maar diezelfde eenheid is er ookin het werk der verlossing. Het is altijd de genade van onze Heer Jezus Christus en de liefde van God de Vader en de gemeenschap van de heilige Geest, waarin alle heil bestaat.
Niemand komt tot de Vader dan door Mij - zegt Christus. Maar ook niemand kan zeggen, dat Jezus Heer is, dan door de H. Geest.
Daarom moeten we ook niet begeren om buiten het geloof in Christus en buiten de gehoorzaamheid aan het woord van Christus om, openbaringen en gaven van de Geest te zoeken.
Dit moet altijd leiden tot valse mystiek en tot aparte en oncontroleerbare openbaringen en daarin weer tot ongeestelijke hoogmoed.
Het kan ook voedsel geven aan een verkeerd spiritualisme en aan doperse geestdrijverij, en daarin weer leiden tot magie en wondergeloof.

Als in een preek Gods vrijmachtige genade wordt verkondigd en de heerlijkheid van Christus wordt uiteen gezet, dan moet men niet klagen, dat over het werk van de heilige Geest zo weinig gezegd wordt. Want de heilige Geest heeft geen andere vreugde en bedoeling dan Christus heerlijk te doen zijn!
Hij is het toch die het altijd weer ons doen verkondigen. En in die weg van persoonlijke toeëigening, van gelovig aannemen en gehoorzaam betrachten van de beloften en verordeningen van de Here, is ons de gave van de Geest geschonken.

Wij willen de vrijheid van de Geest geen ogenblik miskennen, om ook in deze tijd nog wonderlijke genezingen op het gebed te geven, bijzondere gaven en krachten tot bevestiging van het Evangelie te werken. Maar wel willen we waarschuwen om de echtheid van ons christenzijn en het volwaardig deelhebben aan Gods genade te zoeken in allerlei aparte en slechts voor ingewijden verstaanbare verschijnselen, en geforceerde geloofsuitingen.
Er dient tegen gewaakt, dat men zulke spectaculaire gaven gaat forceren door ze met bijzondere inspanning en groot ongeduld te willen ontvangen of zelfs met suggestieve middelen te willen afdwingen.
Niet wij moeten de Géést, maar de Geest moet óns in actie zetten.
Bovendien: omdat ook het héidendom met zijn spiritisme en occultisme paralelIe verschijnselen vertoont als duivelbezwering en tongentaal en gebedsgenezing, heeft de gemeente van Christus de plicht de geesten te beproeven volgens Schriftuurlijke normen, opdat niet in plaats van geestelijke gaven demonische werkingen optreden.
Ieder, die Gods vaderlijke goedheid kennen; ieder die zich door het geloof gewassen weet door het bloed van Jezus Christus; ieder die in zijn geloof de doop der verzegeling van de heilige Geest ontvangen heeft, - die mag met de kerk van alle eeuwen mee belijden, heel persoonlijk: Dat die Geest ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al zijn weldaden deelachtig maakt, mij troost en eeuwig bij mij blijven zal.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief