Goudzoekers of Godzoekers

1978-09-15
  • Jaargang 22
  • nummer 34
Hebreeën 11, vers 6 De bekende Multatuli dichtte in de vorige eeuw een gebed van de z.g. "onwetende". En hij geeft daarin uitdrukking aan iets, wat bij véél mensen leeft: "Wat heb je aan een God, die je moet zoeken?" "Waarom zegt die God niet ronduit en hardop, wie Hij is en wat Hij doet?"
MuItatuli verwoord dat zó:

"Ik ken U niet, 0 God! Ik riep U aan, ik zocht, ik smeekte om antwoord en Gij zweegt! Ik wou zo graag uw wil doen ... niet uit vrees voor straf, uit hoop op loon, maar zoals 't kind de wil zijns vaders doet, uit liefde!
Gij zweegt en altijd zweegt ge!
En ik dool rond en hijg naar 't uur, waarop ik weten zal, dat gij bestaat ...

Ik denk, dat er in ons leven véél ogenblikken zijn, waarin we deze bittere stemming begrijpen of op zijn minst kunnen aanvoelen. Als je het gevoel hebt, dat je onder een lege hemel moet leven (zoals zèlfs theologen vandaag beweren) een hemel, die géén antwoord geeft, dan moet je je bestaan voortslepen op een gedoemde aarde, waarmee je geen raad weet.
God zoeken, dat lijkt een onbegonnen werk. Waar moet je in vredesnaam beginnen? En waarin moet je wel duiken, om zó diep te komen?
Ik denk aan de tijd, toen we de boeken verslonden over de goudzoekers.
In een wildernis van steen, rotsen en verlatenheden gingen ze op avontuur uit, in de hoop, ééns geluk te hebben, zodat hun zoeken beloond zou worden. Het was een gok, een sprong in het duister, een pogen zonder uitzicht, waarin de meesten óndergingen en slechts enkelen geluk hadden. ' Diep in ons mensenhart schuilt een heet verlangen naar geluk; naar een ongeschonden bestaan in een ongeschonden wereld en als goudzoekers gaan we op weg, op avontuur; wie weet, vinden we het geluk.
Multatuli was zo'n goudzoeker, zo'n gelukzoeker. En uwen mijn hart kennen dat schrijnend verlangen, dat misschien eens verzocht wordt door het vinden, wie weet!
"Misschien", zegt Multatuli. "Misschien zijn we eenmaal wijzer! Eens misschien zien we in, dat Hij er is, dat Hij ons gadesloeg ... "
Wie God zoekt als een goudzoeker, die eindigt in diepe, ondoordringbare duisternis.
In de brief aan de Hebreeën wordt ook over dat zoeken van God gesproken.
Maar dat is géén gok.
Geen probeersel. Geen onzeker risico, waarvan je nooit weet, of het lukt.
In verband met de geschiedenis van Henoch wordt gezegd, dat: "wie tot God komt, geloven moet, dat Hij bestaat en een beloner is voor hen, die Hem ernstig zoeken."
Henoch leefde in de stad van de mensen. Maar in die stad beneden ging hij met God mee op weg naar de toekomst van Gods rijk. Hij ging naar God toe.
Dat is een mooie term. Naar God komen, dat betekent niet: op audiëntie gaan. Niet: aanbellen en op visite komen. Bij je verloofde ga je niet op visite; je vraagt niet eens om een audiëntie. Je gaat er naar toe, omdat je weet, dat er een relatie is en dat je aan die relatie samen bouwt. Henoch heeft een relatie met de levende God en daarom gaat hij naar God toe. Dat is: komen tot de Heer. Weten, dat je welkom bent. Dat je er bij hoort.
Dat doe je nooit op goed geluk af.
Gód zoeken is wat anders dan goud zoeken. Van het laatste weet je nooit of het lukt. Maar God is de levende God, de Vader van onze Heer Jezus Christus. Daar ben je welkom, daar ben je thuis en die relatie wil je telkens hechter maken.
God zoeken, dat is een levensrelatie opbouwen in de verbinding met Jezus Christus. Niet meer om God héén kunnen, omdat Hij niet om jou of mij heengelopen is. Wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat.
Maar laten we dat even goed lezen.
Er zijn heel wat mensen, die op de vraag naar God, zeggen: ik geloof wel, dat er zoiets als een God bestaat.
Dat is dan een konstatering, die je leven verder niet verandert.
Er bestaan duizende dingen, die je niets doen, want ze hebben helemaal niets met je te maken. Je hebt vaak het gevoel, dat ze er zó maar zijn, zonder meer. Al die sterren, al die zonnen, al die bomen, al die feiten en gegevenheden, wat moet je ermee? Je kunt er van walgen; je schouders ophalen en doorgaan.
Er zal dus ergens óók wel zoiets als een God zijn. Nou, zegt Sartre, en als er zo'n God is, dan ben ik nergens meer. Mijn mens-zijn is dan een grillig lot, een verdoemd bestaan, een niet-meer-vrij-kunnen-zijn.
Maar ben ik er wèl, dan is God nergens meer. Ik geloof dat ik besta. existeer, maar dan is er voor een levende God geen plaats meer.
In de brief aan de Hebreeën gaat het om héél iets anders, dan alleen maar om het naakte bestaan, het zó-zijn.
Wie een relatie met de levende Heer wil opbouwen, die moet maar niet op goed geluk áf gaan proberen, of er ergens een God of zoiets is.
Maar hij moet er van uitgaan, dat God existeert.
God is existent, dat betekent niet, dat er ergens achter de wolken een goddelijk wezen is, dat mij verder niet aangaat; maar dat de levende God, de Schepper van hemel en aarde, uit zichzelf naar mij toegekomen is en mijn bestaan als mens draagt en omgeeft: ik ben er, omdat Hij er is.
Ik kan om die levende God niet meer heenlopen, zoals ik een boom voorbij loop of een nieuwe lente zie of een paard zie draven. Ik moet geloven, dat Hij bestaat, dat Hij existeert, ik kan er niet meer omheen, want heel mijn leven ' wordt door Hém bepaald. Hij heeft in Jezus Christus precies gezegd, wie Hij is en wie ik ben.
Hij heeft gezegd, dat Hij het loon is, voor hen, die Hem ernstig en voortdurend zoeken.
God zoeken, dat is niet een zoekplaatje bekijken en dan zeggen: dat is het. God zoeken, dat is niet: op avontuur gaan, in de hoop, dat je geluk hebt.
Zoeken is in de bijbel: op weg zijn naar; verlangen; er naar uitgaan.
Jezelf alleen maar willen zien in het licht van de levende God, die om Christus' wil mijn God en mijn Vader is.
Goudzoekers zijn mensen, die het te doen is om de materie, om het geld, om de poen, om het bezit, om de "heb".
Godzoekers is het om de levende God zèlf te doen; omdat ik niet bestaan kan, zonder dat Hij bestaat; omdat ik niet leven kan zonder zijn leven; omdat ik niet kan ademhalen zonder de Geest van God, die de levensadem geschapen en herschapen heeft.
Dat God existeert, dat betekent, dat Hij zichzelf geeft aan ieder, die Hem ernstig zoekt. Dat betekent niet alleen: eerlijk, maar het betekent ook: telkens weer, bloedernstig en levensécht; je kunt niet meer om God heen, of je wilt of niet, want Hij geeft zichzelf kado als de levende Heer, die mijn leven in handen heeft.
De levende God is nog nooit zó dicht bij mij geweest als in zijn verschijning in Jezus Christus. In Hem werd Hij mij bloedeigen. In Hem is ál mijn pijn gestild; al mijn leed gedragen; al mijn schuld geboet. Ik kan nooit meer van Hem loskomen, zoals Henoch ervoer, toen hij met God op weg was als zijn vriend en God zei: "hier woon ik, kom maar mee naar mijn paleis."
God nam hem wèg. En hij was er niet meer. Omdat hij bij God was.
Wie God zoekt als een goudzoeker, aast op geluk en neemt alle risico, zonder te weten. Hij weet het adres niet en daarom vindt hij niet.
De mens als God geschapen schepsel blijft ongeneeslijk religieus, en geeft God de schuld, als hij Hem niet vinden kan.
Waarin bestaat uw religie? Waarin bestaat uw godsdienstigheid?
In een risico voor de eeuwigheid?
In een premie voor een gelukkig leven en een zalig sterven? Dat is niet God zoeken, maar goudzoeken.
God antwoordt niet, omdat wij bidden; God laat zich niet kennen, omdat wij Hem zoeken. God geeft niet, omdat wij vragen. Geloven is niet: het erop wagen; het proberen; erom gokken, zoals Multatuli deed in zijn gedicht, en zoals ik en U het doen, als wij vroom zijn of worden, om wat te krijgen.
God, de levende God is existent.
Hij is in Jezus Christus naar mij toegekomen.
Daar kan ik niet omheen. Ja, ik ben er, OMDAT HIJ ER IS!
Henoch wandelde in de stad van de mensen met God en kwam thuis, omdat God hem beloonde met Zichzelf.
Wie God zoekt, mag een relatie van geloof opbouwen.
Hij is er. En ik kan nooit meer "nee" tegen Hem zeggen.
In de stad van de mens ga ik met de levende God mee en ik kom terecht., Hij beloont mijn zoeken met zichzelf.
Als ik dát niet geloofde, zou ik verdoemd zijn in buitenste duisternis.
Dank U, Vader, dat U er bent en dat ik mee mag.
Omdat U er bent, ben ik óók ergens.
Want Jezus Christus, onze Heer, heeft ons uw hart getoond.
Allesbeheersende vraag: Is mijn religie goud zoeken of God zoeken?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief