Lood om oud ijzer!
1978-09-22
Tweede brief van Petrus, hoofdstuk 3, vers 3 en 4 - Jaargang 22
- nummer 35
Naar ik meen, was het wijlen prof. Miskotte, die eens schreef: "Het is voor een christen een grote verzoeking, het koninkrijk (van God nl.) te moeten verwachten in een wereld, waar enkel geweld de toon aangeeft." Je kunt immers zó "wennen" aan de geweldstruktuur van deze wereld, dat je het verder wel gelóóft. En je dan zó inburgeren in die wereld, dat je het in feite een beetje betreurt, dat daar een eind aan komt. U weet wel, die gedachte, die dan bij je opkomt, dat het eigenlijk zonde is, dat aan de fijne dingen van het leven een eind komt, als Jezus wederkomt.
Een katechisant vroeg me eens, toen we een gesprek hadden over die wederkomst: "Maar, dominee, ik ben pas verloofd en ik ben zo verschrikkelijk blij en heb nog zóveel mooie verwachtingen van ons leven, zou het niet jammer zijn, als dat nooit gebeurde, omdat de Heer Jezus met zijn wederkomst dat alles afbreekt?" En hij zei héél eerlijk: "Ik wil wel meebidden om zijn komst, maar ik hoop, dat het mijn tijd nog maar duren zal!"
De christelijke geborgenheid kan zich zó verburgerlijken, dat we ons aardig thuis voelen in een bestaan in een wereld, waar zó veel geschondens is, dat alleen geweld de gebrokenheid nog wat kan intomen.
Daar komt nog wat ánders bij. Het lijkt wel, of de geschiedenis zich als maar herhaalt. Er gebeuren, naar het schijnt, niet zoveel nieuwe dingen.
We hebben het woord "progressief" vóór in de mond, want we vinden, dat we met de nieuwe tijden moeten méégaan en vooruitstrevend moeten zijn. Maar wat verandert er nu wezenlijk? Is er minder geweld dan vroeger? Hebben christenen liefde in de wereld gebracht in tegenstelling met de haat van Kaïn en zijn medestanders? Zijn er minder armen? Is er minder verdrukking?
Is er meer gerechtigheid?
Worden de goederen van de wereld rechtvaardiger verdeeld dan vroeger?
Och, je kunt deze vragen met tientallen aanvullen en een ontkennend antwoord eveneens.
En we lezen dan in de brief van Petrus, dat er ook toen al mensen waren die vroegen: "Waar blijft de belofte van zijn komst?" Maken we ons niet blij met een dode mus? Is er nu werkelijk iets te zien van dat koninkrijk van Jezus Christus?
Jullie prediken wel, dat de wereld op weg is naar de komst van de Heer en naar de totale vernieuwing van de jongste dag, maar kan je dat ook merken?" "Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft álles zó, als het van het begin van de schepping geweest is."
Heel dat gedoe, al dat geroep om bekering, al dat gepreek van de wederkomst, al dat gedroom van een nieuwe wereld, het heeft allemaal geen zin, het blijft allemaal hetzelfde; watje ook verwacht, het is lood om oud ijzer.
Ja, dat is de moeite en tegelijk de verzoeking. Een koninkrijk verwachten en dan - in een wereld, waar je alleen maar geweld ervaart en ziet plaats vinden.
Spotters, noemt Petrus de mensen, die zó spreken; mensen, die spotten met spotternij, zegt hij dan. Dat betekent: ze spotten intensief; het is hun er om te doen, om te spotten; het is geen terloopse opmerking van teleurgestelde harten, maar een bewust op-de-hak-nemen van de verwachting van het christelijk geloof.
Het waren bovendien waarschijnlijk christenen van joodse afkomst, want ze spreken van de "vaderen", een uitdrukking, typerend voor mensen, die opgegroeid zijn in de orthodoxe, joodse leer. Die geleefd hebben, bij de prediking van de oud-testamentische boeken en bij de leer van Mozes en de profeten.
Juist dié mensen zeggen: er wordt nu al zó lang gepreekt en gepraat, maar er komt maar niets van. Geloof is maar een zoet-houderij; vroom gepraat, waar je niets mee opschiet; het is lood om oud ijzer, wat je gelooft en wat je verwacht, daar komt tóch niets van.
Maar achter deze woorden zit nog iets anders, volgens Petrus.
Deze mensen kennen wel de oude boeken van Mozes en de wet en de profeten, maar ze willen naar hun eigen begeerten wandelen.
Achter hun klacht over het feit, dat je van het koninkrijk niets ziet, steekt de onwil, naar het gebod van de Heer te leven. Want hun eigen doen en laten zit hen dwars. Ze willen liever hun eigen zin doen.
En daarom kunnen ze niet door deze wereld heen kijken naar die andere wereld van God, die in Christus in deze wereld ingebroken is. En dat is de verzoeking.
Het geloof in Christus' wederkomst op-de-hak-nemen, omdat je veel liever met het leven, het doen-en-laten in en van deze wereld meedoet.
Want er verandert schijnbaar ook weinig of niets.
Voor uwen mijn besef is het ook werkelijk lood om oud ijzer.
Er is sedert oude tijden nog weinig of niets veranderd.
De goeie, ouwe tijd is niet zo goed geweest en de tijden worden al maar slechter.
Konservatief of progressef, het is allemaal even agressief en egoïstisch.
Ingebed in deze wereld, blijft alles bij het oude en blijven de demokraten van vandaag even goddeloos als de autokraten van vroeger.
Diktatuur of anarchie, het is lood om oud ijzer. Het foederalisme van een voorbijgegane tijd is even zelfzuchtig als het socialisme van de nieuwe tijden.
Wat moet je toch in dié wereld met een levend, christelijk geloof?
Dat is de grote, immense verzoeking.
Je er dan maar bij neerleggen? Wat doet .het er eigenlijk toe?
De christenheid van onze tijd heeft zich merkwaardig goed aangepast aan de wereld van nu. Ze heeft de gebrokenheid van het leven aanvaard en het accent van het leven naar deze wereld verlegd.
Er is een burgerlijke vadsigheid over ons gekomen, waardoor we het met de wederkomst van Christus niet meer zo precies nemen.
"Het zal mijn tijd nog wel duren."
Maar dat betekent, dat er geen verwachting meer is. Ook geen ideaal meer.
Geloof is een mening geworden, een manier van leven, maar dat kan ook wel anders. Er het bezielt je dan ook niet meer.
En het moet geen verbazing wekken, als de jongere generatie zich afkeert van deze lauwheid en gezapige rust, als ze opmerken, dat de oudere generatie geen uitzicht, geen ideaal, geen toekomst meer ziet.
Ik zou het niet graag opnemen voor de groepen jongeren, die vechtend, desnoods hardhandig, strijden voor een andere samenleving.
Ook het geweld van de wereld is zelfzuchtig, egocentrisch en zelfvoldaan.
Maar ik begrijp wel de geesteshouding, die geboren is uit het besef, dat alles toch maar lood om oud ijzer is.
Ik zou een kerkjeugd willen zien en horen, die onuitsprekelijk verlangt naar de nieuwe tijden van Jezus' koninkrijk.
Ik zou jongens en meisjes willen ontmoeten, die weer een ideaal, een toekomst hebben, om voor te strijden en er over te getuigen.
Ik zou mannen en vrouwen willen zien, die weer werkelijk geloven, dat Jezus Christus op weg is naar zijn dag.
Ik zou verloofde jonge mensen willen horen, die in hun liefde voor elkaar iets willen verwerkelijken van Gods liefde voor ons.
Werkers van het laatste uur, die kunnen bidden, alsof Jezus morgen komt en die kunnen werken, alsof het nog duizend jaar duurt. (Martin Luther) Ik zou een kerkvolk willen zien, dat niet leeft naar eigen begeerten, maar dat vraagt naar de wil van de levende Heer, die op weg is naar zijn toekomst.
Aan het eind van het nieuwe testament staat duidelijk, dat de Geest en de bruid zeggen: "Kom, Heer Jezus!"
Als alles toch maar lood om oud ijzer is, behoef je zo niet meer te bidden. Laten we eten en drinken en van het leven genieten. Morgen is alles voorbij en sterven we.
Wie zó leeft. maakt zich niet druk.
Maar heeft óók geen verwachting.
Maar geloof is: uitzien, hopen, kijken naar, verlangen naar dié dag.
Allen, die de gerechtigheid verachtten, worden als as, vertreden door de voet; Dit is de dag, waarvoor wij overnachten; de dag, die Hij, de Heer, verrijzen doet. (liedboek, nr. 43 : 6).
Wie zó meebidt en meeleeft, zegt niet meer: het is allemaal lood om oud ijzer.
Hij of zij bidt met de Geest mee.
(Openbaring 22, vers 17 en 20)