Bijbel en (geschiedenis) wetenschap
1978-09-29
Verleden jaar verscheen in de serie "cahiers voor het Christelijk onderwijs" een boekje van drs H. G. Leih, getiteld "Gods hand in de geschiedenis?".- Jaargang 22
- nummer 36
In dit boekje gaf de schrijver o.a. kritiek op de geschiedschrijving van ds P. K. Keizer (PKK) in diens leerboeken "Kerkgeschiedenis". Op deze kritiek heeft PKK uitvoerig gereageerd in het maandblad "Tot vrijheid geroepen" van febr. '77 in een artikel met opschrift "Oratio pro domo".
Wat is de kwestie?? We kunnen deze het beste duidelijk maken aan de hand van een aantal citaten.
PKK schrijft (Dl. 1, p. 12): "alle assimilatiepogingen, die de joden zelf in de loop van twintig eeuwen dikwijls ondernomen hebben, zijn meestal op vreselijke wijze mislukt en door God zelf verhinderd: ghetto's, pogroms, "Auschwitz" ... Ezechiël 20 : 32, 33, 34, 39". In deel II, p. 53 kunnen we lezen: "In 1572 brak de strik los. In erbarming over zijn verdrukte kerk verschoof God de Here de macht van Filips II naar Prins Willem van Oranje. Van Spanje naar Oranje, Daniël 2 : 21."
Leih schrijft daartegenover: "In ons geschiedenisonderwijs vertellen wij niet van de daden Gods in het verleden, omdat wij het geheimenis van Zijn verborgen leiding hebben te eerbiedigen" (p. 36). Naar aanleiding van deze zin merkt PKK in zijn Oratio op: "Hier botsen onze "geloofsovertuigingen"."
Ik vraag me af of deze konklusie van PKK wel juist is, maar dat komt straks wel aan de orde.
Tot goed begrip van het verschil in visie van beide schrijvers lijkt het me juist eerst te zoeken naar hun gemeenschappelijke basis in deze en dat is gelukkig niet zo moeilijk vast te stellen. In eigen woorden weergegeven is het: niets op deze wereld geschiedt buiten God om. Dit geloof kan ook in eigen leven ondervonden worden. In onze vaderlandse geschiedenis komen we hiervan een mooi voorbeeld tegen in de ter gelegenheid van de ondergang van de Armada (1588) geslagen penning met als opschrift: Gods adem heeft ze verstrooid. Het is in alle opzichten historisch verantwoord om in een geschiedenisboek melding te maken van deze penning, immers hieruit blijkt duidelijk hoe (een gedeelte van) ons volk deze gebeurtenis in het geloof beleden heeft.
Een héél andere kwestie is: kan een historikus na bijv. raadpleging van de archieven in Madrid, Brussel, Londen, Den Haag enz. nu ook wetenschappelijk aantonen dat het Gods ingrijpen geweest is waardoor de Armada ten onder is gegaan? Kan - om een ander voorbeeld te geveneen Christen-man, die er persoonlijk van overtuigd is dat God Zelf hem en zijn vrouw bij elkaar gebracht heeft, nu ook deze overtuiging wetenschappelijk bewijzen??
Ik meen dat op deze vraag maar één bijbels antwoord gegeven kan worden, nl.: neen! Waarom dan niet? Omdat het God is die de mogelijkheid tot het beoefenen van wetenschap heeft geschapen. Hij staat dus als Schepper boven, buiten de mogelijkheid tot wetenschapsbeoefening door de mens. Het is dus uitgesloten dat de mens God en Zijn daden tot voorwerp van wetenschapsbeoefening kan maken. Er is dus geen wetenschap, niet die van de filosofie noch die van de geschiedenis of theologie, die wetenschappelijk een "ietsje" van of over God kan prevelen. Wij kunnen alleen kinderlijk - en kinderen zijn geen wetenschappers - tot God komen, Hem belijden en van Hem getuigen.
"Staat een Christen-wetenschapper als wetenschapper dan neutraal tegenover God?" hoorde ik eens iemand kritisch vragen. Deze vraag is het beste te beantwoorden met een tegenvraag: staat een Christen-schoenmaker bij het maken of repareren van schoenen neutraal tegenover God? Of denken we soms dat een hoogleraar in de theologie of in de geschiedenis Christelijker werkt of Gode meer welgevallig werk levert dan een schoenmaker?
De geschiedschrijving is een onderdeel van en het geschiedenisonderwijs is gebaseerd op de geschiedeniswetenschap. Vanwege de door God aangewezen, bescheiden plaats der (geschiedenis)wetenschap kon - ja moest- Leih principiëel zeggen dat in het geschiedenisonderwijs niet verteld wordt over de daden Gods in het verleden 1). Het is denkbaar dat een geschiedenisleraar bijvoorbeeld bij de behandeling van de Duitse inval in Rusland speciaal stilstaat bij de voor de Duitsers desastreuse, strenge winter van 1941/42 en hierbij naar voren brengt dat hij persoonlijk gelooft dat hier sprake is van een bizonder ingrijpen Gods. Of het Christelijk onderwijs met zo'n persoonlijk getuigenis gebouwd wordt, laat ik momenteel buiten beschouwing. Voor de kinderen moet in ieder geval absoluut duidelijk zijn - dat is gewoon een kwestie van eerlijkheid - dat meneer hier niet spreekt als historikus maar als (gewoon) gelovige die als zodanig op en ander moment voorgaat in bijbellezen en gebed. Dit princiële onderscheid tussen de wetenschappelijke benadering van de geschiedenis enerzijds en het niet-wetenschappelijk getuigenis n.a.v. een bepaalde historische gebeurtenis anderzijds, missen we bij de pionier Groen en nog meer bij de een eeuw later levende prof. J. Kamphuis en PKK. Groen evenwel moest zich een weg banen temidden van en tegenover Verlichtingshistorici - Bilderdijks "Geschiedenis des vaderlands" heeft Groen nooit voor zijn rekening genomen - Kamphuis en PKK, hoewel ze theologen zijn, menen het te moeten opnemen tegen alle Christelijke historici van naam uit de 20e eeuw 2). Zo heeft Kamphuis in zijn boekje "De hedendaagse kritiek op de causaliteit van Groen van Prinsterer als historicus" (1962) alle door hem geciteerde, Christelijke historici o.w. Gerretson, De Pater, Smitskamp, M. C. Smit en Sneller verweten dat zij Groen, en met hem de Christelijke geschiedschrijving hebben laten vallen. 3) Nu rijzen er twee vragen: a) wat mogen de beweegredenen zijn van Kamphuis en PKK om alle christen-historici te kapittelen, en b) wat moeten we dan toch verstaan onder christelijke geschiedschrijving?
Het antwoord op de eerste vraag is een beredeneerd antwoord: te, wat christelijk is wordt beoordeeld aan de hand van de bijbel; 2e, theologen zijn belast met de bijbelstudie (in opdracht van de kerken) en beoordelen dus wat christelijk is; 3e, als zodanig houden zij de wacht bij de christelijke wetenschapsbeoefening en zijn zij zelfs verplicht christen-wetenschappers - biologen, filosofen, historici, juristen, enz. - op hun vingers te tikken als deze (zgn.) afwijken van de bijbel in hun wetenschappelijk werk. Zo gezien is het optreden van voornoemde theologen alleszins verklaarbaar en respectabel. Er is echter wel een "maar" bij, immers met deze zienswijze zijn we (weer) beland bij de R.K. geestelijkheid die tijdens en nog lang na de Middeleeuwen precies hetzelfde pretendeerde.
Voor het antwoord op de tweede vraag bezien we nog eens het tweede citaat van PKK: "In 1572 ... In erbarming over zijn verdrukte kerk verschoof God de Here de macht van Filips 11 naar Prins Willem van Oranje, ... Dan 2: 21".
We moeten aannemen dat de schrijver van de veronderstelling is uitgegaan dat iedereen weet dat in 1572 de Watergeuzen De Briel hebben ingenomen en dat daarna verschillende steden zich voor de prins verklaard hebben. Uit deze gebeurtenissen kan wederom iedereen - Calvinisten, Marxisten, socialisten en liberalen - konkluderen dat er een zekere machtsverschuiving heeft plaats gevonden. Maar met dit te vermelden - aldus Kamphuis en PKK - hebben we nog niet te doen met christelijke geschiedschrijving, immers van Gods almacht, "van het Verbond dat in belofte en bedreiging de geschiedenis beheerst (kurs. J.K.) 4) blijkt niets, dat moet er dus nog bij. Goed beschouwd is dan christelijke geschiedschrijving gelijk aan (=) neutrale geschiedschrijving plus ( +) exegese van op historische gebeurtenissen van toepassing geachte bijbeltexten.
Zogezien zou christelijk strafrecht gelijk zijn aan neutraal strafrecht plus het oog-om-oog en tand-om-tandbeginsel (Ex. 21: 24) en christelijke biologie gelijk aan neutrale biologie min de evolutieleer (Gen. 1 e.v.).
Christelijk is dus een plus-verschijnsel: een neutraal iets plus exegese bijbeltexten.
Het is niet moeilijk om in de geschiedenis van het Christendom in Nederland voorbeelden te vinden van zgn. principiëel optreden met gebruik, dus misbruik van bijbeltexten: slavernij, vrouwenkiesrecht, inenting, leerplicht, zingen van gezangen, de vrouw in "het" ambt, enz. Het trieste is dat dit misbruik juist zo veelvuldig voorgekomen is in orthodoxe kringen en kerken. Daar waar men juist de bijbel hoog wilde houden (reaktie op de vrijzinnigheid??) heeft men de bijbel te vaak gedegradeerd tot een soort encyklopedie en heeft men - onbewust - meegewerkt aan de infiltratie op christelijk erf van een zgn. neutralistische wetenschaps- en maatschappijvisie, die van Grieks-heidense afkomst en gekristalliseerd is door het humanisme van de Verlichting.
We zullen een heel stuk zuiniger moeten zijn met het woord "christelijk".
We zullen ons opnieuw moeten bezinnen op de plaats en de inhoud van de bijbel. Artikel VII van de NGB draagt als opschrift: "volkomenheid der H. Schrift om alleen te zijn een regel des geloofs". Als wij - mensenechter menen allerlei zaken met behulp van bijbeltexten tot geloofszaken te kunnen maken, dan zitten we aan de voeten van de Verlichtingsfilosofen die hun hart gericht hebben op de autonome mens. Als we geschiedenis niet langer geschiedenis noemen, recht niet langer recht, psychologie niet meer psychologie - wetenschappen die hun ontstaan en bestaan danken aan Gods scheppingsarbeid - als we deze en andere wetenschappen geheel of gedeeltelijk tot geloofszaken "maken", dan treden we op als (op)schepper. Dan gaat men ondanks goede bedoelingen tegen God in.
Iedere Christen make zich zorgen want uiteindelijk weet hijzelf wel dat bovenvermeld plus-verschijnsel in ons gebakken zit. Het zal moeite kosten om het in te zien en te erkennen en nog meer moeite om er van los te komen. Stichtelijk bijgeloof is vaak taaier dan waar geloof.
1) M.i. kunnen we hier beter lezen: "de daden Gods in de geschiedenis". Bij het woord "geschiedenis" denken we aan die gebeurtenissen die van belang geweest zijn voor de onderwikkeling van de menselijke kultuur. Bij het woord "verleden" gaat het om alle, belangrijke en onbelangrijke feiten en feitjes van vroeger.
2) PKK meent de historici Te Lintum en H. en A. Algra als orthodoxe leerlingen van Groen te mogen anvaarden. Hij geeft hier geen bewijs voor en ik meen dat dit ook moeilijk te leveren is.
3) Ik kan me voorstellen dat PKK wat geïrriteerd is over Leih's beoordeling van Kamphuis' boekje als "een veelszins waardevolle studie". In dit boekje geeft Kamphuis duidelijk blijk ten volle achter de door Leih bekritiseerde visie van PKK te staan.
4) De hedendaagse kritiek ... , p. 24