Bladeren tot genezing - Op. 22

1978-10-06
  • Jaargang 22
  • nummer 37
Ora et labora

Bid en werk - 't is simpel gezegd.
Simpeler kan het bijna niet.
Maar soms, nee vaak heb ik grote moeite met beide leden van dit zinnetje.
Misschien omdat ik te oud ben om jong te zijn. Jong in de zin van ongehinderd, onnadenkend enthousiast. Maar anderzijds: Guido Gezelle was denkelijk nog geen dertig toen hij verzuchtte: ,,0, Leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!" Misschien zou hij er vandaag aan toevoegen: "en hoe ik werken moet!"
Wat zeg je als je, ook nog uit naam van een gemeente, wilt bidden voor de 20.000 slachtoffers van de aardbeving in het iraanse Tabas en de overlevenden? En wat kun je eraan doen? Wat doe je aan natuurrampen, aan hongersnood en welvaartsexessen elders, aan overstromingen op de ene en een tekort aan water op de andere plaats, om over onderdrukking en volkerenmoord nog maar te zwijgen?
Bid en werk - wie bezwaar heeft tegen de projecten van de Wereldraad van Kerken kan, als onze Christelijke Gereformeerde zusterkerken, eigen projecten kiezen.
Maar de onvoldaanheid blijft, evenals het gevoel van machteloosheid: meer dan een druppel op een gloeiende plaat is het niet. Tegenover tien geholpenen staan een miljoen anderen die van hulp verstoken blijven. Tegenover één uitverkoren geadopteerd kind staan er tienduizend die "verworpen"
worden ...

Geen grenzeloze openbaring

God vergt niet van ons, dat wij de hele wereld op onze schouders nemen, zeg ik wel eens. Wij zijn God niet - nee, maar ik hoor hardop denken: wat doet God er dan zelf aan?
Ik hoop niet dat ik de suggestie heb gewekt het antwoord precies te kunnen geven en het mysterie te kunnen oplossen. Het ligt trouwens in de aard van het bijbelse woord mysterie, dat er een onopgeloste rest blijft. Geen christen ook zal ontkennen dat· deze problematiek alles met het ons verkondigde evangelie heeft te maken. De vraag rijst alleen in hoeverre de bijbel een antwoord geeft (geven wil) op de problemen zoals wij ze hebben geformuleerd.

Gaan we ervan uit dat de bijbel op elk van onze vragen een rechtstreeks antwoord heeft en geeft, dan lopen we voorbij aan wat onze voorouders in een tijd van veel grotere "kleinschaligheid" beleden.
Ik denk aan art. 7 N.G.B., waarin o.m. wordt gezegd "dat al wat de mens schuldig is te geloven" in de H. Schrift "genoegzaam geleerd wordt." In de formulering gaf men er zich rekenschap van dat er een grens is aan Gods openbaring.
Nieuwsgierigheid is voor Gods kinderen niet verkeerd, maar net als de oude profeten en zelfs niet als de engelen (1 Pt. 1: 10-12) moeten zij beseffen dat God ons voorlopig niet alles vertelt (wel veel, zie bijv. Gen. 18: 17; Am. 3 : 7). Daarmee hangt samen dat ons kennen onvolkomen is (1 Cor. 13 : 9).
Dat valt niet op te lossen met extrapoleren, d.w.z."uit bekende termen van een reeks daarbuiten gelegen termen berekenen". In de wiskunde moge dit gerechtvaardigd zijn, t.a.v. de openbaring zou het een vruchteloos pogen zijn de door God gestelde grens te overschrijden.

Grenzeloze verwondering

Intussen mogen wij onze volle winst doen met wat ons wèl is meegedeeld.
In het laatste bijbelboek is tweemaal sprake van een stad Jeruzalem en beide malen van een straat in de stad. Het eerste Jeruzalem is dat wat Johannes moet hebben gekend. Het is zijn naam kennelijk niet meer waard: ... de stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte alwaar ook hun Heer gekruisigd werd. Recente opgravingen (sinds 1968) hebben aan de west- en zuidkust van de tempelberg grote herodiaanse straten aan het licht gebracht. Die aan de zuidkant liep parallel aan een 64 meter (!) brede trap, die toegang gaf tot het tempelcomplex terwijl aan de zuidkant een groot plein werd gevonden. Zou Johannes niet aan die straat gedacht hebben toen hij het einde van de beide getuigen zag: .,. hun lijk zal liggen op de straat der grote stad. . . (Op. 11 : 8)? Kort daarop volgt het einde van de stad zelf.
De tweede maal ziet Johannes "een nieuw Jeruzalem" (Op. 21, 22). Dat kent Hij nog niet: het is Gods eigen ontwerp en het is nog niet gerealiseerd. Immers het is "nederdalende uit de hemel, van God".
Het is de komende stad, de stad van de toekomst, de stad van Góds toekomst.
Die stad is er dan dus nog niet, niet in Johannes' dagen. Het Jeruzalem dat door Herodes zo'n schitterend aanzien had verkregen is of wordt verwoest. Het kan ook niet het Jeruzalem van nu, van de staat Israël zijn, een stad waarin de ene religie de andere overwoekert en waar dode lichamen op straat bepaald geen nieuws zijn.
Nieuw is wel Gods ontwerp: een stad met een rivier van water des levens. .. midden op haar straat en aan weerzijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing der volkeren ... (Op. 22 : 1,2).
Water - leven - bomen - schaduw: de oude hof van Eden in de nieuwe stad. En stad vól geboomte des levens: wie lijdt nog gebrek bij een maandelijkse oogst? Wie verdorst met een rivier onder handbereik?
En . .. de bladeren zijn tot genezing der volkeren. Herinnering aan oude natuurgeneeswijzen? Denk liever.
eens aan die volkeren. We kènnen ze, dacht ik zo. De volkeren zijn vermoeid, verdorst, amechtig.
Hun leefwereld is als een boomen bladerloze woestijn: waar kunnen ze rust vinden, schaduw, verkoeling: genezing?
Spreken ook wij niet van een verziekte wereld?

Elim en Abri

Is de wereld die wij kennen het laatste wat er te beleven valt? Een wereld waarin de dood, de hongerdood, de verdrinkingsdood, de soldatendood, de concentratiekampdood, de atoombom dood, de zwarte dood en de "alledaagse" dood het laatste woord heeft? Is dát de zin van de vaart der volkeren? Gaat zowel het Avond- als het Morgenland ten onder en dien je uit de radeloosheid en redeloosheid te concluderen tot reddeloosheid? Is er voor deze wereld geen hoop op een Elim (twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, Ex. 15: 17) of een Abri?
Het Leger des Heils heeft gelijk dat het zijn tehuizen zo vaak "Elim" noemt, zo goed als Eek en Wiel een Abri kent. 't Is weliswaar een tijdelijk onderdak, een schuilplaats voor even. Maar het is - misschien ongewild - een verwijzing, een proclamatie van Gods Elim, van Gods paradijs - een hoopgevend toekomstbeeld, een profetie op kleine schaal. 't Is wat Gods volk naar Gods ontwerp alvast mag doen. Zoals Mozes naar Gods model een tabernakel bouwde.
Maar die tent, zelfs niet de latere tempel kon halen bij de tent en tempel van Op. 21, 22. Goed: het was een huis met handen gebouwd - mensenhanden - en het deel zijn dienst zolang het duurde.
Evenzogoed als elk "EIim" en elk "Abri" mensenwerk is voor zo lang als het duurt. Maar God woont niet in een huis met handen gemaakt - dat wist Salomo al (1 Kon. 8: 27 v.v.). Evenmin kan een "Elim" of "Abri" de hele volkerenwereld verademing bieden.
Maar al te velen, ook van Gods volk, brengen hun hele leven door in de "woestijn". We helpen echter waar we kunnen en misschien kunnen we van het fanatisme der Joden nog wel iets leren: Stichtten ze niet een eigen staat om onderdak en schaduw te verschaffen aan hun amechtige volksgenoten?

Van "vervloekt" tot "niets vervloekts"

Misschien kunnen we maar weinig doen. We kunnen, i.t.t. wat diverse moderne theologieën leren, op deze aarde geen nieuwe aarde, laat staan een hemel op aarde tot stand brengen. Een nieuwe wereld is geen mensenwerk: wij hebben deze wereld niet geschapen en wij zullen de komende wereld ook niet scheppen: die is nederdalende uit de hemel, van God. Toch moet ons on-vermogen, ons menselijk onvermogen ons er niet toe leiden Gods vermogen te kleineren. Als de joden bij de gasovens hun onwrikbaar geloof in God trouw bleven en de thorah met hun lichaam beschermden, zouden wij dan onze toekomstverwachting prijsgeven?
Geven de feiten de sceptici dan geen gelijk? Is de wereld geen woestijn? Niemand ontkent dat laatste. Niet God zèlf toont Johannes Gods ontwerp, maar één van die zeven engelen met de zeven schalen, die vol waren met de zeven laatste plagen... (21: 9).
Door de tranen heen zie je Gods ontwerp aan de vredes-stad voor de volkeren. Dáár zijn de tranen voorbij. Waarom óók? Omdat er niets vervloekts meer zijn zal (22 : 2; vgl. 21 : 8; 21 : 27; 22: 15 en Jes. 65 : 25).
Mèt God mogen wij van zoveel ellende zeggen: vervloekt. Maar wat een troost als wij Gods positieve verzekering horen voor de volkeren: niets vervloekts zal er meer zijn. Wie het gelooft is niet gek - die is alleen maar een christen, een gelovige!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief