JEREMIA

1978-10-06
  • Jaargang 22
  • nummer 37
Jahweh's Naam ontheiligd

Jeremia krijgt opdracht het volk toe te spreken en te zeggen: ge hebt mijn Naam ontheiligd. Dat is het ergste van alles. Het besluit om de slaven vrij te laten, was immers voor Gods aangezicht genomen. Het was een plechtig verbond in zijn Naam geweest.
Door dat verbond zo kort daarna weer te verbreken gooiden ze de Naam van Jahweh te grabbel.
Ook vandaag kan dat gebeuren. We dragen de Naam van Christus. Wanneer we beloften doen zonder ze na te komen, zetten we de Naam van Christus op de tocht. Zoudt u het plezierig vinden als onbetrouwbare figuren uw naam gingen gebruiken om bij anderen vertrouwen te wekken en als ze daarna dat vertrouwen, dat ze dank zij uw naam gekregen hebben, misbruiken en beschamen?
U zou er niet van gediend zijn, dat uw naam zo werd misbruikt en op die manier een slechte klank kreeg.
God en Christus zijn daar ook niet van gediend. Wanneer wij als christenen als onbetrouwbaar te boek staan, raakt en beschadigt dat de Naam van Christus. Daarom klinkt ook Jahweh's verwijt: ge hebt mijn Naam onteerd. En Jeremia moet het oordeel weer aankondigen. De Babyloniërs zijn nu weliswaar vertrokken.
Maar dat blijft niet zo. Op mijn bevel keren ze terug, zegt de HERE.
Op mijn bevel. Het gebeurt niet zo maar, niet als een gevolg van toevallige omstandigheden. Ook niet omdat de Babyloniërs het zelf willen of omdat Nebukadnezar er het bevel toe geeft. IK stuur hen. IK ga hen bevelen naar Jeruzalem terug te keren.
Jahweh beheerst de politieke en militaire ontwikkelingen. En waar men zo lichtzinnig omspringt met verbonden en beloften, daar brengt Hij het oordeel. Wat Israël tijdens de verbondssluiting met de offerdieren gedaan had (ze aan stukken snijden en tussen de stukken doorlopen), dat zal Jahweh doen met de inwoners van Jeruzalem. Ze zullen in stukken gesneden tussen de puinhopen van de stad liggen.

Geen reden voor optimisme

Dezelfde boodschap als de inwoners van Jeruzalem krijgt ook Zedekia te horen (37: 1-10). Hij had opnieuw een delegatie naar Jeremia gestuurd.
Waarschijnlijk verwachtte hij dat Jeremia nu wel andere taal zou spreken dan de eerste keer. Maar dat was een misrekening. Zedekia krijgt weer een soortgelijke boodschap.
Vertrouw niet op Egypte, zegt de HERE. De Babyloniërs zullen terugkomen en Jeruzalem opnieuw belegeren.
Ze zullen niet eerder wegtrekken dan na de inname en verwoesting van de stad. Maak u geen illusies.
Laat u niet meeslepen door een roes van optimisme. Ook al zoudt ge heel het leger van Babel verslaan, zodat er alleen maar gewonden van overbleven, dan zouden die nog uit hun tenten komen en Jeruzalem verwoesten.
Een leger van gewonde en kreupele soldaten stelt helemaal niets voor.
Het heeft geen schijn van kans. Maar zelfs een dergelijk onmogelijk leger zou Jeruzalem nog verwoesten. Want Jahweh zit erachter. Hij is uit op de ondergang van Jeruzalem. Daarom staat die verwoesting vast, zelfs al zou het babylonische leger niets meer voorstellen. En dat is dan mede Gods oordeel over een bekering die geen bekering was In de loop van de kerkgeschiedenis is het meer dan eens gebeurd, dat de terugkeer naar het Woord van God op een bepaald punt na korte tijd weer ongedaan gemaakt werd.
Dan viel men weer terug in het oude patroon. De oriëntatie op Gods Woord werkte niet door. Oude patronen en denkvormen zijn zo vertrouwd.
Het is zo gemakkelijk erop terug te vallen. En een nieuwe oriëntatie op Gods Woord kan zo vermoeiend zijn, omdat we bepaalde dingen misschien moeten loslaten of veranderen. Maar we zullen altijd bereid moeten zijn tot een frisse confrontatie met het evangelie en tot een doorbreken van patronen die de doorwerking van Gods Woord belemmeren.
Die bereidheid moet er niet maar tijdelijk zijn, zoals bij de inwoners van Jeruzalem, maar voorgoed.

JEREMIA 37: 11·16

Erfenis

Na de eerste opluchting waarbij men dacht dat de Babyloniërs voorgoed vertrokken waren, kwam toch al gauw de realiteit weer op de bewoners van Juda en Jeruzalem af. De Babyloniërs lagen dan wel niet meer om Jeruzalem, maar ze waren nog wel akelig dicht in de buurt en beslist niet op de terugweg naar Babel. De rapporten die in Jeruzalem binnenkwamen, lieten daarover geen twijfel bestaan. De Babyloniërs waren beslist nog niet weg.
Hoewel het beleg daadwerkelijk was opgebroken, bleef de staat van beleg in Jeruzalem gehandhaafd. De soldaten kwamen weer in verhoogde staat van paraatheid. Er bleven wachtposten gestationeerd op de muren en bij de stadspoorten met de opdracht scherp uit te kijken.
In die situatie wil Jeremia Jeruzalem verlaten om in Anathoth in Benjamin een erfdeel te aanvaarden. Hij had bericht ontvangen, dat een van zijn familieleden was overleden (vermoedelijk zijn oom Sallum - zie 32 : 7) en dat er problemen waren met de erfenis. Jeremia's aanwezigheid is vereist.
Dat bericht had Jeremia kunnen bereiken, omdat het beleg was opgebroken.
En dat maakt het ook voor Jeremia mogelijk de stad te verlaten en deze zaak te gaan afhandelen.
Hij besluit dat te gaan doen en wil de stad via de noordelijke poort, de Benjaminspoort, verlaten. Maar daar wordt hij opgemerkt door de bevelvoerende officier van de wacht, een zekere Jeria, van wie we verder niets weten. Wanneer deze Jeria ziet dat Jeremia de stad wil verlaten, is hij onmiddellijk overtuigd van Jeremia's drijfveer. Volgens hem kan dat maar één ding zijn: overlopen naar de Babyloniërs.
Daarover kan volgens deze officier niet de minste twijfel bestaan.

Landverraad

Hoe kwam Jeria op dit idee? Het was een gevolgtrekking die hij maakte op grond van wat Jeremia zelf eens gezegd had. Toen de Babyloniërs Juda overstroomden en aanstalten maakten om Jeruzalem te belegeren, had Jeremia een oproep tot het volk gericht en gezegd: zo spreekt Jahweh: Ik stel u de weg des levens en de weg des doods voor. Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, de honger en de pest sterven. Maar wie de stad verlaat en overloopt naar de Chaldeeën, zal leven (21 : 8, 9).
Dat was duidelijke taal. Als je leven je lief is, loop dan over naar de Babyloniërs. In de ogen van de nationalisten was dat een oproep die het moreel in de stad grondig ondermijnde en die gelijk stond aan landverraad.
Naar hun maatstaven gemeten hadden ze nog gelijk ook. Zo zouden wij het toch ook noemen? Als in de meidagen van 1940 een predikant op die stralende pinksterzondagmorgen van de kansel af zijn gemeente had opgeroepen over te lopen naar de Duitsers, zouden wij dat toch ook landverraad genoemd hebben? Wij zouden hevig verontwaardigd geweest zijn. En diezelfde dag nog zou deze predikant samen met de NSBers ingerekend zijn.
Zo zien we dat. Als iemand oproept tot overlopen naar de vijand, noemen we dat landverraad. En op landverraad staat straf. Meestal een vrij zware straf. Want het vaderland is in de ogen der mensen een vrijwel onaantastbare grootheid. Het gaat boven alles. Voor het vaderland moet je goed en bloed over hebben. Je moet ervoor willen leven en sterven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief