LEVEN VAN GENADE

1978-10-13
  • Jaargang 22
  • nummer 38
EEN VAN ONZE VRIENDEN - u móet hem haast wel kennen - is een door en door simpel mens. Recht toe, recht aan. Windt nergens doekjes om - behalve om u niet te bezeren. Weet veel meer dan hij loslaat - maar dat moet geheim blijven. Als hij moeilijke dingen eenvoudig kan zeggen doet hij dat niet ingewikkeld. Zo onderscheidt hij zich van veel collega's en dat maakt hem sympathiek.

Hij is niet zo piep meer en dat geeft hem het voordeel van opgelegde levenswijsheid. Want wie intens leeft ontmoet veel, ervaart veel, overweegt veel en verwerkt veel. Daar kan hij anderen mee van dienst zijn. Niet dat hij zo staat te dringen (zijn ongevraagde diensten wel altijd welkom?) maar op het ogenblik dat u niet zonder hulp verder kunt zal hij het zien en u de hand reiken. Dat is fijn. Zo hebt u nog eens wat aan uw vrienden.

Onze vriend - we zijn nu eenmaal over hem begonnen en het is aantrekkelijk nog even door te gaan - onze vriend heeft zijn Goddelijk beroep beëindigd. Niet strikt beëindigd (anderen zorgden er voor dat er een eind kwam aan zijn carrière) maar hij is toch uitgediend; geëmeriteerd, als dat beter klinkt. En hij heeft geen tijd om duimen te draaien, want alleen de hand van de vlijtige wordt gezegend, zei Salomo. Dus werkt hij zo lang het dag is en zo lang hem de gezondheid wordt geschonken.

Hij vindt dan ook altijd wel iets, dat zijn hand kan doen. En wat zijn hand doet, doet hij met heel zijn hart, uit al zijn macht. Hij vindt een eenzaam mens op zijn weg: en dagelijks zoekt hij die even op. Hij ziet dat zijn vrouw niet alles meer aankan: hij neemt huishoudelijk werk over, zoveel als een onhandige maar liefhebbende echtgenoot vermag. Hij ontmoet een ruime kring van bejaarden en zieken: en wekelijks houdt hij voor hen een praatje, altijd de moeite waard. Hij is zelfs tot de preekstoel toegelaten: en wilt u geloven dat hij met zijn jeugdig vuur velen aansteekt?

U zult hem nooit horen opscheppen over "onze" kerken. Nee, daar heeft hij een geduchte hekel aan. Ten eerste, zegt hij, zijn die kerken niet van ons maar, zoals het Griekse woord zegt, van onze Heer en Heiland. En ten tweede, zegt hij, hebben wij het er samen niet naar gemaakt, dat er veel heerlijke dingen van die kerken te zeggen zijn. Integendeel, meent hij, onze Heiland moet zich vaak hebben bedroefd over wat wij van Zijn lichaam hebben gemaakt: arbeiders, die andere arbeiders in Gods wijngaard schoppen en slaan, als de Heer uitblijft.

WAAR HIJ DAN WEL vele en heerlijke dingen over weet te zeggen? Over onze Heer en Heiland, die hij al veel jaren hartelijk liefheeft, niet met woorden alleen maar metterdaad. Hij raakt nooit over Hem uitgesproken. Hij kent zijn Heiland goed - spreekt dagelijks met Hem - en lééft van Gods genade. Hij zou het niet buiten Hem moeten stellen. Heeft Hem dagelijks broodnodig; vanwege het genadebrood, weet u? En dat is geen vroom smoesje - dat is de volle waarheid.
Hij weet goed, dat elk levend geloof de twijfel als een schaduw meevoert.

Hij kent de afgronden van klein- en ongeloof, waaruit hij door Gods genade is opgetrokken. Hij ervaart de hevige stormen, die een christenleven teisteren, als komende uit Gods hand - hem ten goede. En hij heeft geleerd te dulden, trouw te blijven, te wachten op de Heer.
Dat dulden is een mooi woord. In het Engels: to suffer, dat is te lijden, te verduren, te dragen - en dezelfde blijven. In een ongeestelijk piëtisme hebben christenen soms het lijden naar zich toe gehaald, in masochistisch welbehagen. Maar onze vriend acht zulk eigenwillig lijden ongezond. Het is al mooi, zegt hij, wanneer we door Gods genade kracht ontvangen om staande te blijven wanneer het spookt. Nu, zulk dulden is een Gode welgevallige zaak. Dat is "verdragen": zó dragen, dat het verwerkt wordt, dat het achter ons wordt weggewerkt. Dat is ook: "wachten op de Heer".

In actief en reikhalzend verlangen de nodige krachten van Gods genade inroepen en ter hand nemen.
Dat wachten is onder ons - alweer ten onrechte - vaak gezien als het toppunt van passiviteit. De gok aangaan: dat het Gode nog eens mocht komen te behagen ons iets goeds te schenken. Nee, onze vriend moet niets van die ongeestelijke luiheid hebben. Hij kent de Heiland, want hij kent Gods beloften, die in Hem amen zijn. En in zijn verkeer met de Heere brengt hij Hem die beloften eerbiedig onder het oog. Dan stelt de Heere namelijk nooit teleur. Hem niet, u niet.

WIJ HEBBEN ONS VAAK VERBAASD, dat onze vriend in het lijden dat hem overkwam zo gelijkmatig bleef. Twee maal is hij uit zijn ambt gezet; dat moet vreselijk zijn voor een trouw dienaar van God.

Eenmaal is hij uit de redactie van een kerkelijk weekblad weggestuurd; en dat geldt zelfs in de wereld als een levensgroot schandaal. Niettemin bleef hij die hij was: de handen op de rug, zijn mond een wijsje fluitend, zijn ogen in vriendelijke lachrimpeltjes gevat. En klaar om een opwekkend woordje te geven. Geen pose - maar inhoud. Geen smoesje – maar een woord van hart tot hart. Geen aandacht vragen voor eigen onrecht - maar aandacht geven aan andermans lijden.

Toen wij, die destijds van nabij zagen wat hem werd aangedaan, hem trachtten wakker te schudden en uitdaagden om zich nu eens als een man te verweren: de volle waarheid te spuien, die dwaze kerkvorst jes te ontmaskeren ... kregen wij de les van ons leven. Hij vroeg: denk je dat het mij onberoerd laat? Geloof je niet dat ik van de daken zou willen uitroepen wat een werelds rommeltje het onder ons is? - Waarom doe je dat dan niet! zeiden wij. - Omdat niemand met de volle waarheid gediend is, antwoordde hij, omdat zwijgen voor alle betrokkenen beter is.

Ja, daar staat het woord 'de volle waarheid'. Wij waren toen nog naïef genoeg om waarde te hechten aan de volle waarheid, niets dan de waarheid.
Maar onze vriend nam ons apart en onderwees ons nader over dit onderwerp. Je kunt, zei hij, in de Schrift de waarheid tegenkomen in de heidense, bizonder de Griekse zin van 'de volle, naakte waarheid'. Die waarheid is hard, gaat boven de mens uit, spaart niets en niemand en kan daarom wonden, ja doden. Maar je kunt, zei hij, in de Schrift ook de waarheid tegenkomen, bizonder bij Johannes, waar 'waarheid' de inhoud heeft van: wat goed is voor de naaste. En in die zin betekent waarheid allerminst de volle, naakte waarheid - maar datgene, wat voor dit ogenblik het beste is om de naaste te zeggen. Zoals de Heer ons het voorbeeld gaf: Ik heb u nog veel te zeggen maar ge kunt dit nu nog niet dragen.

HET IS GEBRUIKELIJK om iemand, die een rond aantal jaren zijn beroep of functie of ambt heeft bekleed, in de bloemetjes te zetten.
Men complimenteert hem en vraagt wanneer hij er het bijltje bij neer denkt te leggen. Want heeft hij het bijltje eenmaal neergelegd, dan is het uit met zijn jubilea. Zo is 's werelds beloop.

In de kerk, waar alles anders gaat, blijft men ambtelijke jubilea vermeIden en vieren. Waarschijnlijk is dat gebruik van Rome afkomstig, waar een priesterwijding eeuwig duurt en misschien nog ná 's mans dood gevierd wordt. Nu, dat gebruik is na de reformatie in de protestantse kerken getrouwelijk overgenomen: lang nadat een predikant is uitgediend worden zijn dienstjaren doorgeteld. Waarom? Niemand weet het, maar er gebeuren zo veel dingen waarvan we het hoe en waarom niet doorzien.

Onze vriend - u móet hem haast wel kennen - is deze week 50 jaar geleden tot predikant bij de gereformeerde kerken bevestigd. In een paar onooglijke Friese gaten. Zelfs zal hij die datum misschien vergeten zijn (gelukkig maar) doch de redactie van dit goede blad is hem niet vergeten en wenst, naar kerkelijke wijs, deze datum niet onopgemerkt te passeren.

Ook dit blad heeft namelijk nogal erg veel aan hem te danken en wil dat wel weten ook. Trouwens welke lezer heeft niét veel aan hem te danken?
Van den beginne aan heeft hij de eerste viool bespeeld in het redactionele kwartet; zonder die plaats te begeren, maar er was geen betere voorhanden.
Veel heeft hij in deze kolommen aan u doorgegeven. Nog is zijn pen allerminst opgedroogd.

Hij heeft ons eigenlijk een beetje geleerd: af te zien van onze traditionele gereformeerde hoogmoed. Hij durfde aan kerkelijke zelfcritiek te doen (wat veel moeilijker is dan fouten van andersdenkenden aan te wijzen); hij heeft ons wat nederigheid geleerd; hij heeft ons begrip bijgebracht van wat genade betekent: het niet waard te zijn en het tóch te krijgen, omdat God de Heere ons in Christus zo lief heeft. Met wat meer inbeelding zou deze man een kerkvorst hebben kunnen zijn - maar hij beeldt zich niets in. Daardoor werd hij aan de kinderen gelijk.
Wel- al zou hij in zijn rijke leven niets anders hebben gedaan dan ditdan is hij toch voor een keer een pagina waard? Ja, die vraag is aan u gericht, lieve lezeres, beste lezer. Niet aan onze vriend zelf natuurlijk. Die zou immers antwoorden: we moeten in zo'n kleine kring elkaar niet te veel op de schouders kloppen. Waarin hij de waarheid, de volle Waarheid, op zijn hand heeft.

Maar aan u die dit leest zij vandaag gevraagd, de Here Zaterdag of Zondag oprecht te danken voor ons aller vriend, die ons telkens voorhoudt: nederig te leven van 's Heeren genade. Zij die genade een gouden zonneschijn op de levensavond van professor doctor Harm Jan Jager.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief