Israël – persoon of volk?
1978-10-20
Vraag zonder antwoord?- Jaargang 22
- nummer 39
Ergens in Jeruzalem, op Har-ha-Zikaron, staat het Yad-va-Shemgedenkteken.
Een monument, gewijd aan de nagedachtenis van de slachtoffers van de Nazi-terreur, van de Grote Slachting. Het is, volgens de Culturele Gids van het Heilige Land een "expositie van documenten en afbeedingen."
Sober gezegd, even sober als het gedenkteken zelf. Maar in al zijn soberheid is het oneindig veel meer dan "een expositie". Het is een hartverscheurend, een ten hemel schreiend monument, Het is de onvoorstelbare via dolorosa van het joodse volk. Geen monument kan indrukwekkender zijn dan dit, waar fluisteren al bijna te veel is, waar je alleen maar alleen kunt gaan tussen de fotografische documenten van wat mensen mensen kunnen aandoen. Hier zouden de vrienden van Job langer dan zeven dagen hebben gezwegen.
Hier kristalliseert zich de emotie uit in stille tranen - behalve bij een foto van Hitler die de sporen draagt van heftiger bewogenheid en tegelijk van machteloze woede: iemand heeft eens zijn ogen uitgekrabd - de foto blijft hangen ...
Bij een afbeelding op schaal van een concentratiekamp staat een jong amerikaans echtpaar. De vader legt fluitend uit: hier waren de wachttorens, hier de barakken, hier de gasovens ... In de stilte tussen al de bezoekers klinkt ineens een helder kinderstemmetje: why? waarom? Het jongetje krijgt geen antwoord ...
Een joods antwoord
"Iets nieuws?", vraagt de Jood die een Jood ontmoet. En hij bedoelt niet de nieuwtjes van alle dag.
Zijn vraag is naar taal of teken van de komende Messias. "Iets nieuws?" - voor sommige Joden is dat al geen vraag meer. Voor hen is Israël zèlf het antwoord.
Het joodse volk in zijn lijden door de eeuwen heen is zèlf de Messias, de lijdende Knecht des HEREN.
Dit antwoord zou een - emotionele - oplossing kunnen zijn voor de folterende vraag: waarom?
Waarom moeten wij, Joden, alle eeuwen door gebukt gaan onder progroms, onder ghetto's, onder concentratiekampen? Waarom keert iedereen zich tegen onsTurk en kruisridder, Arabier en christen en moslim? Ja ook de christen: werd bij de aanvaarding van het wetje tegen omkooppraktijken bij zending en missie niet herinnerd aan vroegere praktijken om Joden te dwingen zich tot het christendom te bekeren?
Zo op de manier van Karel de Grote: doop of dood?
Nu kun je deze Messias-opvatting, deze identificatie van Messias en het joodse volk als zelfoverschatting (willen) verwerpen. Maar is dat in elk opzicht juist?
George A. F. Knight (in Christelijke Theologie van het O.T., Aula 63) wijst erop, dat "de tekst van Jesaja in de St. Mark's Seroll A, uit de bibliotheek van de Qoemrangemeenschap, een belangrijke variant (heeft). Terwijl de MT (zeg maar de gebruikelijke lezing, P.) van Jes. 52, 14 ... luidt: 'zozeer misvormd, niet meer menselijk was zijn verschijning', geeft de tekst van St. Mark's Seroll A: 'Ik heb zijn gelaat gezalfd, meer dan enig mens'." De gemeenschap heeft aan het betreffende joodse woord niet meer dan een jod, een jota toegevoegd.
"Volgens hen zou de zin dus betekenen: 'Ik heb hem Messias gemaakt boven alle mensen'.
Wij willen nu niet beweren dat de St. Mark's Seroll een betere tekst bewaard heeft dan de MT.
Alles wat wij op dit ogenblik kunnen zeggen, is dat dit de tekst is waarvan de gemeenschap feitelijk gebruik maakte. waar men die ook gevonden heeft, terwijl het ook kan zijn, dat de leden er bewust die iod om dogmatische redenen aan toevoegden. Het resultaat was echter dat zij op deze manier zichzelf, als het overblijfsel, vereenzelvigde met de persoon van de Messias.
Wij willen er zijdelings op wijzen dat tot voor kort de nieuwtestamentici in brede kringen de overtuiging hadden, dat Christus zelf de eerste was die de Messiaanse koning met de lijdende knecht vereenzelvigde.
Wij hebben nu in de Qoemran-gemeenschap het bewijs, dat er tenminste één groep was binnen het oudtestamentische erfdeel die reeds vóór de geboorte van Christus deze merkwaardige identificatie had tot stand gebracht.' Aldus Knight, a.w. pag.276 v.
Merkwaardige identificatie?
Tot op de huidige dag kom je diezelfde gedachtengang tegen, bijv.
ook in de boeken van Chaim Potok die we de vorige week noemden.
Maar of de identificatie van de Messias met het joodse volk zo merkwaardig is als Knight doet voorkomen, staat nog te bezien.
Neem nu maar eens het tweede deel van het boek Jesaja, de hoofdstukken 40 t.m. 66. Onthullend is het te horen hoe God, door de profeet, zijn volk letterlijk bidt en smeekt met hem naar Jeruzalem terug te keren. Dat heeft heel wat voeten in de babylonische aarde.
De profeet moet zich in allerlei bochten wringen, op alle mogelijke manieren de aandacht proheren te trekken van mensen die niet of nauwelijks geïnteresseerd zijn bij Gods plannen, bij het visioen dat God voor hun ogen wil ontrollen.
Nu eens is de profeet als een heraut, de stem eens roependen in de woestijn (40: 3 v.), dan weer mengt hij zich op de markt tussen het volk als een waterverkoper, een marktventer (55 : 1 v.). Niets laat God onbeproefd om de liefde en aanhankelijkheid van zijn volk te winnen. Het doet denken aan Hosea 2: ... zie Ik zal haar lokken en haar leiden in de woestijn en spreken tot haar hart (Hos. 2 : 13, 14; vgl. Jer. 2 : 2). Is dat niet als het begin van Jes. 40: ... spreek tot het hart van Jeruzalem?
Het geheel is uiterst boeiend, flitsend, verbazingwekkend. Soms een dialoog die in de vorm van een monoloog wordt gehouden. Dan weer doet het denken aan modern "geëngageerd" toneelspel, waarbij het publiek betrokken wordt in het spel, niet maar als toeschouwers, nee als mede-spelers.
Zij het dat dit "spel" tegelijk van de hoogste heilige ernst is. De personen, persoonsvormen, wisselen elkaar steeds af: Ik, gij, Hij, wij ...
Spreekt niet de aanhef al boekdelen?
Met de eerste woorden zit je er midden in, weet Israël meteen waar het aan toe is: "troost, troost ... " Wie? "Mijn volk", zegt uw! God. Hoevaak zal dat nog herhaald worden: mijn volk - uw God; de basis van het dus nog steeds bestaande verbond! Is het een wonder dat het thema "God is onvergelijkelijk" in allerlei vormen terugkeert? Spreekt het niet vanzelf dat alle volken, heidenen, met hun goden geëmotioneerd ontboden worden om terwille van Góds volk het zwijgende bewijs te leveren, met stomheid geslagen, dat alleen Israëls God historie maakt?
Wat wil Israël, wat wil zijn volk nog meer? Een woestijn die bloeit als een roos? Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde? God spreekt ervan, schildert het (Jes. 55: 65).
Hij wil het tegen alles en iedereen wel opnemen, als het erom gaat de liefde van zijn volk te winnen.
Enkelvoud en meervoud: geen tegenstelling
Het is in dit kader, dat God bij herhaling spreekt van "mijn knecht J acob en van Israël, mijn uitverkorene"
(45 : 4; 44: 1)-koosnaampjes, waarbij "knecht"
parallel staat met "uitverkorene".
Zo spreekt God van zijn uitverkorene: knecht is een eretitel!
Ettelijke malen wordt Israël - het hele volk dus - Gods knecht genoemd in deze hoofdstukken.
De meeste keren - maar soms heeft het er veel van weg dat tegelijk ook één persoon wordt aangesproken, dan wel een deel van het volk - dát deel dat, als de profeet, zich ook metterdaad Gods knecht wil betonen. Soms - ter illustratie wisselt dat elkaar af. In Jes. 49 : 1-3 zegt God door zijn profeet: gij zijt mijn knecht, Israël, in wien Ik mij zal verheerlijken. Onmiddellijk daarop neemt de profeet het woord: " ... tevergeefs heb ik mij afgemat, voor niets en vruchteloos mijn kracht verbruikt ... " (49 : 4).
M.a.w.: het haalt niets uit - Israël láát zich niet lokken. Direct daarop wendt God zich tot zijn profeet: " ... het is te gering (te weinig eer), dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jacob weer op te richten en de bewaarder van Israël terug te brengen ... ".
Grootser taak wacht deze knecht (49 : 5-7). Dan is het alsof het knechtschap van heel het volk Israël gepersonificeerd is in die ene profeet. Net als later wanneer het woord gesproken door de profeet Jesaja op de ene persoon van Jezus van toepassing blijkt: zie, mijn knecht, dien Ik verkoren heb, mijn geliefde, in wien mijn ziel een welbehagen heeft ... (Mt. 12 : 17, 18, v.v.).
We hebben hier te maken met het verschijnsel van de zgn. corporate personality, d.w.z. in één persoon kan het geheel (hier van het volk) Israël vertegenwoordigd zijn, representatief zijn.
Het moge een theologische term zijn - het bleek mij, dat die in het bedrijfsleven ook niet onbekend is, al spreekt men daar vaker van corporate identity. Voor deze week lijkt me het bovenstaande voldoende om niet al te vreemd ervan op te zien, dat sommigen van het volk Israël zichzelf zien als "de lijdende knecht des HEREN", de Messias. Dat roept vragen èn associaties op - waarover een volgende week nog iets meer.