JEREMIA
1978-10-20
In de kerker- Jaargang 22
- nummer 39
Dat was al eens eerder gebeurd, naar aanleiding van Jeremia's zgn. tempelprediking (Jer. 26). Toen hadden de vorsten Jeremia de hand boven het hoofd gehouden, hem beschermd tegen de eis tot doodstraf van de kant van de priesters en profeten en hem vrijgesproken. Maar nu waren de vorsten hem niet meer zo welgezind.
Toen Jeremia predikte: "Bekeert u, want anders zal Jahweh zowel de stad als de tempel verwoesten", konden ze dat nog wel tolereren in de situatie van vrede, die er toen nog was. Maar nu Jeremia in een oorlogssituatie de mensen openlijk opriep Jeruzalem te verlaten en over te lopen naar de vijanden, lag de zaak anders.
Dat kon niet getolereerd worden.
Een dergelijke prediking en een dergelijk voorbeeld van de profeet zelf konden ze nu niet gedogen. Het maakte hen kwaad. Begreep die man dan niet, dat zijn prediking funest was? Drong het niet tot hem door, dat hij tweedracht en twijfel zaaide in een situatie waarin alle handen ineen geslagen moesten worden? Dat moest nu maar eens afgelopen zijn.
Het was te riskant hem zijn gang te laten gaan. Hij moest maar eens hard worden aangepakt.
En zo gebeurde het, dat Jeremia een pak stokslagen ontving en werd opgesloten in een onderaards gewelf in het huis van Jonathan, de schrijver, dat als kerker gebruikt werd. Daar zou hij een hele tijd opgesloten blijven.
Vooroordelen
Het is griezelig te zien, hoe mensen een ander verkeerd kunnen beoordelen en hem op grond daarvan kunnen veroordelen. Jeremia kon nog zo nadrukkelijk verklaren dat hij niet naar de Babyloniërs wilde overlopen en alleen maar even naar Anathoth heen en weer wilde voor een erfeniskwestie, het maakte geen enkele indruk op de vorsten. Dat is een doorzichtige smoes, zeiden ze. De werkelijke reden voor zijn vertrek uit Jeruzalem is zo duidelijk, dat niemand eraan voorbij kan zien en eraan kan twijfelen.
Natuurlijk had het er ook alle schijn van, dat Jeremia wilde overlopen naar de vijand. Dat is zonder meer waar. Als iemand daartoe publiekelijk heeft opgeroepen en dan zelf de stad uitgaat, ligt de conclusie gewoon voor de hand, dat hij aan zijn eigen oproep gehoor geeft. Ik denk dat iedereen tot die gevolgtrekking zou komen.
Toch was dat niet Jeremia's bedoeling.
Zijn ontkenning was geen smoesje.
Hij wilde echt alleen maar naar Anathoth heen en weer. Dat was de waarheid. Maar Jeria en de vorsten konden dat niet geloven, omdat ze van een vooroordeel uitgingen. Daar paste Jeremia's verklaring niet in. En daarom verwierpen ze die als een smoes.
Zo kunnen ook wij gemakkelijk mensen veroordelen op grond van een vooroordeel. Dan hebben we ons een beeld van iemand gevormd en passen we alles wat hij doet en zegt in het kader van het beeld dat wij van hem hebben. Wat daar niet in past, verwaarlozen we. We laten dat links liggen en houden er geen rekening mee. Dan denken we dat we hem helemaal door hebben en precies zijn drijfveren en motieven kennen.
Maar de man zelf kan zich in onze beoordeling helemaal niet herkennen en moet zeggen: jullie begrijpen niets van me. Jullie interpreteren wat ik doe helemaal verkeerd.
Voor onszelf kunnen we alles precies op een rijtje zetten en klopt het allemaal als een bus. Maar toch zitten we ernaast.
Dat komt omdat we uitgaan van het beeld dat wij ons van hem gevormd hebben en niet van wat hijzelf zegt over zijn drijfveren en motieven. En dan kan het niet anders of we gaan hem onrecht aandoen en hem in een vakje, een kerker, stoppen waar hij niet thuishoort.
Elkaar serieus nemen
Toch zou dat juist in de gemeente van Christus niet mogen voorkomen.
In de gemeente behoren we elkaar niet te veroordelen op grond van het beeld dat we ons van elkaar gevormd hebben en ook niet op grond van onze interpretatie van bepaalde daden en feiten. Daar moesten we nu juist elkaars verklaring en toelichting serieus nemen. Wanneer Jeria dat gedaan had, zou hij Jeremia niet in een vakje geduwd hebben, waar hij dacht dat de profeet thuis hoorde en hem niet gearresteerd hebben. In de gemeente zullen we elkaars woord serieus moeten nemen en niet bij voorbaat in twijfel mogen trekken omdat het afwijkt van wat we verwacht hadden.
Maar komt het dan nooit voor, dat broeders een verklaring van hun daden en van hun optreden geven, die niet betrouwbaar is? Kan het dan niet eens zo zijn, dat mijn beeld van hen wèl juist is, ondanks al hun beweringen van het tegendeel?
Ja, helaas komt dat voor. En daar komen we dan op een of andere manier wel achter. Dat gaat wel blijken.
Maar uitgangspunt voor ons moet zijn, dat we onze broeders en zusters serieus nemen, dat we hun woord aanvaarden en hen niet bij voorbaat in een hokje duwen.
Dat elkaar in een hokje duwen is wel erg verleidelijk. Dat was het ook voor Jeria en de vorsten. Hun interpretatie van Jeremia's vertrek uit Jeruzalem paste zo goed in het patroon, het plaatje, dat men van hem had.
Maar ook dat was er naast. Jeremia was geen landverrader. Hij zei wel: loop over naar de Chaldeeën. Maar dat kwam niet voort uit sympathie voor de Babyloniërs en evenmin uit aversie tegen Israël en Jeruzalem, naar uit gehoorzaamheid aan Jahweh.
Jahweh serieus nemen
Jeremia nam Jahweh en zijn oordeelsaankondiging serieus. En als Jahweh en zijn Woord je drijven en beheersen, verliezen menselijke maatstaven en bindingen hun absoluutheid.
Christus zegt: wie niet haat zijn vader en moeder en vrouwen kinderen en zelfs zijn eigen leven niet haat, kan mijn discipel niet zijn (Luc. 14 : 26). We mogen aan dat rijtje ook toevoegen: het vaderland. Waar Jahweh en Christus allesbeheersend worden, worden menselijke samenlevingsverbanden gerelativeerd. Die zijn dan niet meer maatgevend en doorslaggevend.
Natuurlijk wordt je dat door degenen die deze verbanden wel maatgevend vinden, niet in dank afgenomen. Jeremia ondervond dat aan den lijve: hij werd in een onderaardse kerker geworpen. En Christus heeft gezegd: ge zult door allen gehaat worden om mijns Naams wil. Wie vanuit zijn verbondenheid met Christus de absoluutheid en de dwingende elaim van die menselijke verbanden doorbreekt, moet daar maar op rekenen.
Hij wordt niet geaccepteerd, maar buitengesloten, in een vakje geduwd en soms zelfs in een cel opgesloten.
En dan komt het op volharding aan.
Want wie volhardt tot het einde, zal behouden worden.
JEREMIA 37: 17-38: 13 en 39: 15·18
Onderhoud met de koning
De keldergewelven onder het huis van Jonathan, de schrijver, vormden niet een van de plezierigste gevangenissen.
Jeremia had het er niet gemakkelijk.
Hij zat er volkomen geïsoleerd, had met niemand contact, kreeg niet voldoende voedsel en er was voor hem geen enkele mogelijkheid om iets te doen. Hij kon zelfs geen zakjes plakken. Kortom: hij zat er in volkomen onmenselijke omstandigheden.
Toen Jeremia daar al geruime tijd gezeten had, werd hij door koning Zedekia ontboden in zijn paleis. Jeremia wist niet wat hem boven het hoofd hing, toen hij door een paleiswacht uit de kerker gehaald werd en werd meegenomen naar het paleis.
Maar alleen al het feit, dat hij uit dat vunzige hol gehaald werd en een eindje kon lopen en de hemel en de zon weer zag en andere mensen, dat was gewoon een belevenis voor hem.
Jeremia wordt bij de koning gebracht voor een onderhoud onder vier ogen. Zedekia blijkt niet volkomen onverschillig te staan tegenover Jeremia en tegenover Gods Woord.
Hij wil het graag van Jeremia horen.
Natuurlijk in de hoop dat het voor hem gunstig zal zijn en zal spreken van bevrijding. Zedekia snakt naar wat perspectief. Hij is niet iemand die zich in volmaakte onverschilligheid niets meer van Jahweh aantrekt.
Hij is niet los van Jahweh en zijn Woord. Hij beseft nog wel, dat de toekomst, het leven van hemzelf en van zijn volk, van Jahweh afhankelijk is. Maar de zuigkracht van zijn omgeving, van de tijdgeest en van zijn adviseurs zijn hem te sterk. Hij komt niet tot een radicale keuze voor Jahweh.
Hij laat zich niet door Hem beheersen.
Hij wil eigenlijk de kool en de geit sparen. Daardoor wordt hij heen en weer geslingerd. Af en toe doet hij een paar schuchtere stappen in de richting van Jahweh, maar hij zet niet door. En zo gaat hij al aarzelend zijn ondergang tegemoet.