Israël in eigen persoon

1978-10-27
  • Jaargang 22
  • nummer 40
Een via dolorosa

U zult het vorige week wel begrepen hebben: die vader gaf fluisterend uitleg bij het model van een concentratiekamp, bij een van de "staties" op de joodse "via dolorosa".
Het is een open vraag of ik het recht heb de lijdensgeschiedenis van het joodse volk te benoemen met een term die wij slechts plegen te hanteren in verband met Christus' lijdensweg door Jeruzalem.
Maar ik zou ten minste willen pleiten voor het goed recht de Schriftuurlijk vastgelegde lijdensgeschiedenis van het volk Israël de titel via dolorosa mee te geven. Israël, Gods uitverkoren knecht, ervoer dat zijn uitverkiezing een muur van vijandschap betekende m.b.t. de andere volken (Ef. 2 : 14). Het ontkwam al vóór Dachau niet aan de martelende vraag naar het "waarom?" (Ps. 2: 1). Het kende het concentratiekamp al aan het begin van zijn volksbestaan (Ex. 1 e.v.) - of dacht u dat "de ijzerovens van Egypte" (Jer. 11 : 4) wezenlijk iets anders voor Israël betekende dan de gasovens van Dachau?
En waaruit anders is de verbittering tegen Babel en Edom te verklaren zoals die verdicht is in Ps. 137? Veroordeelt God zelf niet verontwaardigd de onmatige wreedheid en haat van een Assur en Babel?
Toegegeven: Isreël had veel van zijn ellende te wijten aan zijn eigen afvalligheid van zijn God. Maar God bezocht zijn volk met straffen en plagen juist omdat Hij dit volk had uitverkoren tot zijn knecht terwille van de volkerenwereld (Gen. 12: 3). Alle andere volken liet Hij op hun eigen wegen gaan (Hnd. 14: 16), Israël liet Hij niet zijn eigen gang gaan. Het had vanwege zijn uitverkiezing tot knecht des HEREN het ook daaraan te "danken" dat het een lijdende knecht des HEREN werd.

Individueel contra collectief?

In de beide voorgaande artikelen probeerde ik uw aandacht te vangen voor de vraag, of het zo vreemd is dat Israël al vroeg (voor onze christelijke jaartelling blijkens de St. Mark's Scroll) identificeerde met de lijdende knecht des HEREN van Jes. 53. Ik verwees daarbij naar de vakterm "corporate personality".
Deze term heeft alles te maken met het verbond, Israëls bestaansbodem.

De m.i. beste karakteristiek van Israël als Gods vazal, verbondspartner, is het begrip saamhorigheid.
Het "als één lid lijdt, lijden alle leden" en omgekeerd, is daarbij een vanzelfsprekende zaak.
Het "ik" in de psalmen (bijv. Ps. 116 : 1) en liederen (Ex. 15 : 1) en ook daarbuiten (Micha 6: 1) stelt niet de enkeling (het individu) tegenover de gemeenschap (het collectivum).
In die ene stem representeert zich het geheel, vanwege de saamhorigheid. Een enkeling, of een deel, een rest, een overblijfsel, kan het geheel representeren.
Ik heb er geen moeite mee, dat Israël destijds zichzelf identificeerde met de van God verlatene (Ps. 22), de lijdende knecht des HEREN (Jes. 53). Maar evenvan zelfsprekend is het in de bijbelse gedachtenwereld dat Jezus als de-Messias-bij-uitstek de van God verlatene, de lijdende Knecht is: Israël gecondenseerd, verdicht in één persoon. Die Ene waarvan God zegt: zó had Ik Mij mijn knecht gedacht - zie, mijn knecht, dien Ik verkoren heb, mijn geliefde in wien mijn ziel een welbehagen heeft(Mt.12: 17, 18).

Verdichting

De lijdende knecht des HEREN - enerzijds Israël. Anderzijds kan Jezus zeggen: dat ben Ik. Nogmaals: de totaliteit van heel het volk kan zich verdichten, gecondenseerd worden in "een overblijfsel", zelfs in één persoon. Maar die éne persoon blijft deel uitmaken van, draagt de naam van, is en blijft verbonden met het geheel, met Israël als volk van God.
Al eerder schreef in dit blad dr D. Holwerda over deze dingen, m.b.t. de naam "zoon des mensen". Ik citeer: " ... Ik (ben) de ware Israël ... niets minder dan hun identiteit eist Hij voor zichzelf op ... " (Opbouw jrg. 22 no. 2 d.d. 13-1- '78). Ook herinnert hij eraan dat Jezus stelt " "Ik ben de ware wijnstok ... " terwijl toch niemand er aan kon twijfelen, dat Israël Gods wijnstok was (zie ... Ps. 80)" (ib.).
Hetzelfde geldt trouwens ook van de benaming "mijn Zoon" (Mt. 2 : 15;3:17).
Nu was het deze en gene al eens opgevallen, dat Jezus sommige benamingen van God op zichzelf betrekt.
Zegt bijv. David: "de HERE is mijn herder" (Ps. 23), Jezus verklaart: "Ik ben de goede herder" (Joh. 10 : 11). Maar het omgekeerde gebeurt dus ook: Jezus eist ook de benamingen van Israël voor zich op. Hij "annexeert" niet, noch naar de ene noch naar de andere kant (vgl. Fil. 2: 5-10). Juist zo kan Hij beantwoorden aan wat Paulus in 1 Tim. 2 : 5 v. verwoordt: "Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus (Messias) Jezus, die Zich gegeven heeft voor allen ... ".
Geen "annexatie" dus, geen verheerlijking van eigen persoon, maar een levende, lijfelijke exegese van wat God bedoelde met "Israël, mijn knecht; Jacob mijn uitverkorene".
Zegt Jezus: "Ik ben niet gekomen om (de wet en de profeten) te ontbinden, maar om (die) te vervullen" (Mt. 5: 17), dan gaat het niet maar om een (nieuwe??) leer, maar om een daadwerkelijke vervulling in eigen persoon, in eigen vlees en bloed.

Joodsdenkend - grieks sprekend

Naar mijn gedachte is de, in wezen merkwaardige, taal van Paulus, de Jood, nauwelijks verstaanbaar als wij niet dit saamhorigheidsbesef, dit verbonden zijn met, dit verbond en die "corporate personality" in rekening brengen. Want al zijn wij, bijv. door ons doopsformulier, vertrouwd met een term als "in Christus geheiligd", in wezen is het voor ons toch eigenlijk een vreemd spraakgebruik. Hoe kan Paulus zeggen "dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn"? Hij gaat zelfs verder: "wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen ... dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd, en toch leef ik (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij" (Gal. 2 : 20).
Deze verbondenheid gaat zó ver, dat de gemeente het lichaam van Christus heet (Ef. 1: 23, 1 Cor. 12 : 27 e.a.).
Paulus kan, vanwege die verbondenheid, zelfs schrijven: "Thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd, en (in enen door!) vul ik in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente" (Col. 1 : 24). Ook heeft God "ons met allerlei zegen in de hemelse gewesten gezegend... in Christus".
Sterker nog: "Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld ... " (Ef. 1: 3, 4).

"In Adam" - "in Christus"

Sprak God eens van "Israël, mijn knecht, Jacob mijn uitverkorene", nu mogen "in Christus", in verbondenheid met Messias Jezus, met de Knecht des HEREN par excellence, ook voormalige heidenen zich deze koosnamen toeëigenen.
In de verbondenheid met Messias Jezus door het geloof, zijn nu ook de andere volken met Hem gekruisigd, gestorven, begraven, opgewekt, verheerlijkt. Want het was ook voor deze lijdende Knecht des HEREN te gering om God "tot een knecht te zijn om de stammen van Jacob weder op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen". God stelt Hem "tot een licht der volken, opdat mijn heil reike tot het einde der aarde" (Jes. 49: 6 v.). Anders gezegd: waarin Israël-als-volk (uiteindelijk) faalde, dat volbracht Israëlbij-uitstek, "de ware Israël". Israëls knecht-zijn (een ere taak) diende perspectieven te hebben voor de hele mensheid. Vanuit diezelfde, voornoemde, verbondenheid kan m.i. Paulus schrijven dat "door één mens (Adam) de zonde de wereld is binnengekomen ... " (Rom. 5 : 12 v.v.). Terwijl het doopsformulier terecht zegt, dat ook de kinderen gedoopt zullen worden "omdat zij ook (zonder het zelf te weten) in Adam veroordeeld zijn en in Christus tot genade aangenomen worden."
Het "in Christus", deze wonderlijke verbondenheid met Messias Jezus, verklaart m.i. ook, waarom het Koninkrijk Gods, en evenzo de Dag des HEREN, reeds gekomen is èn nog komt: er is zoiets als een herhalingsmoment.
Een moeilijke vraag blijft voor mij, of en in hoeverre het huidige Israël, dat alleen al in bijbelse tijden omwille van zijn knecht des HEREN zij meer geleden heeft (ook meer van Gods barmhartigheid ondervonden heeft) dan enig ander volk, afgedaan heeft als knecht. Is het als knecht uitgediend omdat hun God wel onze God, maar voor hen niet de Vader van onze Heer Jezus Messias is?
Israël heeft geleden en lijdt, misschien meer dan enig ander volk: door de eeuwen heen is zijn weg één via dolorosa. Maar de vraag is wel: mag Israël - na Messias Jezus - zich nog met de lijdende Knecht des HEREN identificeren?
Ongeacht de uiteenlopende exegese van Rom. 11: 25 v.v. blijft toch Jezus' woord: gij onderzoekt de Schriften. .. en deze zijn het die van Mij getuigen (Joh. 5 : 39)?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief