Naar de kerk – een goede gewoonte

2012-10-26
  • Jaargang 56
  • nummer 21
Waarom gaan we eigenlijk nog naar de kerk? Steeds minder mensen doen het. Kerkgebouwen worden verkocht of afgebroken bij gebrek aan kerkgangers. Al sinds jaar en dag wordt er over de teloorgang van het kerkelijke christendom geklaagd. Als troost wordt er soms bij gezegd: maar mensen geloven nog wel, alleen, ze hebben daar de kerk niet bij nodig.

In de vorige eeuw wist de bekende professor A.A. van Ruler 21 redenen te bedenken waarom hij naar de kerk ging. Eén ervan was om een gewoonte vol te houden: we gaan niet pas naar de kerk wanneer we ervoor in de stemming zijn. Dat zou wel eens de doodsteek voor de kerkgang kunnen betekenen.
Van Ruler dacht aan bewuste gewoontevorming.
We houden er als christenen een bepaalde levensstijl op na die ons leven vorm geeft. Iets van het Bijbelse levensritme komt erin mee. We besteden onze rustdag aan de kerkgang. Niet elke zondag opnieuw beslissen we of we wel of niet zullen gaan. Gewoon: we gaan, het is zondag, de Heer roept!
Hier gaat een opvatting over de kerk achter schuil die we steeds minder tegenkomen, ook onder kerkgangers.
Waarom wij ook naar de kerk gaan, niet uit gewoonte! In onze tijd vinden we dat niet authentiek. Dan kun je het beter maar helemaal nalaten.

Lijden aan de kerk
Zomaar een paar gangbare uitspraken over de kerk: ‘De kerk is de samenvatting van alle frustraties.’ ‘Aan de kerk loop je trauma’s op.’ ‘Mensen lijden aan de kerk.’ Er valt over de kerk inderdaad veel treurigs te melden. Van het bestuderen van de kerkgeschiedenis worden we niet vrolijk. Scheuring en scheiding, geloofsvervolging en godsdiensttwisten, jaloezie en nijd, en nog veel meer wordt er in de kerk gevonden.
Het woord ‘kerk’ alleen al roept bij velen weerzin op. Zou het christelijk geloof niet beter af zijn zonder kerk?
We zien dan ook vele vormen van christelijk geloof buiten de kerk opbloeien.
Soms wordt daarvoor een beroep gedaan op de eerste christelijke gemeente in Jeruzalem, waar in Handelingen 2-4 zo aanstekelijk over geschreven wordt.
Die gemeente stond in de gunst bij het hele volk. Kom daar vandaag eens om.
Om te geloven hebben we de kerk helemaal niet nodig! Als gelovigen gaan we juist niet naar de kerk. In Amerika is er een brede beweging in deze richting: de emerging/ emergent church.

Van onderop
Laten we eens van onderop naar de kerk kijken. Wie kwam er ooit op het idee om aan gemeentevorming of kerkstichting te doen?
Soms lijken we te denken dat het initiatief bij ons als gelovigen ligt. Wij komen tot geloof, zoeken andere gelovigen op en vormen samen een gemeente waar we alles doen wat in de Bijbel van een gemeente verwacht wordt. Of er staat een geestelijk leider op die gelovigen om zich heen verzamelt en zo tot kerkstichting komt. Het uitgangspunt is de individuele gelovige die uit vrije wil aansluiting zoekt bij een bestaande kerk, of een nieuwe sticht. We beginnen bij onszelf en bij onze geestelijke behoeften. Vrijwillig sluiten we ons aan, of vertrekken we weer.
Vanaf de Verlichting heeft het principe van de vrije keus een rol gespeeld in de protestantse kerkleer. Steeds meer werkt het ook door in de vanouds orthodox-gereformeerde praktijk. In dit geestelijke klimaat houdt naar de kerk gaan als goede gewoonte natuurlijk geen stand. De gewoonte staat of valt dan bij de gratie van onze vrije keus.

Van bovenaf
Een heel andere benadering, namelijk van bovenaf, treffen we aan in de gereformeerde traditie, zoals verwoord in de Heidelbergse Catechismus. Daar lezen we in zondag 21 dat het initiatief om tot kerkvorming te komen bij de Drie-ene God ligt. God de Vader kiest de zijnen uit; God de Zoon brengt hen uit het hele menselijke geslacht bijeen in de kerk, waar Hij hen beschermt en onderhoudt; God de Geest is degene die dit bewerkstelligt door de verkondiging van het Woord.
Langs deze weg gaan we deel uitmaken van de kerk, die er al was voordat wij er als gelovigen waren. Als volk van God was de kerk er al vanaf het begin van de wereld. De gemeenschap van de gelovigen gaat vooraf aan de individuele gelovigen.
Vandaar dat hier het woord ‘inlijven’ op zijn plaats is. We worden door de doop ingelijfd in de kerk als lichaam van Christus. Dat wijst op het Goddelijke initiatief. Als we ons aansluiten bij de kerk, is dat omdat we daar gebracht worden. Het is te danken aan het werk van de heilige Geest in ons.
Dit is een hoge visie op de kerk, waar we minder ontvankelijk voor worden in onze postmoderne, ik-gerichte tijd.
De beelden die het Nieuwe Testament voor de kerk gebruikt liegen er echter niet om. Ze wordt lichaam van Christus genoemd. Daarom is de kerk ook onderdeel van wat we gelóven. Hoe de praktijk ook mag tegenvallen, we geloven dat zij een goddelijke oorsprong en roeping heeft in deze wereld.

Organisatie
Waar mensen vandaag vooral moeite mee krijgen, is de institutionele kant van de kerk. Zij is een organisatie, en als alle organisaties kent ze dus instituten, regelgeving, en overlegorganen.
Er is een kerkverband. Dat is allemaal nodig wil de kerk kunnen doen waartoe ze geroepen is: prediking en onderricht, diaconie en hulpverlening, pastoraat en apostolaat. De kerk heeft een sociologisch aspect, zeggen we dan. Ze ontleent veel van haar organisatorische vormgeving aan de cultuur waarin ze opgekomen is. De bekende Dordtse Kerkenordening verraadt haar ontstaan in het 16e-eeuwse Genève van Calvijn. Zo krijgen Bijbelse principes voor kerkbestuur concreet handen en voeten in het kerkelijke leven.
Denken dat we zonder organisatie kerk kunnen zijn, is een vergissing, die soms berust op een biblicistische kijk op de kerk. In ons kerk zijn moeten we dan de christelijke kerk van Jeruzalem imiteren. Deze ten diepste romantische visie gaat voorbij aan wat de heilige Geest met het Woord sindsdien in de kerkgeschiedenis heeft bewerkt, ook op organisatorisch gebied.
Wel moeten we waken voor scheefgroei in de kerk als instituut, waardoor ze een hindernis kan worden op de weg van het geloof. De zonde kan zich ook in kerkelijke structuren nestelen. Dat is echter nog geen reden om de kerk als organisatie maar op te heffen, als dat al zou kunnen, of om het kerkverband bijvoorbeeld te degraderen tot een noodzakelijk kwaad dat we eigenlijk niet nodig zouden moeten hebben – alsof de organisatie van de kerk niet voluit geestelijk is, en geen deel uitmaakt van het geestelijke huis, waarin God onder ons woont! Het oude dualisme tussen natuur en genade zou ons dan wel eens parten kunnen spelen.

Gemeenschap
Waarom zijn we lid van de kerk, en gaan we ernaartoe? Is het niet om gemeenschap met de Heer Christus te hebben en deel te krijgen aan al zijn schatten en gaven? Zo formuleert de Heidelbergse Catechismus het in zondag 21. Door Woord en sacrament wordt onze band met de Heer steeds sterker. We groeien in geloof en gehoorzaamheid onder de wekelijkse Woordbediening. We ontvangen er telkens weer de belofte van vergeving van zonden en van de vernieuwing van ons leven. We worden er bepaald bij de eeuwige toekomst, waarheen onze wereld op weg is. We worden er bekwaamd voor onze roeping in de wereld. Daarom gaan we naar de kerk.
Dat betekent tegelijk dat wij geen gemeenschap met de Heer Christus kunnen hebben zonder gemeenschap te hebben met al die andere kerkgangers.
Ook zij worden door Hem vergaderd, beschermd en onderhouden. We gaan dus ook naar de kerk om de band met onze broeders en zusters aan te halen.
Hoe sterker de band met de Heer, des te sterker de gemeenschap met elkaar.
Vanzelf dat we dan ook vrijwillig en met vreugde ons inzetten voor het heil en welzijn van onze medegelovigen, zoals zondag 21 eraan toevoegt. Niemand kan in zijn eentje met Christus verbonden blijven. Geloven doen we samen met wie we ook maar in de kerk aantreffen.
Klasse en kleur vallen daarbij weg.

Twee bewegingen
Juist de laatste jaren is er nieuwe aandacht binnen de kerk voor haar missionaire roeping in eigen land. Een gemeente moet openstaan voor de buurt waarin ze samenkomt. Ze zal zich gastvrij richten op bezoekers, die al dan niet geïnteresseerd zijn in het evangelie.
Ze kan meedoen aan een gemeenteproject in een nieuwbouwwijk.
De beweging naar buiten toe is in overeenstemming met het zendingsbevel uit Matteüs 28. De gemeente moet erop uit om licht te verspreiden en om een zoutend zout in de samenleving te zijn. Dat kan alleen goed gaan als ook de beweging naar binnen toe aandacht krijgt. Een kerk die echt functioneert als gemeenschap der heiligen trekt mensen aan. Hoe sterker de band met de Heer en met elkaar is, hoe aantrekkelijker de gemeente wordt.
De heiligheid van de kerk wordt minstens zo sterk benadrukt in de Bijbel als haar roeping naar buiten toe in de wereld. We lezen daar in het Oude Testament al over (Deut. 4:6v). In Paulus’ brieven komen we vaak van die aantrekkelijke gemeenten tegen (1 Tess.
1:7-10). Het een kan niet zonder het ander. Beide bewegingen roepen elkaar op en versterken elkaar. We zetten niet alle kaarten op de missionaire roeping van de kerk. We zetten ons ook in voor haar interne opbouw als gemeenschap der heiligen. Ook daarom gaan we naar de kerk – om ons steentje daaraan bij te dragen (1 Petr. 2:5).

Naar de kerk?
Natuurlijk gaan we op zondag naar de kerk. Daar maken we een goede gewoonte van. Het is veel te belangrijk om dat te laten afhangen van onze goede bedoelingen. Ook kunnen we er niet vanuit gaan dat we er altijd wel in de juiste stemming voor zijn. Het is zo belangrijk dat we elkaar ook helpen om het vol te houden, week in week uit. Zo werkt de heilige Geest in ons midden.

Ds. Bob Wielenga woont in Zuid-Afrika en is emerituspredikant van de NGK van Kampen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief