Moderne wereldgelijkvormigheid (3)
1978-11-03
Wereldgelijkvormigheid- Jaargang 22
- nummer 41
We zeiden dat we niet alleen anders dan de wereld moeten zijn - maar dat we door Gods Geest veranderd moeten worden, van binnen.
Nu is het ontdekkend om te zien, hoe de Christenheid met deze eenvoudige leefregel heeft geknoeid. Hoe onder ons met deze regel wordt geknoeid.
Let op het niet-gelijken. De franse revolutie bracht de lange broek en de breuk met het Evangelie. Gedurende de 1ge eeuw waren het dus de trouwste evangeliedienaars, die een kuitbroek droegen. Want zij waren tégen de revolutie, en dus tegen de lange broek. Zij leken bepaaldelijk niet op de wereld.
Voor 20 jaar werd in Elburg van de kansel gefulmineerd tegen de omgeslagen zomen aan de broekspijpen der mannenbroeders. Dies droegen de Elburger vissers lange broeken, zonder omgeslagen zoom. Zij waren - althans op laag niveau - niet der wereld gelijkvormig. Vandaag echter dragen alle nozems gladde broekspijpjes - en nu moeten de zware Elburger broeders zich boorden aan hun zondagse pantalons laten naaien.
Wat een nutteloze moeite. De wereld gaat op Zondag voetballen? Dan menen de gelovigen op Zondag niet aan sport te kunnen doen. Het blijft bij ene sabbathsreize, of een autorit voorzover de kerkgang dit noodzakelijk maakt.
In alle futiliteiten weet de kerk zich anders dan de wereld te gedragen.
Maar in alle uiterlijkheden gedraagt zij zich terdege naar de normen van de wereld - namelijk juist omgekeerd. En als haar gedrag door de wereld wordt bepaald, ook in het negatieve, dan leeft zij niet uit de Geest der vernieuwing.
Dat komt ook uit in haar haat tegen de wereld. De Heiland zei: verwondert u niet dat de wereld u haat. Maar door de eeuwen heen leest de kerk: niemand zal zich verwonderen, als gij de wereld zult haten. En dies haat de kerk de wereldlingen op een barbaarse en onchristelijke wijze.
Let er eens op hoe in onze pers geschreven wordt over de wereld, de roomsen, de hervormden, de synodalen. Alles tuig, godvergeten tuig.
Alles dient tot achtergrond voor de ware kerk.
Toen ik knaap was, wandelde ik met een vriendje en met zijn vader. Een wielrijder trok voorbij. Het was op Zondag. En alsof het zo wezen moest: met een knal knapte zijn fietsband. De vader van mijn vriendje, een eerbaar kerklid, juichte meteen blijmoedig: ja dat komt ervan, als je op Zondag gaat fietsen!
Ik heb dat niet begrepen. Als kind niet en later ook niet. Ik kon de blijdschap niet meevoelen in de tegenslag van de ander. Ik kan het christelijk karakter in zulke blijdschap ook niet verstaan. Ik vraag mij wel eens af: zijn er werkelijk christenen, die menen dat God even blijmoedig zal staan lachen bij de ondergang van miljarden goddelozen? Ik weiger in zulk een God te geloven. Maar ik vrees dat ik in zulke christenen wel móet geloven!
Niettemin - in onze eigen pers wordt al te vaak met onverholen pret gewag gemaakt van elke zonde, van elke tegenslag, van elke val van de "buitenstaanders". Wie het eigengereide karakter van het G.G. vóór 19561) heeft verdragen, die walgde van deze onverbloemde wereldgelijkvormigheid.
Op iedere uitgebreide tekening van wat buiten-onze-kerken gebeurde kwam hetzelfde refrein: een zucht, een ach en een wee, een hocus-pocus-bijbellocus en de zwarte kous was weer af.
Maar het vrijgemaakte volkje (dat in wezen nog maar weinig veranderd was, en dat bovendien veel gemengd volk uit Egypte meebracht) werd in diezelfde pers bewierookt, toegezongen, en op borst en schouders geklopt.
Het leek in die dagen wel, alsof de Heer in de hemel maar erg dankbaar mocht zijn, dat hier op aarde een stel vrijgemaakten samen Zijn koninkrijkje had gered.
Voor wie toen al critisch en huiverend meeleefde is het nimmer een wonder geweest, dat onze broeders elkander in de haren vlogen toen de buitenstaanders zich buiten schot terugtrokken. Was er in het rechtsbewustzijn van het Nederlandse volk eerst nog sympathie met ons, vanwege het onrecht ons aangedaan, deze sympathie hebben wij samen voor goed verspeeld. En dat is het ergste niet. Maar met deze gang van zaken werden tal van evangelisatiekansen verspeeld, werden tallozen van de kerke Christi vervreemd.
Acht u dit te sterk getekend? Zegt u dan maar, waar de werfkracht van onze kerken zit! Zegt u dan maar, waarom onze kerken hoe langer hoe meer de vrede verliezen, de kluts kwijt raken, zich verteren in partijzucht en liefdeloosheid. 2) Zegt u dan maar, waarom onze kerken zulk een slechte naam hebben bij God en alle mensen.
Is dat het lót van de kerk? Pardon: de wereld zal ons haten, zei de Heiland, omdat zij Hem eerst heeft gehaat. Maar wij moeten eens nagaan of de haat ook bij ons begonnen is. De Schrift zegt van de eerste gelovigen te Jerusalem: dat zij in hoge achting stonden bij al het volk. De Schrift zegt trouwens, dat de Heiland als jongeling groeide in aanzien bij de mensen. En de Schrift zegt dat de gemeenten vrede hadden, en gebouwd werden, toen zij zich simpel-christelijk gedroegen.
Inderdaad: strijd moet er zijn. Maar dan strijd tegen het eigen boze hart - niet strijd tegen de naaste. Onze christelijke aggressie uit zich al te vaak op onchristelijke, wereldgelijkvormige wijze. Uiterlijk verzaken wij de wereld - innerlijk zijn wij zo werelds als de wereld zelf.
Uiterlijk gedragen wij ons, alsof de wereld ons haat terwille van Christus - innerlijk weten wij, dat wij die haat al te zeer hebben verdiend met onze liefdeloosheid.
De Schrift zegt: wie uit de Geest is geboren, zal de wereld overwinnen. 3) Maar dit slaat niet op de wereld buiten de kerk; Johannes bedoelde met "wereld" meestal de wereld: voorzover die in de kerk is doorgedrongen!
Want de kerk is niet geroepen om de maatschappelijke ordeningen om te keren - maar om als een zoutend zout haar omgeving te reinigen; om als een lichtend licht de wereld te verlichten; om als een stad op een berg buitenstaanders aan te trekken; om de wereld het Evangelie te prediken 4): vrijlating voor gevangenen, brood voor hongerigen, licht voor blinden, klankrijk evangelie voor doven.
En wil de kerk dit alles doen - dan moet zij elke wereldse karakteristiek in haar boezem uitroeien. Dát is onze heiliging. Dát vervormt ons tot het beeld van Christus, onze Broeder. Zo wordt de kerk bruikbaar voor Gods grote program. Zo verlicht zij de heidenen; werkt veler behoud; wordt een arke des behouds.
Ik maak nog een enkele opmerking, een toepassing, ten aanzien van ons kerkverband.
Wij hebben ons kerkelijk welzijn opgehangen aan artikel 31 uit de kerkenorde.
Dies worden wij telkens weer met de procedure van art. 31 op het hoofd geslagen. 5) Want wij hadden ons wel en wee slechts op de Heiland moeten werpen; dan zorgt Hij voor ons.
Onze kerkenorde dreigt een gezag over ons te krijgen, dat aan het Schriftgezag nabij komt. Er wordt mee gemanoeuvreerd en geëxegetiseerd naar de stijl, waarin de Schrift wordt geëxegetiseerd. Wie probeert de kerkenorde te veranderen, overtreedt de spelregels. Wie onze ingewikkelde kerkelijke spelregels te moeilijk vindt voor zijn simpel geloofsleven, die moet in de put zitten en wachten tot hij verlost wordt.
Tussen haakjes - ik gebruikte de term "spelregels" eens op een classis.
Een broeder-afgevaardigde haastte zich om die "verspreking" te corrigeren.
Hij zei: zeker, in ons kerkelijk verkeer hebben wij regels. En het is levensgevaarlijk, die verkeersregels te overtreden. Ik zei echter: ik geloof dat ik niet goed verstaan wordt; ik sprak niet van verkeersregels - maar van spelregels. De eerste worden ons opgelegd - de laatste maken wij zelf.
Op een huisbezoek zag ik eens een beduimeld exemplaar van de Kerkenordening ter tafel komen: vol ezelsoren. Meteen maakte ik de opmerking: ik zou willen, dat hier in huis de Bijbel zó stukgelezen werd als de Kerkenorde.
Alle ezelsoren vlogen omhoog. En dreigend vroeg het gezinshoofd: wat hèbt u eigenlijk voor bezwaren tegen de DKO?
Op een classis was men vastgelopen in het moeras van de kerkelijke spelregels.
Dies werd de classis herhaaldelijk geprolongeerd en waarlijk niet vanwege het daverend succes. Eindelijk kwamen de deputaten ad art. 49 er aan te pas, als u weet wat dat zijn. Deze broeders waren wijs. Zij gaven het heldere licht van de Schrift over onze reddeloze situatie; het bleek dat de vergadering grotelijks had gedwaald.
Daarom prees ik de deputaten, omdat zij het eerste verstandige woord (immers Gods Woord) hadden laten horen. Maar de volgende spreker, een vermaarde kerkjurist, vloog overeind en sprak bitter: de deputaten hebben enkel en alleen uit de Schrift geadstrueerd - maar ze hebben de kerkenorde laten liggen; en dáár ging het juist om!
U lacht om zulke ernstige woorden? Ik ook. Ik vroeg: br praeses, mag deze geachte afgevaardigde zijn woorden drie maal herhalen, opdat hij zijn dwaasheid kan inzien. Maar de praeses zei dat ik buiten de orde ging; en dat is erg.
(slot volgt)
1) Na 1956 heb ik het Geref. Gezinsblad niet meer gelezen.
2) Mag ik u er aan herinneren, dat dit een rede (voor de Studentenvereniging Hendrik de Cock) was, gehouden in 1964? De grote scheur in onze kerken was nog niet getrokken
3) 1 Joh. 4: 5 - 4) Matth. 24: 14 5) Dit werd goed duidelijk, toen de kerk van Wezep door de classis Harderwijk buiten het kerkverband gestoten werd en van alle landelijke kerken gevergd werd, deze daad te erkennen. Een buitengewone particuliere synode moest er voor samen komen, om Wezep weer in het kerkverband terug te frommelen. De inzet was: de juiste exegese van artikel 31 D.K.O.