Ons offeren
1978-11-03
Tijdens de bijbelstudieweekends van het G.L.J.C. in de afgelopen zomer werd o.a. gesproken over het bijbelboek Maleachi. In de tweede dialoog (1 : 6-2 : 14) richt de profeet zich tot de priesters en verwijt hij hen dat ze onwaardige offers brengen. Er worden offers gebracht die eigenlijk geen offers zijn. Het is zo erg dat God zegt: "Was er maar iemand onder u, die de deuren sloot, opdat gij niet tevergeefs mijn altaar zoudt ontsteken".- Jaargang 22
- nummer 41
Zó ver kan het komen dat God Zijn volk eigenlijk niet meer wil toelaten om schijn-offers te brengen.
Dat was tóen het geval en nu nog.
Dat houdt verband met óns handelen.
In Jesaja 49 : 16 wordt gezegd dat we in Gods handpalmen zijn gegrift.
Zijn woorden tot ons houden hun kracht, daar gaat niets van af.
Maar in Exodus 22 : 33 en 34 staat dat wie zondigt uit Gods boek zal worden gedelgd. Dat kán ook. Zó erg kan een mens het maken.
Aan de éne kant zegt de bijbel dus dat God trouw is aan Zijn verbond, dat Hij de Zijnen niet vergeet.
Aan de andere kant laat de bijbel ons ook zien dat er een einde kan komen aan Gods mogelijkheden om genadig te blijven. Er is een grens aan Zijn geduld.
Het handelen van de mens, óns handelen, is daarbij van beslissende betekenis. En dus blijft het steeds een klemmende vraag wat we met Gods woorden dóen, hoe we tegenover Hem staan, hoe ons hart is.
God legt een stuk verantwoordelijkheid op ons waar we ons niet van áf kunnen maken.
En daarom is de boodschap van Maleachi aktueel.
Wat is de werkelijke inhoud van onze godsdienst? Maken we er een goedkoop zaakje van zoals in de tijd van Maleachi? Als dát zo is, zullen we ons moeten buigen onder Gods woorden.
Tijdens de weekends werd gelegenheid gegeven om op de een of andere manier iets uit te beelden van de inhoud van het boek Maleachi. Er kwamen tekeningen, bouwsels, gedichten, voordrachten.
Zèlf probeerde ik het zó onder woorden te brengen:
Offer
'k Maak van mijn offer een goedkoop gebaar,
ik wil niet geven wat ik heb, ik word het telkens weer gewaar,
dat ik mijn plan heb uitgezet:
een offer, zeker, maar dan 't allerminst terwijl U zelf, daarginds, op Golgotha, diep in de nacht,
het grootste offer bracht.
'k Maak van mijn offer graag een strooipartij,
ik neem maar wat voor 't grijpen ligt.
't Is eigenlijk voor mij toch niets meer waard,
ik kan het missen, is dat niet genoeg?
Een offer toch zoals U vroeg?
'k Maak van mijn offer een goedkoop gebaar,
ik word er zelf niet minder van.
't Is eigenlijk een offer "kant en klaar",
heel netjes voor U neergezet,
goed ook verpakt, het touw er zelfs ook om,
heel mooi voor U en ik, ik ben ...
gered!
Ik ben gered?
Neen, want U vraagt toch méér.
U vraagt wat ik niet missen kan,
U wilt wat ik niet grijpen kan,
U vraagt mijzelf en anders, dan is 't niets voor U,
hoe mooi gedaan.
U laat me stáán.