JEREMIA

1978-11-10
  • Jaargang 22
  • nummer 42
Zigzag koers

Dan doet Zedekia een stap in de goede richting. Hij is niet ongevoelig voor Gods Woord. Als hij met Jeremia alleen is, is hij aanspreekbaar.
Dan is er een appèl-mogelijkheid en valt er met hem te praten. Dan is er bij hem ook wel de bereidheid iets te doen.
Hij laat Jeremia niet terugbrengen naar het keldergewelf in het huis van Jonathan, maar laat hem overbrengen naar de gevangenhof die bij het koninklijk paleis hoorde. Verder draagt hij er zorg voor, dat Jeremia ook weer regelmatig te eten krijgt: een brood per dag. Dat is weliswaar geen overdadig rantsoen. Maar het is meer dan hij in de kerker bij Jonathan kreeg. En het is genoeg om in leven te blijven.
In de gevangenhof van het paleis had Jeremia ook meer bewegingsvrijheid. Er was daar een mogelijkheid tot contact met de inwoners van Jeruzalem. Jeremia maakte daar gebruik van ook (38: 1-3). Hij ging door met zijn prediking: wie de stad verlaat en naar de Babyloniërs gaat, zal in leven blijven.
Dat zinde de vorsten helemaal niet.
Vier van hen worden met name genoemd.
Ze komen met opgestreken zeilen bij Zedekia en slaan met hun vuist op tafel. Het kan niet langer zo, zeggen ze. Die man werkt demoraliserend in op het volk en op onze soldaten. Dat is funest. Er is maar één oplossing: hij moet ter dood gebracht worden.
En dan zie je, dat de koning die heus wel goed wil als hij met Jeremia alleen is, tegenover de vorsten geen vuist durft te maken. Hij is in jullie hand, zegt hij. Ik kan toch niet tegen jullie op.
Dat klinkt een beetje wrang. Het laat ook zien, dat Zedekia het Woord van Jahweh en Jahweh zelf niet allesbeheersend laat zijn in zijn leven. Hij oriënteert zich niet op God maar op mensen.
Dat kan ook niet anders. Als God en zijn Woord je maatstaf niet zijn, worden mensen het. Mensen met klinkende namen, met invloed, die je kunnen maken en breken. Dan gaan zij je leven sturen.
De vorsten krijgen de vrije hand. En ze laten er geen gras over groeien.
Ze gooien Jeremia in een waterloze put in de gevangenhof. Daar zinkt hij langzaam weg in de modder. Hij heeft de verstikkingsdood voor ogen.
Maar dan neemt een Ethiopiër, Ebed-Melech, het voor Jeremia op. Let wel: de man is een niet-israëliet. Dat is beschamend. Hij haast zich naar de koning, die op dat moment in de Benjamin-poort is en de verdediging van de stad inspecteert en hij vertelt hem wat er gebeurd is, Ronduit zegt hij: wat de vorsten met Jeremia gedaan hebben, is zonder meer misdadig.
En dan verandert Zedekia weer van houding. Hij geeft Ebed-Melech opdracht Jeremia met behulp van drie anderen uit de put te halen. Die opdracht wordt door hem onmiddellijk en met grote zorg voor Jeremia uitgevoerd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief