KENTHEORETISCHE VRAGEN
1978-11-24
Als lezer van 'Opbouw' wekte het artikel van M. W. Westerhuis over 'Bijbel en (geschiedenis)wetenschap' mijn belangstelling. Met bepaalde gedachten daarin kon ik het wel eens zijn: wij moeten zeer voorzichtig zijn om één of ander feit in de vaderlandse of kerkgeschiedenis, en zelfs in ons persoonlijk leven, als een ingrijpen van de Here God te bestempelen en te waarmerken, er werken dikwijls zoveel menselijke faktoren van allerlei aard mee.- Jaargang 22
- nummer 44
Het artikel roept echter ook enkele vragen bij mij op die ik graag de schrijver zou willen voorleggen.
1. De kerk, dat is zij die de Here wilden dienen naar zijn Woord, werden bij de Reformatie op leven en dood vervolgd, mag het dan niet als een goddelijke redding beschouwd worden dat de Zeven Provinciën bevrijd werden van het spaanse juk?
Moet dit zelfs niet? En is het niet terecht dat in Valerius Gedenkklanck daarvan in lofliederen getuigd wordt?
En moet hiervan, omdat het een bevrijding van de kerk betekende, ook niet de Here dankend, getuigd worden in en bij het onderwijs op een christelijke onderwijsinrichting (onze vaderen gaven dan ook aan de scholen die ze oprichtten, de naam School met den Bijbel - op zulk een school kreeg ook ik het eerste onderricht -)?
Was het niet, en terecht, de bedoeling dat de kinderen niet enkel wetenschappelijk onderwijs in de geschiedenis kregen, feiten leerden kennen met waarneembare menselijke faktoren?
2. De bezetting door een antichristelijke macht in de jaren 1940-'45 legde op de kerk een zware druk; moest de bevrijding door onze bondgenoten niet tevens beleden worden als een daad des Heren die de smeekbeden verhoorde en haar weer herademen deed? Moet er dan ook niet weer in de kerk en op de christelijke scholen getuigd, gedankt en gezongen worden van Zijn verlosend werk?
3. Met de schrijver ben ik het eens dat wij te ver gaan (al zou het onze persoonlijke overtuiging zijn) bij het onderwijs de voor de duitsers desastreuze winter 1942-'43 voor te stellen als een bijzonder ingrijpen van God, maar toch wel dat, waar de H.S. ons openbaart hoe Hij alle dingen leidt, Hij het alzo leidde dat de goddeloze vijand in zijn pogen gefrustreerd werd en wij toen daarvoor terecht gedankt hebben? Moet hier niet een onderscheid gemaakt worden in deze zin: in 1914 lag de zaak heel anders dan in 1940, en in 1572 zowel als in 1672 heel anders dan in 1830?
4. Volstrekt af te wijzen is, wanneer daden van mensen gelijkgesteld worden en vereenzelvigd met daden Gods (het dusgenaamde verabsoluteren van de eerstgenoemde), maar zouden wij niet mogen onderkennen en erkennen, ja zelfs moeten, een werk van God?
Gaarne zou ik hierop de mening van de schrijver vernemen.