Genesis 2 en het huwelijk
1978-12-01
Niet negatief- Jaargang 22
- nummer 45
De negatieve vorm van de "tien woorden" (merendeels: gij zult niet ... ) en de vaak even negatieve uitleg in de Heid. Catechismus mogen ons niet verleiden tot een negatieve beoordeling van de aangeroerde onderwerpen. Het zevende woord bijv. (gij zult niet echtbreken) staat in een kader - de hele Schrift - waarin van het huwelijk hoog opgegeven wordt.
De decaloog begint steeds opnieuw bij de simpelste grondbetrekkingen van de samenleving. De Schrift zelf ook. Naar mijn mening vormt Gen. 1-2 : 3 het opschrift boven en de inleiding van de volgende "hoofdstukken", beter gezegd ontwikkelingsgeschiedenissen.
Opvallend is hoe de verteller van Gen. 1 stelselmatig toewerkt naar de pointe: de mens geschapen als beeld van God. Als Gods vertegenwoordiger in het aardse deel van Gods tweeledig rijk: hemel en aarde. Deze bestemming krijgt zelfs drievoudige nadruk.
Eerst heet het: laat ons mensen maken als ons beeld. Daarna: en God schiep de mens als Zijn beeld; als Gods beeld schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. De verteller heeft in het woord "mens" duidelijk de mensheid op het oog. Vandaar de eenheid (hem) èn de uiteenlegging (hen): mannelijk en vrouwelijk. Met als consequentie: eerst in de samenhang en samengang van "mannelijk" en "vrouwelijk" fungeert de mens (mensheid) als beeld Gods. Discriminatie van de vrouw is hierbij uitgesloten.
De ander - dus andere?
Spreken wij over "man en vrouw", dan ligt eigenlijk automatisch de nadruk op het "ánders zijn".
Mannen zijn anders dan vrouwen, meisjes anders dan jongetjes. Lezen wij nu Gen. 2 : 4 v.v., dan verwachten wij ook automatisch dat "anders zijn" daarin beschreven te zien. We lezen het erin en tussen de regels door. Maar wie probeert onbevangen en argeloos de "ontwikkelingsgeschiedenis van de hemel en de aarde" (Gen. 2 : 4-4 : 26) te lezen, komt m.i. tot een tegengestelde conclusie. Binnen het kader van "waar begon het mee en waar liep het op uit?", om met de woorden van wijlen prof. B. Holwerda te spreken, horen we over de relatie hemel en aarde. De eerste notitie vestigt weer de aandacht op God als de Schepper van hemel en aarde. Maar het aspect waaronder de aarde bezien wordt (er was nog geen enkel veldgewas ... geen enkel kruid ... m.a.w. de aarde was "woest en ledig"), is merkwaardigerwijze dit: er was geen mens om de aardbodem te bewerken (2 : 5). Direct daarop volgt hoe God de mens (adam) formeerde uit het stof der aarde (adama).
Aarde en mens zijn hier nauw verbonden als veld en veldman.
Daarop en daaruit volgt dat God "de hof van Eden" schiep en de mens daarin plaatste "om die te bewerken en te bewaren." De verteller voelt zich blijkbaar in het minst niet geremd door de eerder verhaalde, rubricerende en correspondering scheppingsindeling die in de "inleiding" voorafging.
Die ene - alleen
Integendeel: hij groepeert en rangschikt feiten en gebeurtenissen zó, dat hij al vertellend doelbewust zijn hoorders meeneemt naar de climax. Hij gebruikt daarbij al het middel van de anticipatie, het "vooruitgrijpen" om de luisteraar nieuwsgierig te maken. Deze anticipatie geeft hij zó vorm: "en de HERE God zei: het is niet goed dat de mens alleen zij." Dit lijkt dan een poosje in de lucht te blijven hangen. Want het vervolg luidt: "en de HERE God formeerde uit de aardbodem (opnieuw uit de aarde aards, vgl. 1 Cor. 15 : 47 St. Vert.) al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels."
Waarom de vertelling in deze volgorde? Luister: "Ook bracht Hij het tot de mens, om te zien hoe deze het noemen zou; en zoals de mens elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten ... "
Even tussen haakjes: wie hier op scholastische manier het begrip van Gods alwetendheid zou invoeren (God wist van te voren best welke naam het beestje krijgen zou) is bezig de wezenlijke aard van de Schrift te verkrachten en doet op schoolmeesterachtige manier af aan het wonder van de mens als geschapen als Gods beeld en gelijkenis: "bijna goddelijk gemaakt", Ps. 8: 6). Wat de verteller be(t)oogt is dit: "en de mens gaf namen aan al het vee en aan al het gedierte des velds, maar voor zichzelf vond .hij geen hulp die bij hem paste."
Gods conclusie, oordeel wordt ongemerkt overgebracht op, ingeplant in de mens. Alle dieren hebben hun passende partner, de mens is alléén.
Eén vlees
Heeft God de mens geformeerd van "stof uit de aardbodem" (2 : 7), de hulp die bij hem past wordt uit die mens zelf gemaakt. Want we horen de verteller verhalen hoe de HERE God "de rib (gebeente), die Hij uit de mens genomen had, bouwde tot een vrouwen haar tot Adam bracht',' (2 : 21, 22). Maar als Adam ontwaakt, is zijn conclusie niet: die mens is ánders (dat zouden wij verwacht hebben). Nee hij zegt juist omgekeerd: "dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees." En dat uit hij in de (voortgezette) naamgeving: deze zal "mannin" heten, omdat zij uit de man genomen is."
De mens heeft zijns gelijke, zijn partner gevonden. Daarbij behoort de annotatie, ook van later (Mt. 19 : 5 p.p.) uit de bijbel bekend: "daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn." Dat doelt primair op heel wat anders en meer dan "lichamelijke vereniging": het gaat om de door God mogelijk gemaakte twee-eenheid van "de mens". Dezelfde verteller laat Juda inzake Jozef zeggen: "hij is onze broeder, ons eigen vlees" (37 : 27) en doet Laban J acob begroeten met de woorden: "gij zijt mijn eigen vlees en bloed" (29 : 14).
Gelijk-soortig
Het doet ook denken aan wat Paulus schrijft: "Alle vlees is niet hetzelfde, maar dat van mensen is anders dan dat van beesten, en het vlees van vogels weer anders dan dat van vissen" (1 Cor. 15 : 39).
Mensen vormen ,,een soort apart", evenals de (Iand)dieren, de vogels en de vissen.
Ging het in Gen. 1 : 27 nog om de pure essentie, dat God "de mens" mannelijk en vrouwelijk schiep en dat zij zo konden functioneren als beeld van God, in 2 : 24 wordt al duidelijk gedacht aan het huwelijk, aan een twee-eenheid in een primair samenlevingsverband (de verteller gaat al uit van een situatie dat er gezinnen zijn: "zijn vader en moeder verlaten"). Maar daarbij is het niet het (wezenlijk) "anders zijn" dat het volle accent is, maar integendeel het "van één soort zijn"
en dus echt samen-leven in de eigen categorie: ook de mens heeft zijn partner gekregen, de hulp die bij hem past. Alle moderne acties inzake de plaats van de vrouw in de samenleving, inclusief de feministische theologie, zijn op de eerste bladzijden van de bijbel al achterhaald. In de Schrift is de vrouw (dan wel de man, als bij de Amazones) geen ander-soortig, minder-waardig schepsel, laat staan een ding, een (lust)object: man en vrouw zijn elkaars volwaardige partners. Elke aantasting daarvan is in wezen al een breken van de echt, een ontbinding van het huwelijk, een ingaan tegen de door God gegeven scheppingsorde van het "één vlees".