Die kerel uit de Bijbel – Job
1978-12-01
We vertelden u een vorig maal, hoe een student die Job heette zich refereerde aan "die kerel uit de Bijbel". Via het woord "kerel" kwamen we bij de zonen van Zeruja terecht en dwaalden van Job af. Dat moeten we nog goed maken.- Jaargang 22
- nummer 45
Want waarom, zo vroegen wij u af, moest Job vernederd worden met de naam "kerel"? Waarom was die student niet happy met zijn mooie Bijbelse naam? Want waarlijk (zo was onze mening) kan een mens blij zijn als hij vernoemd is naar de man Job, Gods knecht, Godvrezend, vroom en oprecht, wijkend van het kwaad. Van die man Job zijn, behalve wat hiervoor uit Gods mond werd opgetekend, nog vele en zeer heerlijke dingen te vertellen.
Een van de eerste mooie dingen van Job was zijn zorg over de onberispelijke wandel van zijn tien kinderen. Niet zijn bezorgdheid maar zijn zorg. Die kinderen gingen namelijk plezierig met elkaar om. Stel je voor: zeven zonen en drie dochters - een mooi schooltje. Elke zoon gaf op zijn beurt een familie-reünie, een verjaarsfeestje of een instuif; we zeggen vandaag een gegarneerde borrel. En daar werd natuurlijk wat gedronken.
En daar werd natuurlijk wat afgebabbeld. De zusjes hoefden misschien niet eens alles aan te horen - maar de broers zullen wel van leer hebben getrokken. Er werd daar nooit een onvertogen woord gezegd?
Werd daar nooit een gebbetje uitgehaald, een linke sjacher verzonnen?
U weet het niet, wij weten het niet, Job wist het niet.
Maar Job riep zijn tien kinderen op, na afloop van elk feest. Hij wilde weten of ze hem nog konden aanzien; of ze de Heere nog konden aanzien.
En hij droeg zijn kinderen aan de Heere op, vroeg vergeving voor het geval ze van 's Heeren wegen waren afgeweken.
Doen uw ouders dat voor u? Doet u dat voor uw kinderen? Wij hebben een vader gekend - wat zeg ik: een vader gehád - die zijn tien kinderen dagelijks aan de Heere opdroeg die vergeving vroeg voor hun ongeweten zonden. Dat is dogmatisch niet helemaal correct, wel? Voor een recht gebed dienen wij onze nood en ellendigheid recht en grondig te kennen, zegt de Heidelbergse Catechismus. En dat deed Job niet. Die gokte à la baisse, zouden ze vandaag op de Beurs zeggen. Maar Job deed er goed aan, zegt de Bijbel. Dan doen wij er goed aan, hem na te volgen.
Het tweede van Job kent iedereen: zijn Jobsgeduld. Dat hij boven menselijke mate beproefd is in zijn lijden. Het boek Job heet wel het boek van het menselijk lijden. Hij verloor zijn goederen, zijn vee, zijn kinderen. Hij verloor zijn vrouw - want zij steunde hem niet in zijn geloof maar porde hem aan, God los te laten. Hij verloor zijn vrienden - want zij pijnigden hem, door hun dogma's van schuld-en-boete op hem uit te proberen. Hij verloor tenslotte zijn Jobsgeduld tegenover God de Heere, in Wie hij een vriend - en geen vijand - wilde blijven zien. En zelfs toen de Heere Job op zijn plaats zette, hem het evenwicht en de juiste kijk op de verhoudingen hergaf, bleef Gods oordeel: Mijn knecht Job heeft recht van Mij gesproken.
Het is haast mens-onmogelijk zich de geloofshoogte in te denken, welke Job heeft mogen bereiken. Terwijl alles hem ontviel, terwijl horen en zien hem verging, terwijl God de Heere zich voor hem schuil hield. .. (een situatie, die alleen met Christus' kruisdood te vergelijken is) bleef Job zich aan zijn God vastklampen. En gaf ons dit lied:
Ik weet dat mijn verlosser leeft,
tenslotte zal Hij deze wereld binnentreden
en al ben ik nogzo geschonden,
ik zal God zien vanuit dit mijn lijf,
aan mijn zijde zal ik Hem zien,
met eigen ogen ...
ik sterf haast van verlangen.
En ook deze zang:
Zie, mijn Getuige is in de hemel,
mijn Advocaat in den hoge.
Ook al bespotten mij mijn vrienden,
nochtans richt zich
mijn schreiend oog op God.
Maar de Bijbel geeft nog veel meer informatie over Job, die we maar niet terzijde moesten leggen. Job was een man van aanzien. Zijn kinderen vertroetelden hem. Het jongvolk trok zich terug, het volwassen volk stond op als hij binnenkwam. Zelfs magistraten zwegen, notabelen bogen diep.
Waarom? Keken ze hem naar de ogen? Hadden ze hem nodig? Nee. Job stond in aanzien vanwege zijn machtige levenswandel. Hij was de redder van reddeloze armen, de hulp van hulpeloze wezen. Hij heeft het hart van de weduwe blijdschap gegeven, stervenden bijgestaan. Voor de blinde betekende hij het licht, de lammen hielp hij vooruit. Voor behoeftigen was hij een vader, een advocaat voor rechteloze vreemdelingen. Misdadigers heeft hij op de kop gezeten, hun het geroofde afgenomen.
Als hij zich ooit vergrepen had aan andermans eigendom, zei Job, dan mocht een ander oogsten wat Job gezaaid had. Als hij zich ooit met vreemde vrouwen had afgegeven, zei Job, dan mocht een ander pret maken met Job's vrouw. Hij heeft zelfs zijn slavin en slaaf hun recht niet onthouden, wat gemakkelijk gekund had. Maar hij bedacht, dat ze door dezelfde Schepper gemaakt waren als Job zelf. Hij heeft de armen geen
steun geweigerd. Hij heeft nimmer gegeten wanneer hongerige ogen moesten toezien. Zoals God voor hem van jongs af aan gezorgd heeft, zo zorgde hij voor anderen. Zijn huis stond gastvrij open, geen vreemdeling behoefde buiten te slapen. Dat alles was nu zijn "redelijke godsdienst", zou Jacobus, zou Psalm 146 zeggen.
Als hij sprak hing dan ook ieder aan zijn lippen. Ze wachtten tot hij zijn mond opende en als hij gesproken had nam niemand meer het woord.
Job was een groot man, een volksleider, een koninklijke figuur, een voorganger, een wegwijzer. Zijn bemoedigende lach bracht zonneschijn in zijn omgeving. *)
Dat alles heeft Job zelf gezegd. Wat zegt u: eigen roem stinkt? Nee, dat kunt u niet menen. Weliswaar zei Salomo: laat een vreemde u prijzen en niet uw eigen mond - maar Job prees zichzelf niet, hij schepte niet op!
Kun je denken. Hij was door de barre nood gedwóngen, zijn papieren voor God de Heere op tafel te leggen. En hij toonde een blanco attestatie, die door God zelf werd goed bevonden. Want al spreekt iemand goede dingen van zichzelf, wanneer het ooit moet, dan kan hij nog wel de waarheid zeggen. En Job sprak de waarheid. Zulk spreken moeten we hem en elkaar maar niet ontzeggen.
Als u aan het boek Job begint duizelt u van alles, wat daar naar voren springt. Het ene is nog geweldiger dan het andere. Wat denkt u van het volgende?
Job wist van mineralen, van edele metalen, van ederstenen, van mijnbouw en van parelvissers af. Wanneer hij op zoek is naar "de wijsheid" komen al deze dingen op tafel. Zilver, zegt Job, kan iedereen wel ergens vinden.
En goud was je uit rivierzand. (Tussen haakjes: hier vlak bij, in het dorpje Tyndrum, heeft vorig jaar een woonwagenbewoner in enkele maanden voor f 70 aan zuiver goud uit het zand van de Cononish Rivier gezeefd.) Erts haal je uit de bodem en door verhitting haal je er koper uit. Als je niet bang bent voor het donker kun je diep in de aarde doordringen, zegt Job: door uitgehakte gangen ver van de bewoonde wereld. Boven de grond groeit het gouden graan? Ja, en onder de grond zit nog veel meer rijkdom: saffier en stofgoud haal je uit tunnels, zegt Job.
Maar inderdaad - de wijsheid heeft hij er niet gevonden. Geen levend mens heeft hem de weg erheen kunnen wijzen. Voor al het gedolven zilver en al het gewassen goud kun je geen wijsheid kopen; voor geen kornalijn of saffier, voor geen goud of glas, voor geen koraal of kristal, voor geen parels of topaas kun je wijsheid kopen. Ga je de oceanen over - je vindt haar niet. Probeer je haar met het oog van de vogels hoog uit de lucht te ontdekken - vergeet het maar. Ga je luisteren bij de dood en het dodenrijk - daar hebben ze er nauwelijks van gehoord. Alleen God weet de weg er heen. Hij ziet immers tot over de grenzen der aarde. En Hij zegt: wijsheid is God te vrezen en het kwaad te vermijden.
Die beelden van Job - waar kent u die van? Lijken ze niet op wat Mozes zei: de geboden die ik u heden geef liggen niet buiten uw bereik; ze zijn niet in de hoogte, ze zijn niet overzee, ze zijn vlak bij: in uw mond en in uw hart? En Paulus schreef dat na: zoek het maar niet in den hoge, zoek het maar niet in het dodenrijk. Het woord is vlak bij: in uw mond, in uw hart. Want het geloof van uw hart brengt u gerechtigheid. De belijdenis van uw mond brengt u het heil.
Ja, als we over Job beginnen, zouden we nog weken kunnen doorgaan.
Wist u dat de persoon van Job ook buiten het 15e bijbelboek voorkomt?
Wist u dat Ezechiël (wiens profetie aan die van Daniël voorafgaat) de namen Noach. Daniël en Job noemt? Tot twee maal toe en in deze volgorde?
Wist u dat ook Jacobus de naam Job noemde?
Dat doet u toch nadenken over de historiciteit van Job, is het niet?
Want hoe veel onwaarschijnlijks ook in dit boek voorkomt en hoe zeer ook naar de datum van de opstelling gegist wordt (van voor Abraham af tot na de ballingschap toe) het boek toont een volmaaktheid, die in geen der apocriefe geschriften te vinden is. En dit alles vervult ons met voldoende eerbied, om over Job nooit meer te spreken als over die kerel uit de Bijbel.
*) En zoekt u dat alles nu zelf maar eens op. Anders krijg ik weer te horen dat ik te veel verwijsplaatsen aangeef.