Zo was het (22)
1978-12-01
In de pastorale praktijk ben ik met veel brs. en zrs. in aanraking gekomen die moeite hadden met de viering van het Avondmaal. Vermoedelijk zijn er zo nog niet weinigen. Ze hebben moeite met de zelftoetsing of zelfbeschouwing.- Jaargang 22
- nummer 45
Een zelfbeschouwer bekijkt zichzelf. Hij wroet om zo te zeggen in eigen hart of gemoed. En stelt zich de vraag: Is mijn ellendebesèf wel diep genoeg? Meestal komt hij tot de conclusie: neen. En blijft weg. Of hij stelt vast, dat z'n verslagenheid over de zonde groot genoeg is.
En met die verslagenheid komt hij dan bij de Here. Daarop vertrouwend.
Hij stelt zich ook de vraag: is mijn geloofsbeléving wel sterk genoeg?
Meestal komt hij tot het antwoord: neen. En viert geen Avondmaal. Soms zegt hij bij zichzelf: ja, mijn geloofservaring is zó krachtig en machtig. En met dát geloof gaat hij aanzitten aan de Tafel van de Here.
En de zelfbeschouwing over het "stuk der dankbaarheid" kan weer twee uitkomsten hebben. Men vindt te weinig dankbaarheidsgevoel óf genoeg.
En op grond van die conclusie durft men ,aangaan" of men durft het niet.
De zelfbeschouwer is met zichzelf bezig en heeft met zichzelf te doen.
Wie zich toetst aan het Woord des HEREN gaat anders te werk. Hij vraagt zich af: Geloof ik in de Here Jezus? Of soms niet?
Erken ik concreet mijn zonden, tegen de HERE en zijn geboden?
Is het mijn lust de HERE te dienen en te loven?
Hij die zich keurt op de rechte wijze heeft met de HERE te doen. Met het resultaat: Ik geloof, kom mij te hulp in mijn strijd tegen m'n ongeloof.
De zelfbeschouwer leeft eigenlijk van eigen schuldbesef of geloofsbeleving of eigen werk. Terwijl de zelfbeproever leeft van de genade Góds.
Een andere moeilijkheid voor weinigen (of velen?) is een verkeerd tekstgebruik.
Bijv. met betrekking tot een bepaalde leer van de Uitverkiezing.
Voor velen is dit een stuk, zwaar om te verstaan. Men praat er liever maar niet over. Men meent hier met een gevaarlijk terrein te maken te hebben. Sommigen leren: je moet er niet mee beginnen, maar mee eindigen.
In onze kringen wordt er dunkt mij weinig over gesproken. En ook in de prediking is er zelden sprake van. Terwijl de Bijbel er vrij veel over spreekt. Dus mogen wij het ook wel doen. Zonder er bang voor te zijn.
Als de HERE in Zijn Woord van verkiezing spreekt jaagt Hij niemand de stuipen op het lijf. Hij dringt ons ook niet tot lijdelijkheid. Hij leert ons ook niet zeggen: Ben ik verkoren, dan bij ik verkoren; en ben ik verloren dan ben ik verloren. Als de HERE van zijn verkiezende liefde spreekt, dan prikkelt Hij ons juist tot de hoogste aktiviteit! Dat doet ook een tekst, waarover ik nogal eens sprak en preekte: "Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren."
Is deze tekst niet geschikt om ons het angstzweet uit de poriën te drijven?
Is het verkrijgen van de verlossing dan een dubbeltje op z'n kant? Een lot uit de loterij? Daar is geen sprake van! Een verkeerd gebruik van dit woord kan ons wel angstig maken. Een goed gebruik niet.
Maar laten we Mattheüs 22 : 1-14 maar eens in z'n geheel lezen.
"Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een Koning, die voor zijn zoon een bruiloft bereidde. En hij zond zijn slaven uit om de genoden te roepen, doch zij wilden niet komen. Weer zond hij andere slaven uit, met de boodschap: Zegt aan de genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft. Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. De overigen grepen zijn slaven en zij doodden en mishandelden hen. En de koning werd toornig en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand.
Toen zei hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard. Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen die gij aantreft, tot de bruiloft. En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden.
En de bruiloftszaal werd vol met hen die aanlagen.
Toen de koning binnentrad om hen, die aanlagen te overzien, zag hij daar iemand, die geen bruiloftskleed aanhad. En hij zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier gekomen zonder bruiloftskleed? En hij verstomde. Toen zei de koning tot de bedienden: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengekners.
Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren."
Velen hebben deze laatste woorden zó verstaan, alsof de roeping door het Evangelie eigenlijk niet ernstig gemeend is. Alsof de uitverkiezing (van eeuwigheid zegt men dan) die roeping eigenlijk krachteloos maakt. Dat het Evangelie roept zegt volgens hen wel iets, maar niet veel. Het komt er maar op aan, dat men bij de "weinigen" behoort, die (van eeuwigheid!) verkoren zijn. En het is maar een moeilijke bezigheid om daar achter te komen.
Doch zó rukt men deze tekst uit z'n verband. En zo past ze wel in een bepaald, verkeerd leersysteem, maar niet aan het slot van deze gelijkenis!
Laat voor alles één ding vaststaan: De roeping door het Evangelie is ernstig gemeend. Niet, omdat onze Belijdenis dat heeft uitgesproken.
Maar omdat de HERE trouw is. Omdat Zijn beloften onberouwelijk zijn, d.w.z. de HERE krijgt er nooit berouw van, dat Hij door het Evangelie heeft geroepen uit de duisternis tot het wonderbare licht van Zijn genade.
Hij roept toch niet op tot geloof, terwijl Hij achterbaks zou denken: Maar dat zal niet baten want Ik heb je niet uitverkoren? Hij roept toch niet op tot bekering terwijl Hij denkt: maar dat is onmogelijk, want Ik roep maar "uitwendig"? Wie dat denkt en zo leert doet goddeloos. Zo is de Vader van de Here Jezus niet. Nooit is iemand, die het Evangelie gehoorzaamde teleurgesteld uitgekomen. Als Hij zegt: Geloof het Evangelie, dan mógen wij dat doen en moeten het. En als Hij oproept tot bekering dan mógen wij ons bekeren en moeten het doen. En kunnen het ook, in vertrouwen op Zijn Genade en Geest. Dan "werken wij onze redding met zorgvuldigheid, omdat het God is die in ons bewerkt het wilIen en het werken, tot roem van Zijn heilswil. "
Uit de gelijkenis blijkt, dat velen eerst werden uitgenodigd en later nog speciaal werden opgeroepen om nu te komen tot de bruiloft. Maar - zo staat er - zij wilden niet komen. Zij wilden niet! Als daarna nog anderen worden uitgenodigd, nu aIles klaar is, dan staat er weer: Zij hadden er geen oren naar. Zij vonden het feest van geen waarde. De akker was voor de één belangrijker dan de bruiloft. Een ander z'n koopmanschap.
Anderen werden zo kwaad, dat zij de boodschappers grepen en sloegen en doodden. Zo heeft het volk der Joden met de Here Jezus gedaan.
Evenals vroeger met de profeten en later met de apostelen. Toen is Jeruzalem verwoest en de verachters van het Evangelie zijn omgekomen.
Daarna zijn de Evangelisten de wereld ingetrokken. En velen kwamen tot de bruiloft. Toen kwam de koning zelf om met de gasten kennis te maken.
En daar zag hij iemand zonder feestkleed. Zonder een gewaad, dat bij een bruiloft past. Hij wilde wel een feestje, maar hij wilde geen moeite doen om zich er voor te kleden. Hij hield zich niet aan de gezonde, goede regel voor een bruiloftsfeest. Met andere woorden: Hij wilde niet afstaan van aIle ongerechtigheid. Hij maakte zijn roeping en verkiezing niet vast om zo te zeggen. En als hij zich niet verantwoorden kan wordt hij op bevel van de koning uit de verlichte feestzaal gegooid en kwam hij in de duisternis terecht.
En dat door eigen schuld. Dat blijkt duidelijk uit het verhaal. Want als de koning vraagt: "Vriend, hoe zijt gij hier zo gekomen zonder feestkleed?", dan verstomt hij. Letterlijk: hij had een muilkorf voor. Hij kon geen woord ter verontschuldiging uitbrengen. Hij kon niets tegen het vonnis inbrengen.
Maar kwam dat nu, omdat hij van eeuwigheid niet was verkoren? Maar dat zou toch - met eerbied gezegd - gemeen zijn van de HERE. Van God, de Koning in het Koninkrijk der hemelen. Dan zou Hij het "achter de eIlebogen hebben". Dan zou Hij veel beloven en niets geven. En het ook nooit van plan zijn geweest! De HERE zou door het Evangelie beloven: vergeving en eeuwig leven, de hulp van Zijn genade en Geest en altijddurende blijdschap; maar dat zou niet "menens" zijn en het zou niets uithalen vanwege een "eeuwig besluit van verkiezing en verwerping"?
Gelove wie het geloven wil, ik geloof het niet. En de Schriften leren het ons ook zo niet.
Maar hoe zit het dan? Er staat toch maar: "velen geroepen en weinigen uitverkoren." Inderdaad, en dat moeten we zo laten staan. Maar het gaat hier niet over een verkiezing-van-eeuwigheid. Ook niet over verkiezingin-
de-tijd. Want roeping en verkiezing in de tijd, in het heden der genade, vaIlen samen. Denkt maar aan de tekst: "maakt uw roeping en verkiezing vast."
Neen, maar hier wordt bedoeld de verkiezing of uitverkiezing aan het einde der dagen. Dan zal er scheiding gemaakt worden tussen "de bokken en de schapen". Zoals er in Matth. 25 staat. Er zal dan scheiding gemaakt worden tussen hen, die God vrezen en die het niet doen. Tussen hen, die de Here Jezus echt gevolgd hebben en hen, die dat niet gedaan hebben.
Zij die een beker water reikten aan een dorstige of een hap brood aan een hongerige enz.; zij zullen aan de rechterhand gezet worden. De anderen aan de linkerkant.
Het gaat dus niet om een van-eeuwigheid-tot-eeuwigheid-vaststaandeverkiezing of lotsbeschikking. Maar het gaat om de keuze, die aan het einde der dagen gemaakt zal worden tussen gelovigen en ongelovigen; tussen hen die ernst hebben gemaakt met hun roeping en verkiezing in de tijd en die dat niet gedaan hebben. Uit het verband blijkt, dat dit de enige en goede verklaring is en kan zijn. Deze tekst mag en moet ons dus niet de stuipen op het lijf jagen. Maar ons dringen tot een godzalige, godvrezende wandel of leven.
Dat komt ons mogelijk vreemd voor. Tegenwoordig zegt men: dat komt vreemd over. Want zo spreekt men gewoonlijk niet over verkiezing. Maar laat ik deze keer eens een autoriteit noemen: Calvijn schreef er zo over.
Namelijk als volgt: "Als heden ten dage door de verkondiging van het Evangelie meer mensen tot de kerk worden verzameld dan vroeger door of onder de wet (onder het O.T.) zo is het toch maar een klein deel, dat zijn geloof door een nieuw leven bewijst. Daarom zullen wij ons niet met de blote schijn van geloof tevreden stellen maar onszelf ernstig toetsen, opdat wij bij de laatste keuring tot de echte christenen mogen gerekend worden."
Dat is heel wat anders dan de manier waarop deze tekst meestal is misbruikt.
Hij is een aansporing om onze roeping en verkiezing vast te maken.
Om ons zo een vast vertrouwen te geven, dat wij bij de wederkomst van Christus niet aan z'n linkerkant, maar aan z'n rechterzijde mogen gesteld worden. "Wie de naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid."
Deze tekst wil onze verantwoordelijkheid en werkzaamheid niet verlammen, maar juist prikkelen. Het geldt nog: velen geroepen, weinigen uitverkoren. Van ons volk kan nog in zekere zin gezegd worden, dat bijna allen op de een of andere manier geroepen worden. En in vergelijking daarmee zijn het heel weinigen, die aan de roeping gehoor geven. En eens zullen ingaan in het Koninkrijk der hemelen. In veel landen om ons heen geldt dit in nog sterkere mate. In Duitsland en de landen van het Noorden worden vrijwel alle kinderen nog gedoopt. De meesten worden ook nog, met groot feest vaak, "aangenomen" zal ik maar zeggen. Maar slechts enkele procenten van hen komen daarna nog in kerk of klooster zoals men zegt.
Deze tekst roept ook ons allen toe: Zorgt dat u er bij komt of er bij behoort en er bij blijft behoren! Namelijk bij die schare, die ontelbaar is op een nieuwe aarde onder een nieuwe hemel. Om altijd bij de Here te zijn.