Spreuken 31 en het huwelijk
1978-12-08
Mens of stuk?- Jaargang 22
- nummer 46
"Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet? Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond. Gij doet hem heersen over de werken uwer handen ... "
Wie zei dat deze psalm (8) alleen over mannen gaat?
Een mooi lied om te zingen? Natuurlijk.
Maar hebt u de ander en uzelf daar al eens op aangekeken?
Met respect voor wat Gód geschapen heeft en voor wat die mens aan mogelijkheden heeft meegekregen?
Die mens, dat mensenkind, (synoniemen!) en niet: dat mens of dat jong - een ding, een object.
Na Gen. 2 gaan we nog een stap verder - op dezelfde weg - nu vanuit Spr. 31 : 10-31. De eerste regels kent ieder uit het hoofd, hetzij in de Nieuwe-, hetzij in de Statenvertaling. Volgens de laatste gaat het over "de lof en eigenschappen ener deugdzame huisvrouw".
Dat "deugdzaam" klinkt nog wat na in het opschrift van de Nieuwe Vert.: "de lof der degelijke huisvrouw".
De meest moderne generatie zou er vermoedelijk (of na lezing juist niet??) boven zetten: "Wat een stuk!" Want die generatie spreekt niet alleen over "lekker wijf" en - onzijdig als ware 't een ding - "dat kind", maar gebruikt "het" ook als een object, een gebruiksvoorwerp, soms zelfs: een wegwerpartikel. Omgekeerd spreekt de lieve (vrouwelijke) jeugd inmiddels ook over de man - sommige mannen althans - als van "een stuk". Ogenschijnlijk een vorm van waardering, in feite een onder-waardering, een reductie op Ps. 8, Spr. 31 en Ps.
128 o.a. In deze laatste psalm brengt de dichter de erenaam van het hele volk Israël - Gods wijnstok - over op "de vrouw", manninne. Hij ziet die vrouw delen in Gods gunst en zegen over Zijn volk.
Deugdzame huisvrouw?
Daarom heb ik nogal wat moeite met die deugdelijke dan wel degelijke huisvrouw. De associaties van de bijvoegelijke naamwoorden komen mij voor als onwelvoegelijk moralisme. Bovendien suggereert "huisvrouw" veel te veel en te weinig. Het suggereert een taak, een levens- en bestaanswijze die de "cultuur" van de achttiende eeuw (maar ideeën zijn taai als een virus!) samenvatte in de drie k's: een vrouw was slechts geschikt voor keuken, kerk en kinderen. Daarbuiten had ze geen enkele zeggenschap: "een vrouw moet stille zijn ... "
Ook dat doet tekort aan de Schrift, en zeker aan de dichter van Spr. 31 die de lof van de vrouw (manninne) bezingt. Want weliswaar wordt haar man haar heer (ba'al) genoemd (vs. 11,23,28), maar dat is niet meer dan de gebruikelijke beleefdheidsvorm en het wordt nooit "mijn heer" (adoni) in de zin van bezitter-heerser.
Nee Spr. 31 is niet een verzameling uit de losse hand. Het is een, tot dusvërre onberijmd en dus ongezongen gebleven, wijsheidslied, geboren uit verwondering en bewondering.
En met hoeveel zorg dit loflied gemaakt is, bewijst het feit dat het een alfabatisch gedicht is. poëzie van a tot z op de vrouw; het is het abc als het gaat om mannin.
Beeld Gods: het abc
Een vrouw van vermogens (wat zij vermag mag gezien worden) - wie zal haar vinden? Een ideaal-beeld, voor niemand bereikbaar? Of ként de dichter haar en is zij misschien (vs. 29) zijn dochter? zegt hij vragend: wie is de gelukkige die háár vindt?
Haar waarde (koopprijs, bruidsprijs, graag geschonken gift aan de vader van de bruid) gaat koralen (robijnen, parels, juwelen?) ver te boven. Zij is een juweel. Een vermogen waard. Met geen goud te betalen. En dat blijkt ook wel uit dit lied. Daarbij staat niet voorop de verrukking over haar schoonheid (vs. 30), zoals bijv. in het Hooglied, maar haar functioneren in de samenleving, ook in bredere zin dan het huwelijk. Aan háár optreden ontleent haar man zijn rust en vertrouwen (vs. 11) en zijn achtenswaardigheid (vs. 23), zelfs bij de oudsten, niet de eersten de besten. Deze vrouw komt tot haar recht (en daarmee haar man ook!).
Ze wordt blijkbaar niet gemodelleerd in de vorm die haar "heer gemaal" zich wenst, als ware hij God zelf (Gen. 2). Dat gebeurt uverigens maar al te vaak. Bijna altijd naar een vast patroon: "mijn moeder kookte zouter" enz. enz., waardoor de man blijk geeft meer kind van zijn moeder dan volwassen echtgenoot te zijn.
Als mannin, partner, hulp die bij hem past, komt zij tot haar recht en wat zij "vermag" (i.p.v. deugdzaam of degelijk) is niet gering, zoals in de volgende strophen in een veelvoud van kleuren met verve wordt beschreven. Blijkbaar was zij (toen al!) handelings-bekwaam en bevoegd (vs. 16, 24). Er gaat veel door haar handen, zij beheerst (in de zin van Gen. 1 : 28; Ps. 8 : 7) heel wat vakken, ze heeft een veelvoud aan taken en is - ook in haar maatschappelijk optreden het tegendeel van wat wij noemen "het zwakke geslacht": kracht en luister is haar gewaad (vs. 25).
Wie zal haar vinden ??
Ook wijsheid is bij haar te vinden, zij is "een moeder in Israël" (vgl.
2 Sam. 20 : 16-22). En op vriendelijke wijze, innemend, voor zich winnend, geeft zij onderricht (thorah). Haar woorden bewerken dat anderen daadwerkelijk wijs kunnen worden, winst kunnen doen met haar onderwijs. Zelfs Salomo had niet alle wijsheid alléén in pacht! Blijkbaar is zij evengoed thuis in het maatschappelijk leven als in het maatschappelijk werk!
Of er inderdaad zo'n vrouw, partner, mannin te vinden is? In de hebreeuwse bijbel volgt na de laatste bladzij van Spreuken de eerste bladzij van het boek Ruth.
Hoor wat Boaz, na vermelding van haar "vriendelijkheid" (chèsèd) zegt tot Ruth: "nu dan, mijn dochter, wees niet bevreesd; alles wat gij zegt zal ik voor u doen, want ieder in de poort weet dat gij een deugdzame (tüchtige) vrouw zijt" (3 : 10, 11). Dezelfde woorden als aan het begin van het Spreukenlied - en gezegd van een Moabietische ... , een weduwe op dat moment. Een vrouw die van aanpakken weet, die vergaande (letterlijk en figuurlijk) beslissingen weet te nemen.
In Bethlehem kennen zij haar "in de poort" (waar iedereen kwam en ging) niet als een "mooi stuk"
maar als de steun en toeverlaat van Naomi. Zo is de vrouw - God heeft haar de benodigde capaciteiten geschonken (en dat zijn er nog al wat!), ook al wordt daar niet altijd een beroep op gedaan of gebruik van gemaakt.
Prijzenswaardig !
Iemand tot zijn/haar recht laten komen, dat kan en moet zeker in de primaire samenlevingsvorm van het huwelijk. De soms (en veelal ten onrechte) benijde "vrijheid" van de ongehuwde spreekt voor zich al boekdelen over de vaak ervaren grote on-vrijheid in het huwelijk.
Ook hier dient de vraag gesteld te worden: hoe zie en respecteer je de ander en jezelf? En: zijn de rollen goed verdeeld, naar gelang ieders capaciteiten? De bijbel is bepaald niet karig met lof: erkenning leidt tot waardering. De vrouw van Spr. 31 wordt geprezen thuis en in de poort (vs. 28, 29).
Wee de arme mens die daaraan iets af doet, die brokken maakt, breuken veroorzaakt: is het woord echt-breuk in dezen niet veelzeggend?
Dat begint waar de eigengeaardheid èn de gelijk-soortigheid van de ander niet wordt gerespecteerd.
Zoals gezegd: niet uiterlijke schoonheid is doorslaggevendeen vrouw die den HERE vreest, die is te prijzen (vs. 30).
Vreemd dat er ongemerkt zoveel over de vrouw gezegd is? Maar de H. Schrift is niet alleen een mannengeschiedenis!
Bovendien: Spr.
31 staat in de bijbel zowel voor de vrouw (zó moge ze zijn) als voor de man (zó moge hij haar zien en behandelen, vgl. Ps. 128)! Wie daar oog voor heeft, zal met nog meer verwondering zien naar Gods "handwerk": " ... naar Gods beeld schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij hen."
Een verwondering als verwoord óók in Ps. 139!