Wat doe je zonder organist?
1978-12-08
"Orgelboek voor de Psalmen", samengesteld door de Ger. Organ. Ver., uitg. Boekencentrum- Jaargang 22
- nummer 46
Een stokoud verhaal zegt, dat een predikant zijn aanvangspsalm opgaf waarna het stil bleef. Geen orgeltoon, geen zang, slechts een nerveus kuchje hier en daar. Dat duurde tot de predikant tegen de ruimte achter het groene gordijntje riep: is de organist er soms niet? Uit het aangehouden stilzwijgen concludeerde hij, dat de organist er inderdaad niet was.
Daarop vroeg de predikant op smekende toon: is er niemand die voor ons het orgel kan bespelen? Een schipper stond bereidwillig op, klom naar boven, stommelde wat rond en opende eindelijk het groene gordijntje.
Dominé, riep hij, ik kan het draaiwiel niet vinden.
Dat was dat. Waar gebeurd, maar jaren geleden. Kijk maar naar de groene gordijntjes.
U kende de anecdote waarschijnlijk al zo lang, dat u hem vergeten was?
Juist, daarom halen wij hem op. Want nog altijd geldt wat de Duitse zanger zei: wo du nicht bist, Herr Organist, da schweigen alle Pfeifen. En nog altijd zijn er mensen die veronderstellen: dat na het opgeven van een psalm of lied het orgel vanzelf (nu ja, vanzelf - misschien wel electrisch of zo) zijn plicht gaat doen.
Daar is het namelijk voor. Maar zulke veronderstellingen zijn niet juist. Al liggen ze de calvinisten.
Daar zit namelijk een taai misverstand achter. Een misverstand, dat in de grote dr A. Kuyper een hardnekkig voorstander vond. Die wenste namelijk (en over zulks wenste het kerkvolk dit mede): dat het aantal organisten per orgel "niet te weinig" zou zijn; en die wenste dat zo'n organistenclub niet over vergoeding zou spreken; die hield op deze wijze het ontstaan van de gestudeerde en studerende organist tegen; hetgeen allerminst in het belang der kerken, nog minder ter ere Gods is gebleken te zijn.
In de loop van vele jaren en ten koste van talloze goede woorden hebben wij (en anderen meer) dit misverstand bestreden. Vooral door het gestage werk van de Gereformeerde Organisten Vereniging (hierna G.O.V.) is in ons land een organistenstand gegroeid, die "geleerd is in de zang des Heeren" en die uit "meesters" bestaat, om met de Kronieken te spreken.
Want die organisten zijn gaan begrijpen, wat Kuyper nog niet begreep: dat de regels voor de oudtestamentische eredienst ook voor de nieuwtestamentische van betekenis zijn. Bijgevolg worden thans in de gereformeerde kerken (in de ruimste zin) zeer behoorlijke honoraria betaald; waar tegenover die kerken ook zeer behoorlijke eisen aan het vakmanschap en de productie van haar organisten stellen; en als gevolg waarvan een organist vandaag niet meer rondjes draait - maar zich levenslang inzet voor de studie van de kerkelijke zang en haar (bege-)leiding.
Een van de rijpe vruchten van de G.O.V. is haar onlangs verschenen "Orgelboek voor de Psalmen". Het boek is gecomponeerd onder verantwoordelijkheid van deze vereniging en (vrijwel) geheel door haar eigen leden. Voor elke psalm vindt u een kort voorspel, intonatie genaamd, dat gebruikt kan worden wanneer vrijwel direct zal worden ingevallen; voorts een langer voorspel, dat echter steeds binnen de tien tot twintig maten blijft; en dan twee koraalzettingen, waarvan een in klassieke, een in meer vrije stijl. De stijl van de composities is uiteraard bepaald door het klassieke karakter van de psalmwijzen, maar met gebruikmaking van klanken kleurmiddelen uit deze eeuw.
De moeilijkheidsgraad loopt uiteen. Toch is gestreefd om het niveau van de "modale" organist te treffen. Dat wil zeggen dat de gemiddelde organist deze werken moet kunnen spelen. Zo lang hij dat niet kan is hij gedwongen te studeren, teneinde dit peil te halen. Zodra hij het wel kan krijgt hij uit dit boek talloze impulsen om van zijn eigen werk meer te maken.
Schrijver dezes weet zich aan het ontstaan van dit boek wel enigszins schuldig. Het was namelijk najaar 1956 toen de G.O.V. begon, door middel van maandelijkse bijlagen van haar maandblad "Organist en Eredienst", een losbladig psalmboek op te zetten. Het bestuur van de G.O.Y., dat deze zaak aanpakte, bestond toen uit de heren W. A. Houtman, R. Huizenga, C. F. Morriën, P. van 't Riet, mr C. J. Verplanke, Joh. M. Vetter - en schrijver dezes als voorzitter. Deze losbladige uitgave kwam najaar 1967 gereed. Daarmee was het orgelboek in principe geboren.
Maar daarmee waren ook twee dingen vastgesteld: dat deze vrucht nog niet rijp was aangezien liturgie en kerkmuziek nog al te zeer in ontwikkeling waren; maar voorts dat het bereiken van zulk een werk inderdaad niet onmogelijk was!
Najaar 1974 besloot de G.O.V. opnieuw een orgelboek samen te stellen, geleerd door deze ervaring. Van het oude werk werd circa 20% overgenomen, voor het grootste deel werd nieuw begonnen. Enkele geslaagde uitgangspunten van de eerste uitgave werden gehandhaafd: het gebruiken van de "intonatie", het zich houden aan de "tien ofte twintigh maaten min of meer", een stokpaardje dat schrijver dezes uit de boedel van Const. Huygens overnam: "om niet alleen de stemmen der gelovigen maar ook de harten voor te bereiden op de aanstaande psalmzang, zoals Huygens zei: Ook gehandhaafd bleef het geven van meerdere harmonisaties per koraal.
Diverse psalmen zijn driestemmig gezet, de melodie niet altijd in de bovenstem.
Ze zijn desnoods speelbaar op slechts een klavier, zonder pedaal; dus ook voor huisgezin en vereniging bedoeld, alsmede voor muziek-studerenden. Hoewel we over een verzamelwerk spreken, waaraan negentien componisten meewerkten, is (door de richtlijnen van de G.O.V.) een variabel maar behoorlijk homogeen werk ontstaan, dat een fraai beeld geeft van de huidige orgelcultuur in de gereformeerde kerken. De componisten zijn Koos Bons, Piet Brakman, Wim Daim, Johan van Dommele, Folkert Grondsma, Chris Hanagraff, Leen 't Hart, Cor Kee, Cor Kroonenberg, Jan van Laar, Bert Lassing, Cor Morriën, Hans van Nieuwkoop, Nico de Raad, Piet Rippen, Nico Verrips, Yme Visser en Laurens van Wingerden - terwijl schrijver dezes tot zijn verwondering zichzelf ook met drie bijdragen aantreft; maar dat moet een vergissing zijn, aangezien hij de enige is die geen voornaam heeft.
De reeds hier en daar geuite kritiek op deze bundel (voor de een te zeer geavanceerd, voor de ander de klok teruggezet) wijst op de warme belangstelling voor onze kerkmuziek. Nu, daar gaat het om. In zulke zaken moeten we altijd tussen de spitsroeden van de kritiek door manoeuvreren.
Kritiek van weerskanten betekent in de kunst ofwel dat het juiste midden is gekozen - ofwel dat er niets van deugt. En dat laatste is nog niet gebleken.
De huidige G.O.V.-voorzitter Jan Pasveer schrijft in een voorwoord, dat het gelukkig steeds meer gebruikelijk wordt om de psalmen in hun geheel te zingen. Is dat niet fijn? We hebben er wel eens op gewezen, dat Datheen in zijn eerste psalmberijming de coupletten heel niet nummerde - hoogstens de lange psalmen hier en daar van een pauze voorzag. Maar die ging er van uit dat psalmen in haar geheel worden gezongen. Zoals in de synagoge gebeurt. Zoals de R.K. Kerk vaak doet.
Vandaar die twee harmonisaties per psalm. Dat zou ons persoonlijk nog niet genoeg zijn - maar er moet altijd wat te wensen overblijven. Hier in Schotland schrijven we elke week drie zettingen per hymn of per psalm uit, om niets aan het toeval over te laten. Zo krijgen we wat de statenvertaling noemde: een voorbedacht lied. Er is variatie en aanmoediging voor de zangers - en we draaien niet zes maal in een kringetje rond.
Want zie die psalmvoorspelen. We hebben de jaren gekend, waarin een organist een willekeurig stukje muziek weggaf als "inleiding" tot de zang.
Een stukje dat thematisch noch ritmisch noch inhoudelijk iets met die psalmzang te maken had. Soms zelfs in een andere toonaard stond.
Maar al dertig jaar studeren onze organistenkringen meer en meer bewust op koraalinleidingen, die duidelijk de melodie als uitgangspunt nemen, zo mogelijk de hoofdgedachte verwoorden, maar ook het tempo en de aanvangstoon van de psalm aanreiken. Zulk een koraal voorspel is alzo geen vrije bijdrage tijdens de eredienst, waarachter een punt zou kunnen staan - maar een obligaat onderdeel in de liturgie, waarachter een dubbele punt staat: want nu gaat het pas beginnen.
Laten onze kerkeraden dit boek aan hun organisten aanbieden. En laten ze van onze organisten vragen: dit ook te spélen! Er zijn juweeltjes bij en het boek stimuleert niet weinig. En laten onze psalmzingende gezinnen en verenigingen het mede aanschaffen.