… of hebben wij een ander te verwachten?

1978-12-15
  • Jaargang 22
  • nummer 47
Oók een vorm van "kennis van heil!

" ... of hebben wij een ander te verwachten?"
Het is Johannes de Doper die het ter sprake brengt.
Johannes, van wie vader Zacharias zong: "en gij, kind, zult een profeet des Allerhoogste heten, want gij zult uitgaan voor het aangezicht des Heren, om zijn wegen te bereiden, om aan zijn volk te geven kennis van heil in de vergeving hunner zonden, door de innerlijke barmhartigheid van onze God ... " (Luc. 1 : 76-78).
Maar Johannes is geen kind meer.
Hij is een man. Een man, die bepaald geen blad voor de tong nam, of hij nu romeinse soldaten dan wel joodse schriftgeleerden voor zich had. Je zult je voorgangers verwelkomen met "adderengebroed ... ". Je zult het pronkjuweel van hun religieuze porceleinkast vergruizelen met de mokerende woorden: " ... ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken".
Je zult ze publiek karakteriseren als brandhout, als kaf (Mt.3 : 7-12) en ze zo gelijkstellen met de goddelozen van Psalm 1, diezelfde voorgangers die zeggen een welgevallen te hebben om des HEREN wet en die overpeinzen bij dag en bij nacht (Ps. 1 : 2). Jawel, schrijft Lucas: "Met nog vele andere vermaningen bracht hij aan het volk het evangelie"!
(Luc. 3 : 18).
Een man die nog niet bang was voor een koning. Want hij bestrafte de viervorst Herodes om Herodias, de vrouw van zijn broeder ("gij moogt haar niet hebben") en om alle wandaden, die Herodes bedreven had (Luc. 3 : 19,20; Mt. 14 : 3, 4). Herodes kon zijn bloed wel drinken. Slechts de angst voor de schare die Johannes voor een profeet hield, voorkwam dat hij hem doodde. Maar het was wel het einde van Johannes' carrière: hij belandde in Herodes' privégevangenis.

Een vraag van man tot man

Johannes, een man, geen kind meer.
Een man van ruim 30 jaar. Ongeveer een half jaar ouder dan Jezus (Luc. 1 : 24, 26), zijn verwant (Luc. 1 : 36).
Deze uitzonderlijke man laat vanuit Herodes' gevangenis zijn verwant en leeftijdgenoot dé vraag stellen: "zijt Gij het die komen zou, of verwachten wij een ander?"
(Mt. 11 : 2-15).
Een vraag van man tot man.
Een vraag op de man af.
Een vraag om een ondubbelzinnig antwoord, van een man die wil weten waar hij aan toe is.
Maar al te vaak wordt die vraag aangegrepen om de vrager zwart te maken, dan wel om eigen onzekerheid en twijfel mee te dekken.
Waarbij minder het accent ligt op de vraag: verwacht een mens deze Jezus? dan wel op de roerselen van eigen zieleleven: "getuigt dit wel van echt geloof?".
Een vraag van man tot man. Een vraag inzake (advents) verwachting.
Johannes krijgt een antwoord van man tot man.
Daarover dadelijk.
Want van belang zijn hier de omstanders.
de scharen, en het effect dat vraag en antwoord op hen maakt.
Mensen, die Johannes van nabij hebben gekend.
Vandaar Jezus' vraag aan hen.
Wat denken zij eigenlijk van de Doper, van die geweldenaar in de woestijn en aan de Jordaan? Heeft Herodes deze grote in Israël in de gevangenis klein gekregen?
Daarom: Wat zijt gij in de woestijn gaan aanschouwen (een schouwspel, afstandelijk) - een bevend riet? Een weldoorvoede, chique geklede broodprofeet - een man die zijn broodheer aan het hof het hof maakt en naar de mond praat?
,.Die weelderige kleding dragen, zijn aan de hoven der koningen"
- Johannes zit in de kerker van de koning ...
"Maar waarom zijt ge dán gegaan?
Om een profeet te zien ... ?" Nu, dát kan dan kloppen: "ja Ik zeg u: zelfs méér dan een profeet.
Deze is het van wie geschreven staat: zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen zal bereiden."

Méér dan een profeet

Dit citaat uit Mal. 3 : 1 is, ook als je daar verder leest, indrukwekkend.
Johannes is meer dan een profeet. Om een uitlegger te citeren: "hij is niet alleen een groter profeet dan zijn voorgangers, maar nij heeft ook een hoedanigheid die hem van alle profeten onderscheidt ... Hij is niet alleen een profeet, maar hij is zelve voorwerp en vervulling van de profetieën zijner voorgangers."
Alleen al daarom kan Jezus zeggen: " ... onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan (als profeet) groter dan Johannes de Doper ... ".
En: "indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia die komen zou. Wie oren heeft, die hore!".
Dat hadden ze dus zelfs in de woestijn niet gedaan, niet gehoord, niet begrepen. De Elia waarvan Maleachi had geprofeteerd! (Mal. 4 : 5).
Nog eens die (ongenoemde) exegeet:" De Doper overtreft dus alle profeten, omdat hij niet alleen profeet is, maar voorloper en wegbereider van de Messias." Elia, die komen zou - dat was toch voorzegd?
Met hem, Johannes, is de heilshistorie in een beslissende ontwikkelingsfase gekomen, onherroepelijk.
Hij sluit een tijdvak àf en luidt tegelijk een nieuw tijdvak in: dat van het "koninkrijk der hemelen"
- het nabij-zijn van het koningschap Gods en van, alweer, de dag des HEREN.
Is het een wonder dat Jezus dan "grote woorden" gebruikt: "Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het koninkrijk der hemelen zich baan met geweld ("adderengebroed" enz.) en geweldenaars (Herodes!) grijpen er naar!"

Een antwoord van man tot man

Wie toén, als eerlang Simeon "de vertroosting van Israël verwachtte" (Luc. 2 : 25) kon het daarom nu weten - en zonder, als Simeon zo'n dertig jaar terug in geestvervoering te geraken bij het visionaire: "mijn ogen hebben uw heil gezien."
Want de Heiland staat zichtbaar, tastbaar vlak voor hen.
Wie Johannes had gezien en gehoord, had niet een bevend riet noch een broodprofeet gezien, maar "de Elia die komen zou", de bode, voorloper, wegbereider van Gods Gezalfde: de Messias.
Terug nu naar die vraag. Een vraag van mán tot mán: zijt gij het ... of hebben wij een ander te verwachten?
En het antwoord. Een antwoord van mán tot mán: "zeg ... : blinden worden ziende, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden worden opgewekt en (de climax) armen ontvangen het evangelie" (vgl. Luc. 4 : 18, 19 = Jes. 61 : 1,2).
Johannes had geëgd en geploegd en gezaaid - nu komt het gewas op. Johannes had hun de biecht aangezegd, in de woestijn, in woestijnkleding, levend van wat de woestijn te bieden had (Mc. 1 : 8).
Een boetgezant die Israël de biecht aanzei. Een Elia die nog voor geen Herodes bang was, zo min als zijn voorganger voor Achab. Maar zoals zijn voorganger Elia de weg bereid had voor zijn opvolger Elisa (met zijn "huis, tuin- en keukenwonderen" - naar prof. B. Holwerda) zo volgt Jezus (Jahweh redt) Johannes (Jahweh is genadig).
Na de boetgezant (de bijl ligt al aan de wortel der bomen) het lijfelijk Evangelie, het vleesgeworden Woord - nog geen zes maanden uit elkaar!

Gód geopenbaard in het vlees

En niet maar een nieuwe bode, maar het heil, de Heiland zèlf: de lijfelijke vertroosting Israëls, méér dan Jes. 40 : 1 v.v., Eén die zijn volk zijn vlees te eten, zijn bloed te drinken zou geven om hun wezenlijke honger en dorst te stillen.
Om Gods vrede op aarde te brengen en Gods welbehagen in mensen tastbaar te maken.
" ... armen ontvangen het evangelie".
Armen: zachtmoedigen, ootmoedigen, terneergebogenenalles wat maar het tegendeel is van hoogmoed. Armen - want wat zag Jezus voor zich? Luister: "toen hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben" (Mt. 9 : 36).
Wat Johannes, de grootste der profeten, nog vrágen moest: "zijt Gij het die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten", dat wéét "de kleinste in het koninkrijk der hemelen", de simpelste ziel: déze is het - "zie, deze is onze God, van wien wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen; dit is de HERE, op wien wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft" (Jes. 25 : 9). In déze Jezus, die armen het evangelie doet ontvangen, is Gods Woord vlees geworden. Wie nu nog "een ander" verwacht, wacht tevergeefs. Want het heil is onder de mensen verschenen. God - niemand heeft ooit God gezien, maar de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is (die God van zeer nabij kent), die heeft Hem ons doen kennen (Joh. 1 : 18)!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief