Zo was het (23)

1978-12-15
  • Jaargang 22
  • nummer 47
In het vorige praatje (artikeltje in de krant) heb ik het gehad over Matth.22 : 14: "Want groot is het getal van geroepenen, maar klein het aantal verkorenen". Ik wil daaraan nog iets toevoegen. Men zou kunnen zeggen: De verkiezing is voor de gelovigen toch een zaak van het verleden? Kan het uitgekozen worden in deze tekst nu wel toekomstig zijn? Kan het wel betekenen, dat in verhouding tot de massa geroepenen het getal klein zal zijn van hen, die worden gekozen of zullen gekozen worden om in te gaan in de eeuwige heerlijkheid? Naar mijn overtuiging kan dat heel goed.
Theologen zijn geneigd om aan een woord altijd dezelfde betekenis te hechten. Verkiezing is volgens hen in de Bijbel altijd verkiezing van eeuwigheid.
In elk geval een zaak van het verleden. Dan zou het verkozen worden in Matth. 14 dus niet kunnen betekenen: gekozen worden aan het einde der dagen.

Maar laten we eens kijken naar andere woorden. Bijv. wedergeboorte.
Algemeen leeft de gedachte, dat wedergeboorte is het allereerste begin van levensvernieuwing. Maar in Matth. 18 : 29 betekent het woord wedergeboorte de vernieuwing van hemel en aarde, wanneer "de Zoon des mensen zal zitten op de troon van Zijn heerlijkheid". Dus heel wat anders dan wat wij gewoonlijk onder wedergeboorte verstaan.

Een ander voorbeeld is de betekenis van zaligheid, beter: redding. Wie in de Here Jezus gelooft is gered. Zoals er staat in Ef. 2 : 8: "Want uit genade zijt gij gered". Met geloof is de redding begonnen. Maar in Fil. 2 : 12 lezen we: "Blijft uw redding bewerken". We zullen dus voortgaan onze zaligheid of redding te werken. Niet in het verleden maar in het heden.
Terwijl de Here Jezus de redding plaatst in de toekomst, als Hij zegt: "Wie volharden zal tot het einde zal gered worden". Onze redding is dus een zaak van verleden, heden en toekomst. En zo kan verkiezing duiden op een daad Gods in het verleden, maar ook in de toekomst. Zoals in Matth. 22.

Over verkiezing is nog veel meer te zeggen. Wanneer we daarover spreken hebben we het niet over een dor en moeilijk leerstuk, maar over de verkiezende God. Over de Vader van onze Here Jezus. Over diens verkiezende liefde. Over Zijn Welbehagen of Heilswil. Geleerden en ongeleerden hebben van verkiezing een leer gemaakt. Meestal vol van dreiging en angstwekkend. In elk geval zwaar om te verstaan. Waarover men liever maar niet spreekt. Er zijn voorgangers, die beweren dat de verkiezing behoort tot de "verborgen dingen" die voor de HERE onze God zijn". Maar ik zeg rustig dat dit niet waar is. In Deut. 29: 29 is sprake van die "verborgen dingen". Die voor de HERE zijn. Wat de toekomst brengen zal is voor ons verborgen. Dat weet God alleen. Hoe oud we zullen worden, of we gezond of ziek zullen zijn, enz. enz., dat is ons niet geopenbaard. Dat is niet bekend aan "ons en onze kinderen". Voor ons heeft de HERE geopenbaard Zijn beloften en eisen. Onder het O.T. door Mozes. Dat alles is ons veel duidelijker geopenbaard door Jezus Christus.
Door het Evangelie. En daartoe behoort ook, dat God in Zijn verkiezende liefde naar ons heeft omgezien. En dat Hij niet wil dat wij verloren gaan.
En dat wij daarop vertrouwend Hem zullen kennen in al ons doen en laten. Dan zal Hij ons door alles heen helpen. Tot in eeuwigheid.

Het is een wonderlijk geval. De HERE openbaart ons in de Schriften Zijn verkiezende liefde. En zouden wij daarvan moeten zwijgen? In dat zelfde boek Deuteronomium, waar sprake is van de "verborgen dingen", wordt ook gesproken van verkiezing. Ik denk aan Deut. 7. Waar de HERE tot Zijn volk zegt, dat het zich niet moet vermengen met de heidenen.
Waarom niet? Omdat het een volk is, dat bij HEM behoort. Omdat zij het volk van God zijn. En waarom zijn zij het volk van God? Omdat Hij hen daartoe verkoren heeft. Het staat zó in Deut. 7: "Gij zijt een volk, dat voor de HERE uw God heilig is; u heeft de HERE uw God uit alle volken op de aarde uitverkoren om zijn eigen volk te zijn. Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de HERE Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken. Maar omdat de HERE u liefhad en de eed hield, die Hij uw vaderen gezworen had, heeft de HERE u met een sterke hand uitgeleid en u verlost uit het diensthuis, uit de macht van Farao, de koning van Egypte. Opdat gij zoudt weten, dat de HERE uw God de enige God is, de trouwe God, die het verbond houdt en de goedertierenheid jegens hen, die Hem liefhebben en zijn geboden onderhouden, tot in duizend geslachten; maar aan ieder persoonlijk van hen die Hem haten, oefent Hij vergelding door hen te gronde te richten. . . Onderhoud dus de geboden van de HERE, die ik u heden gebied na te komen."

Hieruit leren we in elk geval twee zaken: Ie. Geen volk of mens heeft het aan zichzelf te danken, dat hij mag behoren tot het volk van de HERE. Gods onverdiende liefde is de bron van heil. Wij kunnen niet verklaren waarom Israël het verkoren volk van God was. Zo heeft het God behaagd. En dat geldt ook van de gemeente van de Here Jezus.
2e. Dat Israël verkoren is om Gods volk te zijn is geen vanzelfsprekende waarborg, dat het behouden zal blijven. Het mag rekenen op Gods beloften.
Maar het heeft zich ook te houden aan de eisen van Gods verbond.
Als het volk van zijn kant de HERE liefheeft, Hem dient, als een heilig volk leeft, dán zal het gezegend worden. Dán zal het in het beloofde land komen. Het zal Gods verkiezende liefde niet moeten beschamen.
Maar als het de HERE verwerpt, dan zal Hij het ook verwerpen. Als het moppert en opstandig wordt en terug verlangt naar de vleespotten van Egypte, dan zal het in de woestijn omkomen. Zoals het ook in de wildernis omgekomen is.

Dat wilde niet zeggen, dat het voor altijd met dat volk afgelopen was. De HERE heeft een volgend geslacht weer verkozen om in het beloofde land binnen te gaan. Maar het blijft gelden: een geslacht of generatie, die de HERE en Zijn liefde afwijst en de rug toekeert zal vergaan.

Misschien zal iemand zeggen: Zo was het onder het Oude Verbond. Zo stond het met Israël, dat leefde onder de Wetsbedeling. Maar met de gemeente of het volk Gods onder het Nieuwe Testament of Verbond zal het toch wel anders staan? Ik durf rustig zeggen, dat het zo met de gemeente nog staat. Als bewijs voor mijn bewering haal ik aan een duidelijke tekst uit het N.T. 1 Petrus 2 : 9: "Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk van Gods eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; u, eens niet Zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen".

Dat schreef Petrus in zijn dagen aan gelovigen, die het Evangelie gehoorzaam geworden waren. Vroeger waren ze heidenen, levend in de duisternis. Zonder God en zonder hoop in de wereld. Maar door het Evangelie, door Gods verkiezende liefde, waren ze getrokken tot het wonderlijke licht van Zijn genade. Een volk van koningen en priesters. Daar lag een ontzaggelijk voorrecht in. Wat een zegen verkoren te zijn, geroepen te zijn en te staan in de zon van Gods ontferming. Uit louter genade.
Zonder enige verdienste, ja tegen alle verdienste in. Alle roem is eenvoudig uitgesloten, onverdiende zaligheên hebben zij van God genoten.
Ze konden alleen maar roemen in Gods vrije gunst.

Maar daarin ligt ook een grootse roeping. Om de grote daden van God te verkondigen. Om als profeten Zijn naam te belijden. Om als koningen en koninginnen te strijden tegen alle ongerechtigheid. Om als priester Hem te dienen en hun leven te offeren. Om zo levende brieven van Jezus Christus te zijn. Om niet in hun oude plunje door te blijven lopen maar een feestkleed aan te trekken. Om de oude mens af te sterven en als nieuwe mensen op te staan.

Ook voor ons is het een machtig voorrecht bij de gemeente van de Here Jezus te behoren. Wij hebben dat niet verdiend, maar alles verbeurd.
Maar ook voor ons is er een grootse roeping. Om af te leggen elke zonde, die bij ons op de loer ligt. Om te jagen naar de heiligmaking. En om zo onze roeping en verkiezing vast te maken. En over dit laatste wil ik nog iets zeggen of liever schrijven.

Bovengenoemde woorden komen voor in 2 Petr. 1 : 10: "Beijvert u daarom des te meer, broeders (en zusters) om uw roeping en verkiezing vast te maken of te bevestigen; want als gij dit doet, zuIt gij nimmer struikelen.
Want zó zal u rijkelijk worden verleend de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van onze Here Jezus Christus".
Dat lijkt een vreemde gedachte: onze verkiezing vast maken oftewel bevestigen.

Eeuwen lang is er bij de gemeente ingehamerd of ingepoot om zo te zeggen: Uw verkiezing ligt vast in Gods eeuwige, verborgen raad of besluit. In sommige (of vele?) kerken is het verkondigd: zijt gij verkoren dan zijt gij verkoren. En dan wordt ge automatisch behouden. Dan hebt gij de schaapjes op het droge. Dan zijt gij binnen. En binnen is binnen.
Dan kunt ge de handen wel over elkaar leggen en in rust verder leven.
Ge zult het eeuwige Koninkrijk van God beërven krachtens een wet van Perzen en Meden, die onveranderbaar is. Neen nog sterker, krachtens een onwrikbaar raadsbesluit. Een lotsbestemming van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Dat was dan gelukkig voor de verkorenen. Althans voor hen, die aan de weet kwamen, dat hun namen stonden in het boek der verkiezing tot eeuwig leven. Alleen maar, daar was moeilijk achter te komen. Eigenlijk had niemand volstrekte zekerheid persoonlijk verkoren te zijn. Wie kon in Gods verborgen raad een kijkje nemen? Ik heb wel eens iemand ontmoet, die door kenmerkenonderzoek er achter kwam. Soms ook maar voor een tijd. Ik heb ook wel iemand gekend, die in diepe donkerheid heenging.

Zulk een besluit was dan wel mooi voor verkorenen. Maar als iemand nu eens van eeuwigheid verworpen was? Dat kon toch ook. En daaraan was ook niets te veranderen. Dát stond ook van eeuwigheid, onwrikbaar vast.
In een "verschrikkelijk besluit", zoals dat genoemd werd. Zo werd in sommige kerken gepreekt. Zo wordt nog in sommige (of vele?) kringen gedacht. En waarschijnlijk leeft dat nog voort in veler gedachten. Men kan toch maar nooit helemaal zeker zijn van z'n verkiezing, zo meent men.

Stelt u zich gerust. Zó is de HERE niet. Zó is de Vader van onze Here Jezus Christus niet. Hij is een God van eeuwige liefde. In Zijn verkiezende liefde heeft Hij ons geroepen tot het licht van Zijn genade. Onze voorvaders waren heidenen. Tot hen is het Evangelie gekomen. Dat was verkiezing.
Daar heeft God voor gezorgd. En daaraan is het te danken, dat ook wij die Blijde Boodschap mogen kennen. De Boodschap van vergeving en leven. Daardoor mogen wij het weten, dat God geen plezier heeft in ons verderf, maar in ons leven. Hij heeft behagen in ons behoud. Door het gelóóf mogen we weten te behoren tot Zijn verkoren volk. Dat wij gedoopt zijn, dat wij bij het Evangelie zijn opgevoed, dat wij het mogen geloven. Dat is vrucht van Gods verkiezende liefde.

Maar dat heeft God niet gedaan om ons nu zonder vrucht en zonder werk te laten. Wij mogen niet als werkelozen toezien, tot de HERE ons opneemt in Zijn heerlijkheid. Wie er zo over zou denken, maakt van Gods verkiezende liefde een duivels oorkussen. De HERE zegt: Ik riep u, ik verkoor u. Maar maakt die roeping en verkiezing nu ook vast. Wij worden verkozen en geroepen tot dienst. Wij worden geroepen om "heilig en onberispelijk te zijn voor Zijn aangezicht". Wij mogen, maar moeten ook, zorgen dat wij in vaste dienst komen van de HERE. Hoe? Dat kunnen we lezen in 2 Petrus 1 : 5: "Schraagt met betoon van alle ijver door uw geloof de deugd, door de deugd de kennis, door de kennis de zelfbeheersing, door de zelfbeheersing de volharding, door de volharding de godsvrucht, door de godsvrucht de broederliefde en door de broederliefde de liefde jegens allen". Kort samengevat: Bevestigt uw roeping en verkiezing door een leven naar aanwijzing van het Evangelie. Staat op tot de vreugde van de dienst van God. Tot roem, niet van onszelf, maar tot roem van Gods welbehagen.

Mogelijk de volgende keer verder over deze tekst.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief