Dupliek aan Dr Arntzen (2)
1975-01-03
In dit tweede gedeelte ga ik verder met mijn beantwoording van dr Arntzen. De Bijbel (en vooral het Oude Testament) neemt ons over een lange weg bij de hand om ons te leren wat geschiedenis is: het door het Woord van God bevruchte gebeuren dat, geholpen door eindtijdelijke toespitsingen, op een doel afstevend. Dat doel is ontmaskering; duidelijk moet worden wie God dient en wie Hem niet dient. In deze zin kan het Oude Testament frappant behulpzaam zijn bij het verstaan van onze situatie en de weg die wij vandaag gaan. Daarvan nu een voorbeeld.- Jaargang 19
- nummer 1
Paulus en Habakuk
Onlangs, rondom Hervormingsdag, hield ik me nog eens bezig met het bekende woord uit Paulus' brief aan de Romeinen (1 : 17) en uit die aan de Galatiërs (3 : 11): "de rechtvaardige zal uit geloof leven". Dit is een aanhaling van de apostel uit de profetie van Habakuk (2: 4b). Opvallend is het verschil in situatie waarin Habakuk en Paulus het woord gebruiken.
Bij Paulus is het een adagium in zijn strijd tegen de Judaïstische theologie, die leerde dat de mens zich voor God en zijn omgeving waarmaakt door prestatie.
Wij accociëren het bekende woord onmiddellijk met deze vroegchristelijke strijdsfeer. Luther's gevecht met de Middeleeuwse theologie vertoont daarmee zo sterke overeenkomst, dat we bij Paulus vandaan komend, geen verandering bemerken. Belangwekkend is nu, na te gaan hoe het woord in z'n oorspronkelijk verband, bij Habakuk dus, werkzaam is geweest. Dat was in een situatie, die ons, eerlijk gezegd en' vreemd genoeg, nader staat dan Paulus' en Luther's strijd.
Om daar kort op in te gaan, Habakuk leefde in de tijd na de val van Assyrië (612 v. Chr.) en vóór de opkomst van het het neobabyIonische rijk van de Chaldeeën, die Juda aan het begin van de 6e eeuw vóór Christus naar Babel hebben weggevoerd. Habakuk maakte in Jeruzalem het corrupte bestuur van koning Jojakim mee en in het begin van zijn boek klaagt hij daarover bij God. De Here antwoordt, dat Hij de Chaldeeën zal sturen. Habakuk vindt, dat de rechtvaardigen zo van de regen in de drop komen. En ziedaar, zijn probleem: "Gij die te rein van ogen zijt om het kwade te zien, ... waarom zwijgt Gij als de goddeloze verslindt hem die rechtvaardiger is dan hij?" (1 : 13).
Is dan de geschiedenis een blinde afwisseling van de ene goddeloosheid na de andere? Waar blijft God? "Gij zijt toch van ouds, Here, mijn God, mijn Heilige, Gij sterft toch niet?" ('Wij sterven niet' is een verzachting van de Schriftgeleerden, die het oorspronkelijke te boud vonden). De aanvechting loopt wel hoog op in Habakuk één.
De profeet krijgt dan in het vervolg een nieuwe godsspraak, in de vorm van een vijfvoudig 'wee', dat aan de goddelozen in binnen en buitenland wordt aangezegd.
Maar in de inleiding op dit orakel deelt de Here terloops aan de profeet een vermaning uit: de rechtvaardige moet geduld hebben, moet niet opgeblazen worden, zal door zijn geloof leven. Habakuk ging toch wel te ver met zijn verwijtende vraag of God misschien ook dood was, al kwam dat dan ook, doordat de goddeloze hem als wijn naar het hoofd gestegen was. Denk erom, rechtvaardige, bewaar je verbondsfatsoen tegenover God! Er is alleen leven door geloof en geduld.
Dit is allemaal erg dichtbij. Ook wij leven als Habakuk in een eindtijd. Ook wij kunnen de geschiedenis ervaren als een dom gevecht tussen lood en oud ijzer, bijvoorbeeld het corrupte westen en het wreedaardige oosten, en we vragen vertwijfeld: waar blijft God? Ook ons wordt gezegd, dat wij geduld moeten oefenen, door geloof moeten leven. Gods 'dag komt over alle goddeloosheid.
Het vreemde is, dat we ons zonder moeite terug-herkennen in Habakuk's situatie en probleem.
En dat, terwijl Habakuk toch een profeet was met een kleine Jeruzalemse horizont. Maar wat een wereldpolitieke belangstelling! Habakuk is daarin onze tijdgenoot, meer dan Paulus. Terwijl die toch 'n wereldburger was. in Rome gewoond en gewerkt ·heeft. Paulus had weinig wereldhistorische belangstelling.
Hij gelijkt daarin op Mozes, die met volle aandacht over zijn wordende volk heengebogen stond en daaraan de handen vol had. Paulus leefde trouwens ook in een wereldpolitieke windstilte, vergeleken bij de tijd van de profeten en die van ons.
Maar wat doet de apostel dan met dat woord uit Habakuk? Na Jezus' kruis en opstanding steekt hij ermee af naar de diepte en radicaliseert hij het in de verticale verhouding tussen God en mens: Geloof in de gave Gods, in de gegeven Christus, is de enige houding die voor de mens overblijft, nadat hij volkomen veroordelenswaardig is bevonden.
Mij dunkt, deze Paulinische verdieping en radicalisering kunnen wij vandaag niet missen, nu de situatie van Habakuk zich in onze wereld heractualiseert. (Want de geschiedenis herhaalt zich niet zomaar; in de zich herhalende motieven verdiept ze zich). In de ten hemel schreiende baaierd van onrecht en verdrukking, die de hedendaagse geschiedenis is, wordt de zuigkracht van het activisme (doe er iets aan; op God valt niet te wachten!) zeer, zeer sterk. De rechtvaardige zal uit geloof leven - dat is voor het nieuwe judaïsme een lachertje. Maar wie Jezus Christus als de gestorvene en opgestane kent, wordt door dit woord herboren tot een levende hoop: We wachten, met de opstanding van Jezus in de rug, niet vergeefs op God.
Zo moeten we de profetische breedte, die ons vandaag zo aanspreekt, combineren met de paulinische diepte. Hoe heilloos, zo voeg ik daar aan toe, zien we vandaag de christenheid uiteen liggen in warmlopers voor profetische breedte en voorstanders van paulinische diepte! Nog steeds worden de testamenten uit elkaar gerukt.
Het woord-op-zijn-tijd
Het gaat mij om een historische benadering van de Heilige 'Schrift: het zo nauwkeurig mogelijk nagaan van de situatie waarin het Woord Gods is gesproken en het van daaruit zoeken naar herkenningen, omdat ik geloof dat de bijbelse geschiedenis niet iets toevalligs heeft, maar een soort model is van wat geschiedenis in het algemeen voorstelt, Het gevaar is daarbij natuurlijk, dat je datgene, waarbij de vonk van de herkenning niet overspringt, laat ligggen als nietactueel, bijvoorbeeld het Spreukenboek, dat een zeer stabiele samenleving tot achtergrond lijkt te hebben. Voor dat gevaar moeten we dan .op onze hoede zijn, want de hele Schrift, elke Schriftuur is nuttig tot velerlei (2 Tim. 3: 16).
Neem nu wat Paulus geschrever heeft over de gehoorzaamheid aan de overheden (Rom. 13). Dit is duidelijk gezegd in een situatie, waarin de christenen geen invloed op het regeren hadden.
Toen ze die wel kregen. moesten er, behalve Rom, 13, meer en ook andere dingen worden gezegd, want Rom. 13 bevat meer een gedragslijn voor de onderdanen dan voor de overheid zelf. Het is terecht dat men voor dit laatste, de christelijke staatkunde dus, te rade ging bij de israëlietische theocratie in het tijdperk der koningen.
In onze tijd naderen we weer de situatie, dat de christenen (nog niet als burgers, maar toch als belijders) van het regeren worden uitgesloten. Toch keert daarmee de situatie van Rom. 13 niet terug. Veeleer komt een overheid à la Openb. 13 binnen het gezichtsveld: de antichristelijke staatsmacht, die om Gods wil niet meer gehoorzaamd mag worden wat voor de belijders uitloopt op vervolging en verdrukking.
Betekent dit nu, dat alsdan Rom. 13 elke actualiteit verloren zal hebben? Zeker met! Want het leert ons ook dan en vooral dan, dat de gedwongen ongehoorzaamheid van anarchistische trekken moet vrij gehouden worden. Zoals Mozes als leider van een slavenopstand ten opzichte van de verdrukker van zijn dagen heeft kunnen zeggen: de farao van Egypte heb ik altijd geëerd.
Het gaat mij om historische profilering van het Schriftgetuigenis.
En men gelieve wat ik een vorige maal heb gezegd over nuances in geïnspireerdheid van de Schrift in deze zin op te vatten. Het gaat me niet om verzwakking van enig Schriftgedeelte. Het gaat me om het Woord-op-zijn-tijd.
Laat men daarbij van mij aannemen dat ik de Verontrusten een goed en warm hart toedraag. Ik heb kritiek op hen; ik vind ze inderdaad te negatief en te ouderwets.
Maar ze hebben liefde tot de Schrift. En daar wil ik bij aansluiten. Dr A. schrijft: "Intussen hebben we de indruk overgehouden dat De Jong zich niet kan inleven in de diepe smart die velen in de syn. gereformeerde kerken hebben." Het zij zo; niet ieder toont blijkbaar zijn gevoelens even duidelijk. Toch bedoel ik met heel mijn Schriftbehandeling, in welke vorm ook, ook de Verontrusten met brood en water tegemoet te komen in de woestijn.
Misschien tenslotte, vindt iemand mij wel' eens te apocalyptisch.
Hèt woord 'eindtijdelijk' komt nogal eens voor. Zou het kunnen zijn, dat mijn amsterdamse woonen werk-situatie hierin een rol speelt? Als de president van de republiek Amsterdam een bede 111 ziin 'troon'rede zou opnemen, zou dit in ieder gevál een leugen zijn.
Ik bedoel dit niet persoonlijk maar ambtelijk. Ik ben dus amsterdams beïnvloed. Neem dat maar voor lief en trek de overdrijving er maar van af.
Dr A. schreef: "We vinden in De Jong's betoog ... nogal wat bouwstenen verspreid liggen, maar we vragen ons af, hoe komt het huis er straks uit te zien." Ik ben me bewust, dat ik meerdere belangrijke punten in het betoog van dr A. heb laten liggen. Ik heb dat gedaan om aan zijn hoofdvraag voorrang te verlenen. Zit er een systeem achter Uw bijbelgebruik, vraagt hij eigenlijk. Aarzelend zeg ik hierop ja. Ik zoek en vind soms iets.