"Oecumenisch onderwijs" en Kommunisme
1975-01-10
Wie de kranten goed heeft gevolgd is er van op de hoogte dat het conflict over een kommunistische godsdienstleraar in Zwolle nog lang niet ten einde is. Het bestuur van de school en een overweldigende meerderheid van de ouders der leerlingen heeft uitgesproken dat deze leraar niet kon gehandhaafd worden. Het bestuur heeft hem daarna op grond van zijn kommunist-zijn ontslag aangezegd.- Jaargang 19
- nummer 2
Maar die leraar is in beroep gegaan bij de "Commissie van beroep", welke uitspraak moet doen over het al of niet rechtmatige van een ontslag. We hebben ook het verslag van de openbare vergadering van die commissie en de pleidooien die voor en tegen zijn gevoerd kunnen lezen.
Er is over deze kwestie dus al veel te doen geweest en dat is nog het geval. Trouw bood ons een artikel waarin in feite een eventueel ontslag werd afgekeurd.
De voorzitter van de overkoepelende organisatie van christelijke onderwijzers en leraren liet zich in gelijke geest uit. En we hebben ook al weer kunnen lezen dat de PvdA. de PPR, de PSP en natuurlijk - vooral de CPN een ontslag heftig bestreden, Zo'n ontslag zou een aanval zijn op de geestelij ke vrijheid die in ons land moet heersen. Het zou een gebrek zijn aan tolerantie enz.
Ook een aantal theologen en theologanten - deze lieden komen steeds meer tot de overtuiging dat zij krachtens hun theoloog zijn zich met allerlei zaken in staat en maatschappij moeten bemoeien - velden een vernietigend vonnis over wat het bestuur van de Carolus Olusius-College en 90% van de ouders hebben gedaan.
Er zijn aan deze kwestie enkele aspecten die een betekenis hebben welke vèr en vèr uitgaat boven die van een plaatselijk conflict.
Ik durf zeggen dat die zelfs het welzijn, in laatster instantie ook het voortbestaan van ons volk als vrije, democratisch geregeerde natie raken. En dat ze, wat van nog veel meer belang is, ook het voortbestaan van een waarlijk christelijke gemeenschap en kerk in ons land bedreigen. Daarom wil ik er hier nader op ingaan.
Om daarmee te beginnen: de betrokken leraar - ik noem geen naam, 'de persoon doet er niet toe - was lid van de ABOP, de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel. Van die bond kan volgens art. 5 van de Statuten ieder lid worden "die de grondslagen en doelstelling van de bond onderschrijft." Het bestuur van deze bond schrijft daarom alleen dan een onderwijzer of leraar als lid in "als het aanneemt dat d betrokkene aan de vereisten van in art. 5 gesteld voldoet."
Wat zijn nu de grondslag en het doel van deze bond?
Ze worden glashelder en keihard in de Statuten van deze bond omschreven.
Men hore! "De behartiging van de belangen van het onderwijs en de opvoeding in het algemeen en die van het openbaar en daarmee gelijk te stellen onderwijs in het bijzonder.". En onder de middelen die deze Bond nastreeft behoort "in het bijzonder te streven naar het organiseren in één vereniging van het gehele onderwijzend personeel werkzaam bij het openbaar en daarmee gelijk te stellen onderwijs."
In de Beleidsnota van de ANOB, gepubliceerd in "Het Schoolblad", weekblad van de ANOB (het extra nummer van 26 sept. 1974), wordt deze doelstelling nader omschreven met deze woorden: "De Bond stelt zich onverkort achter de algemene school. Pogingen om de verstarde verhoudingen op levensbeschouwelijke grondslag te doorbreken " volgt het hoofdbestuur met veel interesse en instemming."
Dit betekent dat de ANOB met alle kracht streeft naar de zogenaamd "algemene" in feite "neutrale"
school. Wat zakelijk wil zeggen: naar de ondergang van de Christelijke scholen, zowel van de Protestantse als van de Rooms-Katholieke.
lk voeg hier nog bij dat de CPN van ganser harte met het doel van de ANOB instemt. In een brochure van deze partij wordt gezegd: "Het openbaar onderwijs zal met elke kracht bevorderd worden, met het doel het onverdeelde onderwijs te verwezenlijken."
De bedoelde leraar is nu, zoals gezegd, lid van deze pond. Maar hij heeft bij zijn aanstelling als leraar van het Carolus Clusius-College óók ondertekend zijn "akte van benoeming". En daarin staat geschreven dat hij als leraar daarvan zijn funktie zal vervullen "in overeenstemming met de grondslag en het doel der vereniging, zoals deze zijn omschreven in de statuten." En voorts dat hij zou voldoen aan alle eisen "welke gezien grondslag, doel, aard en milieu van de school ter zake van onderwijs en gedragingen redelijkerwijze aan hem kunnen worden gesteld."
Als men zich goed realiseert wat 'het serieuze lid-zijn van de ANOB inhoudt en wat het serieuze ondertekenen van de benoemingsakte van deze positief christelijke school betekent, zal ieder nuchter en oprecht mens alleen maar kunnen oordelen: deze beide verhouden zich als water en vuur, ze zijn zonder meer onverenigbaar.
Maar dit alles, hoe ernstig ook, raakt nog niet de kern van de zaak waarom het hier gaat. Die bestaat daarin dat deze leraar overtuigd lid is van een kommunistische partij.
Het is van belang ook wat dit betreft nauwkeurig op de gang van zaken te letten.
Op 1 augustus 1970 ontving deze leraar een tijdelijke aanstelling als zodanig. Nadien werden ernstige klachten tegen zijn onderwijs door ouders van leerlingen ingebracht, Het bestuur van de school voerde daarover gesprekken met hem. Omdat het bestuur daarbij niet de gewenste duidelijkheid verkreeg ging het op 1 augustus 1972 niet tot een vaste aanstelling over maar verlengde de tijdelijke. In voortgezette gesprekken met de schoolcommissie op 6 november 1972 verzekerde de leraar evenwel dat hij kon instemmen met de beleidsnota voor het christelijk karakter van school en onderwijs zoals deze door het bestuur was vastgesteld en nader was toegelicht in een docentenvergadering van 3 mei 1972. De leraar zegde toen toe zich overeenkomstig het in die stukken gestelde te zullen gedragen. Hij gaf daarbij toe dat door hem fouten waren gemaakt welke hij toeschreef aan zijn onervarenheid.
Op grond van een en ander besloot het bestuur toen deze leraar een vaste aanstelling te geven, ingaande 1 januari 1973.
Tot stomme verbazing van het bestuur vernam het veel later dat deze leraar in dezelfde maand waarin het deze leraar een vaste aanstelling gaf, lid - en dan wel in het geheim - van de kommunistische partij was geworden.
Op grond van dit lidmaatschap van de kommunistische partij zegde het bestuur deze leraar nu onlangs ontslag aan. Met overgrote meerderheid van stemmen stelde, zoals gezegd, de ouders zich achter dit bestuursbesluit.
En nu is het wachten op de uitspraak van de Commissie van Beroep aan welke de leraar in kwestie de vernietiging van zijn aangezegd ontslag heeft aangevraagd.
Er is in verband met het zwolse conflict evenwel één ding gebeurd dat vooral de volle aandacht verdient.
Het is naar mijn overtuiging het belangrijkste. Ingrijpender nog dan het feit dat een officiëel lid van de kommunistische partij leraar is van een positief christelijke school. Ik heb, dit zeggend, het oog op het optreden van een aantal leraren van het Carolus Clusius College die het voor hun ontslagen collega opnamen. En dan in het bijzonder op de argumentatie die ze voor hun adhesie met de ontslagene aanvoerden.
Zij schrijven namelijk o.a. het volgende: "Als er een groep ouders is, die onoecumenisch en intolerant staat tegenover medechristenen, in dit geval leraren met van hen afwijkende meningen, waarom trachten zij dan een van oorsprong oecumenische school stuk te maken en om te buigen in hun richting?
Zou het - want zij voelen zich in hun geweten verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen - dan niet beter zijn als zij, terwille van hun principes een eigen, aparte school gingen vormen?
Zowel in het optreden van het bestuur als (en dat nog sterker) in het optreden van een aantal ouders zit een stuk dwang die strijdig is met het oecumenisch karakter van de school en die een gewetensvol handelen van velen op de school ernstig bemoeilijkt.
Heerst hier de wet van de sterkste met als resultaat wijken of doen wijken, of kunnen we hier regelend optreden zodat het geweten van iedere betrokkene aan zijn trekken komt?
Laten we in- schoolverband niet trachten te verenigen wat in kerkelijk verband onverzoenlijk blijkt te zijn. Wij verkiezen - hoewel met pijn - twee typen van christelijk onderwijs: het oecumenische naast een type dat niet oecumenisch open wenst te staan voor nieuwe ontwikkelingen, bóven een proces waarin het bestaande overeenkomstig de grondslagruime en tolerante en christelijk onderwijs verengd wordt tot een zaak waar overtuigde geëngageerde christenen uit weggezuiverd zijn."
Tot zover deze leraren.
Er zou over wat in dit citaat beweerd wordt heel veel te zeggen zijn Men overwege maar eens de suggestie dat de ouders die het met het ontslag van de kommunistische leraar accoord gaandie vormen ongeveer negentig procent van het totaal! - maar een nieuwe school moeten oprichten!
Maar we gaan daaraan en andere zaken voorbij en houden ons alleen met de hoofdzaak bezig.
En die bestaat hierin dat deze leraren de opvatting huldigen dat het christelijk oecumenische karakter van de school zoals zij dat zien insluit dat een overtuigde kommunist - zo moet men uiteraard een leraar-godsdienstonderwijs die lid van de kommunistische partij is beschouwen- - op een christelijke school, die als grondslag van alle daarin" gegeven onderwijs aanvaardde "de beginselen neergelegd in de Heilige Schrift zoals deze ziin samengevat in de apostolische geloofsbelijdenis", overeenkomstig die grondslag van de school daarin onderwijzend en opvoedend kan werkzaam zijn. Dit eist volgens hen de ware christelijke oecumeniciteit.
Nu moet gezegd worden dat er inderdaad heel veel mensen zijn die deze overtuiging delen en in praktijk brengen.
Bij voorbeeld onder de vooraanstaande figuren van de Wereldraad van Kerken.
Zoals men weet is bij die Wereldraad ook aangesloten de Russisch Orthodoxe Kerk. Hoe de houding van de Russische machthebbers ten opzichte van de kerk is werd duidelijk beschreven in een rapport van de bekende organisatie "Amnesty International". Ik heb dat onlangs in ons blad gepubliceerd.
Het volstrekt enige wat aan de kerken in Rusland wordt toegestaan is de eredienst. Iedere vorm van godsdienstonderwijs aan kinderen en jonge mensen is haar verboden. Alle kinderen worden op alle scholen van jongs af intensief geïndoctrineerd met de kommunistische ideologie. Iedere godsdienst wordt daar bestreden.
Ook is iedere vorm van propaganda en evangelisatie de kerk verboden. Voorts mag geen enkele ambtsdrager van een kerk benoemd worden zonder de goedkeuring van de overheid. En geen enkele kerk mag als zodanig in een plaats optreden dan nadat de ledenlijst daarvan bij de plaatselijke overheden is ingediend en zo'n kerk door die instanties is erkend. Deze erkenning kan zonder opgave van redenen worden geweigerd.
De hoogste autoriteit in de Russisch-Orthodoxe kerk is momenteel de patriarch van Moskou, Pimen.
Volgens “Trouw" heeft deze onlangs in een interview, gepubliceerd in het Finse blad "Helsinkin Sanomat" o.a. het volgende gezegd: De orthodoxe kerk in Rusland leeft "haar gewone normale leven". De verhoudingen tussen kerk en staat in Rusland zijn, zo verklaarde hij, "normaal". Gevraagd naar de godsdienstige opvoeding van de jeugd wees hij erop, "dat deze uitsluitend plaats vindt in de kerk door eredienst en 'prediking en in de gelovige gezinnen.
"Op geen andere wijze houdt onze kerk zich met de "jeugd bezig, want de gelovige jeugd krijgt, evenals alle andere jongeren in ons land, van de Sovjetstaat de grootst mogelijke gelegenheden, hun geestelijke en fysieke vaardigheden ten volle te ontwikkelen."
Wanneer men de werkelijke situatie van de kerk en de christenen uit het rapport van Amnesty Internationaal heeft leren ken en, en men hoort het verhaal van Pimen beseft men er iets van tot welk een onwaarachtigheid en karakterloosheid het pacteren van kerk en christenen met kommunisten en kommunistische partijen leidt - en leiden moet.
Ik wil als slot van dit artikel iets citeren van de christen-schrijver Anatoly Levitin-Krasnow.
Deze was jarenlang leider van het christelijk verzet in Rusland. Hij verbleef zowel tijdens Stalins regering als daarna lange periodes in een strafkamp. Hij richtte zich meermalen tot het Vaticaan en de Wereldraad van Kerken met smeekbeden om iets te doen voor de verdrukte kerken en christenen in Rusland. Enkele maanden geleden kwam hij in het "Westen".
In een interview dat hij op 30 september jl. aan een redacteur van Elseviers-magazine gaf zei Krasnow o.a.: "Bij ons regeert en controleert het atheïstisch regime de kerk' via het patriarchaat. De patriarch is een marionet. Hij is het uitvoerend orgaan van hen, die de kerk in het geloof willen uitroeien. De huidige patriarch Pimen heeft nog als metropoliet "telefonisch" een kerk laten sluiten omdat het Staatsbureau voor Kerkelijke Zaken dat wenste!"
En over Nikodim, de bekende secretaris van het Moskouse patriarchaat voor de relaties met het buitenland - een grote figuur in de Wereldraad die alom verkondigt dat er in Rusland volledige vrijheid van godsdienst is en daar geen ondergrondse kerk bestaatzei Krasnow: "Nikodim is de meest walgelijke verschijning die de Russische kerk heeft voortgebracht.
Hij kwam in de plaats van metropoliet Nikolal omdat die zich verzette tegen de onderdrukking die in 1958 opnieuw begon.
Nikodim reist rond in dure auto's en eersteklas treincoupé's en houdt in het Westen redevoeringen die hij afleest van door de K.G.B. (de russische geheime dienst - c.v.) uitgetikte velletjes papier. Zijn schepping was de Praagse Vredesbeweging, een armzalige rest van wat eens onze activiteiten op religieus gebied waren. Ik begrijp niet dat er in het Westen nog iemand is, die met deze man een woord wisselt".
Deze feiten moeten reeds ieder nuchter mens tot de overtuiging brengen dat authentiek christendom en authentiek kommunisme absoluut onverenigbaar zijn.
Maar - er is meer!
N.B. De feitelijke gegevens omtrent de Zwolse affaire ontleende ik aan het bulletin nr. 4 van de "Unie School en Evangelie".