"Macht en onmacht van de twintigste eeuw"

1975-01-10
  • Jaargang 19
  • nummer 2
GELOVEN IN DE TIJD

Iedereen heeft wel van die momenten waarop hij het leven als een bedreiging voelt. Je ervaart dan een stuk doelloosheid, je weet met je zelf geen raad. De anderen behoren niet tot jouw wereld.
Je voelt je hulpeloos alleen, aan jezelf overgelaten.
Sedert de tijd dat Nietzsche God doodverklaarde, lijkt de cultuur door eenzelfde gevoel bevangen geraakt. In de mate waarin de menselijke macht, dankzij wetenschap en techniek. toegenomen is, is God meer en meer naar de rand van het bestaan teruggeweken.
Teruggeduwd moeten we wel zeggen. We spreken van een geseculariseerde tijd in een wereld zonder God. Een wereld die aan zichzelf wanhoopt en dreigt om te komen in eigen doelloosheid.
En wij leven in die wereld en zijn een stukje van die wereld - ook al zou dat laatste misschien niet moeten.

Op de nood van de" christelijke enkeling heeft het christendom vaak wel een antwoord geweten.
De Heidelberger begint, met het spreken over de enige troost in leven en sterven. De christelijke leer stelt de mens als individu schuldig. Als individu heeft hij ook vergeving nodig. Dat stelt de persoonlijke relatie tussen God en mens centraal. De wereld om hem heen laat de christen niet koud, Iijkt toch vaak van de tweede orde. Met de problemen van eigen tijd en eigen wereld hebben christenen dan ook vaak minder goed weg geweten.

In het boek dat in deze kolommen wordt aangekondigd, Macht en onmacht van de twintigste eeuw, doen de hoogleraren Goudzwaard, Van Riessen, Rookmaaker en Van der Hoeven een poging vanuit het evangelie op de tijd in te spreken. Spreken, want het zijn vier referaten. Drie gehouden in het kader van het Studium Generale van de Erasmus Universiteit van Rotterdam. terwijl de rede van professor Van der Hoeven door hem in 1971 werd uitgesproken voor een studentenconferentie in Amersfoort.
Hoewel het vier verschillende verhalen zijn van vier verschillende mensen, horen ze toch bij elkaar. De barometer van onze tijd wordt erin afgelezen, om met Van der Hoeven te spreken.

Graag wil ik u een indruk geven van wat in het boek ter sprake komt; om daarna aan te geven waarom mij het boek zo aanspreekt.

ONMACHT

Van Riessen noemt als oorzaak van het gevoel van onmacht en onvrijheid, dat in de twintigste eeuw in zo sterke mate door de mens heen slaat, de zelfstandigheid van de machten van wetenschap, techniek en organisatie ten opzichte van de mens. De groter geworden macht van de mens heeft wel een stuk bevrijding gebracht.
Routinearbeid wordt steeds meer door machines overgenomen.
De mens heeft een grotere welvaart en meer vrije tijd gekregen. Maar toch voelt hij zich onmachtig -en onvrij. Het misverstand zit hierin, dat we wel denken dat de machten zelfstandig zijn, maar dat ze het in werkelijkheid niet zijn. De mensen geloven dat de machten zelfstandig zijn en daardoor voelen zij zich onvrij. De mens geeft zich gewonnen aan wat de wetenschap zegt en schikt zich in het automatisme van de techniek. Wij moeten onderkennen dat de autonomie van de machten schijn is. De machten zijn namelijk menselijke machten en de idee van de zelfstandigheid van enig schepsel berust op schijn; ook de idee van de zelfstandigheid van de machten.
De vraag is waarvan wij verlossing verwachten. Van iets van de mens, politiek, theologie, kerk?
Of belijden we dat God met deze wereld aan de gang is en verwachten we het van Hem?

Ook in het referaat van Goudzwaard over economische macht en economische onmacht speelt het geloof weer een centrale rol.
De sterke groei van productie en consumptie is tot geloof geworden; we noemen het 'vooruitgang'.
We menen, en daarin ligt die westerse vooruitgangsbelijdenis, dat we zonder die groei niet meer leven kunnen. Nu kunnen we ook in het andere uiterste vervallen en de economische groei tot een demon maken, als zou deze rechtstreeks de ondergang brengen.
Noodzakelijk is, zegt Goudzwaard, dat we politiek en sociaal op een andere manier met economische en technologische mogelijkheden moeten omgaan. Onze innerlijke verslaving moet eruit weg zijn.
Pas dan ontstaat de ruimte voor het mandaat van het rentmeesterschap, wat inhoudt dat we pas dan economische ruimte voor onszelf opeisen, wanneer eerst voor de ander en voor het behoud van Gods natuur is gezorgd.

Rookrnaaker laat zien hoe de crisis waarin wij verkeren ook in de moderne kunst "tot uitdrukking komt. De moderne kunst drukt de negatieve ervaring uit die men van de werkelijkheid heeft. Bovendien is ze tegelijk de promotor van die crisis door de afgrondeIijke mogelijkheden van deze wereld te laten zien. Daarom is die moderne kunst ook zo ontstellend waar. Ze drukt wanhoop uit, een gevoel van absurditeit en vervreemding.
Tegelijk moeten we zeggen dat deze kunst onwaar is; ze geeft een bepaalde visie op de werkelijkheid. En zo is onze werkelijkheid niet. De mensen zijn niet de gevangenen van hun tijd, maar nog altijd beelddragers van God.

Prof. Van der Hoeven constateert dat duidelijk verschillende mensen deze tijd als het einde van een tijdperk beschouwen. In zijn referaat wil hij aan de hand van filosofiën de barometer van de tijd opnemen. Filosofiën zijn, als woordvoerders van de machten die een historische periode beheersen, barometers van de tijdgeest.
Van der Hoeven neemt de barometer op aan de hand van een aantal karakteristieken die men voor onze tijd gebruikt en hij toetst die kenschetsingen op hun bruikbaarheidswaarde. Zo vraagt hij zich onder meer af of de karakteristiek 'post-christelijk' of 'geseculariseerd' nu wel zo'n gelukkige typering van onze tijd is.
Waren vroegere tijden wel zo christelijk? Is de westerse beschaving niet meer een vermenging van gevestigd christendom en humanisme geweest, waaraan de radicaliteit van het evangelie ontbrak. Bovendien lijken termen als 'post-christelijk' en 'geseculariseerd' weinig te getuigen van het geloof in de almacht van de verhoogde Christus, die nog steeds komt. Na ook andere kenschetsingen te hebben besproken, spreekt professor Van der Hoeven voorkeur uit voor de term post-renaissancistisch, een keuze die hij uitvoerig toelicht.

UITZICHT

Hierboven schreef ik al, dat dit boek me bijzonder heeft aangesproken; het heeft me soms zelfs 'meegesleept'. Iedereen heeft in mindere, vaak ook in sterke mate, deel aan de tijd waarin hij leeft. Vaak bekruipt je ook dat 'tijds' gevoel van uitzichtloosheid, En ook als je ervan overtuigd bent dat het evangelie een woord voor deze tijd is, ervaar je een enorme kloof tussen de taal van het geloof en de taal van de tijd; Vaak niet het minst in de zondagse preken.
Vermoedelijk heeft het boek me daarom zo aangesproken, omdat ik het gevoel kreeg dat de schrijvers zien dat die kloof tussen het geloof en de tijd niet hoeft te bestaan; dat er vanuit het geloof aanzetten tot antwoorden te geven zijn op de crisis van de tijd, waarin we leven. Antwoorden ook zonder de 'krampachtigheid die aan vele zogeheten christelijke benaderingen eigen is en die vaak alleen maar blijk geven van een misplaatste behoudzucht. Antwoorden die gegeven worden vanuit de verwachting van het rijk Gods en het bevrijdend gevoel dat de komst van dat rijk met zich mee heeft gebracht.

Macht en onmacht van de twintigste eeuw is verschenen als nummer 23 in de reeks Christelijk Perspectief, een uitgave van Buijten en Schipperheijn te Amsterdam, 142 pag. Het heeft, althans in de paperbackeditie die ik in handen kreeg, een wat modernere omslag dan andere boeken in deze reeks. Helaas is in de bladspiegel nog geen verandering aangebracht. Het moet. dunkt me, mogelijk zijn, zonder al te ingrijpende wijzigingen, deze ook een wat eigentijdser aanblik te geven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief