TANA MEMA - TANA DAWA

1975-01-10
  • Jaargang 19
  • nummer 2
Naar aanleiding van de bundel "Cultuur als antwoord", verzamelde opstellen van prof. dr L. Onvlee ('s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1973) ( 5) In deze bundel is een hoofdstuk "zending en adat" opgenomen.
Typerend is, dat daarin niet een problematiek is behandeld om te komen tot een aantal "leefregels", doch dat dr Onvlee enkel laat zien, wáár het om gaat als leden van de Soembanese gemeenschap voor Christus kiezen.
Hij bespreekt verschillende gevallen en wijst er op, dat zendingsarbeiders veelal theoretische oplossingen voorstonden ("de HERE wil het"), zonder duidelijk te overeten, wat deze betekenden in de (oude) samenlevingsverbanden.
Een christen blijft nl. deel uitmaken van de sociale gemeenschap, waarin hij leeft. Zijn tana mema kan hij niet als een jasje uittrekken en dan verder gaan. Hij ontmoet bijv. de regels van de adat, die voorschrijft, waar hij zijn bruid mag zoeken en waar niet.
En aan wie hij hulp moet verlenen en van wie hij die vragen mag, enz.
Nu zijn er geweest, die zeiden "daar hebben we niets mee te maken, voor ons geldt enkel, wat in de Bijbel staat. Adat heeft voor ons afgedaan". Maar zij bedrogen zichzelf. Want adat is ingebouwd in het levens-geheel en in alle uitingen ervan. Anderen zijn daarom van oordeel, dat daar waar de HERE geen uitdrukkelijk verbod stelt, de regels van de eigen samenleving gevolgd moeten blijven worden, zij het met een geheel andere (nieuwe) intentie.
Beperking van mogelijkheden om een bruid te zoeken mág dan dus aanvaard worden.
Op Soemba is een polygaam huwelijk geen uitzondering; het getrouwd zijn met meer dan één vrouw is zelfs rechtsgeldig. Eén van de oorzaken voor deze polygamie is bijv. dat de (door de adat) aangewezen bruid nog te jong is om te trouwen en de man neemt dan eerst een ander meisje tot vrouw om later de eerst-uitverkorene tot hoofd vrouw te nemen.
Er zijn ook redenen van economische aard. omdat de vrouw veel arbeid op het land moet doen en er soms zelf op aandringt "een jongere zuster" in het gezin op te nemen. Zo'n uitbreiding van het huwelijk geeft dan tevens nieuwe gemeenschapsbanden en daarin nieuwe mogelijkheden tot hulpverlening.
Verder is kinderloosheid een ramp. Want wie zal er later voor je zorgen, als je oud bent geworden?
En geen kinderen betekent ook geen zorg voor gestorvenen; in het zielenland aangekomen mis je dan elke relatie met de levenden.
Een 2e of 3e huwelijk is voorts ter verhoging van de sociale status.
Hoe nu als zendeling of als christelijke gemeente hiertegenover te staan?
Bij het toetreden tot de gemeente zijn er geen problemen, omdat de hele familie opgenomen wordt.
Wel komt daarbij de belofte, dat bij overlijden van één van de vrouwen geen "vervangster" zal worden gezocht. Het komt nog al eens voor dat op dit punt de praktijk anders is en dan volgt tucht van de zijde van de gemeente, die resulteert in afhouden van het heilig avondmaal. Ook ten opzichte van deze situatie is er tweeërlei opvatting: men eist ontbinding van het laatstgesloten huwelijk (dat immers tot stand is gekomen nádat betrokkene zich tot de Here Christus had gewend) dan wel men wil rekenen- met "de hardigheid van het hart" en dringt aan op schuldbelijdenis in het midden van de gemeente. Duidelijk zal zijn, dat het hier in eerste instantie gaat om het "beproeven"
van de situatie. Is er liefde tot de Heiland en daarbij een vallen-in-zonde? Of is er het enkel maar meelopen in de leefregels van de gemeente, en die terzijde stellen als het niet gelegen komt?
Onvlee zegt in dit verband "Tot welke wonderlijke situaties men echter op deze wijze kan komen, bleek in een naburige gemeente, waar eveneens een van de vooraanstaande leden een tweede vrouw had genomen. Ook hier werd deze man van het avondmaal afgehouden. Deze distantie kon echter weer worden opgeheven toen zijn eerste vrouw kwam te overlijden en hij dus weer "monogaam" was. Toen kon voor hem na schuldbelijdenis de weg terug weer worden geopend. Toch ook hier: weten we wat we doen? Op grond van dergelijke ervaringen blijf ik bij mijn vroeger uitgesproken gedachte, dat elk geval op zich zelf moet worden beoordeeld.
Het kan zijn dat het aangaan van een polygaam huwelijk niet op zich zelf staat maar symptoom is van een verwijdering van de gemeente.
Dan zal dat ook op andere wijze tot uiting komen." En hij wijst er dan verder op, dat binnen de samenleving op Soemba ook grote veranderingen tot stand komen en het verzet tegen een polygaam huwelijk mede sterken.
Een belangrijk facet van de adat is het eten van offervlees. "Gewoon" vlees eten is er vrijwel niet bij; altijd is er een aanleiding toe en veelal is dat dan daarmee ritueel bepaald: bezoek, gemeenschappelijke werkzaamheden, feesten, gedenkdagen. Bij zulke gelegenheden is zelfs het gebruikelijke sirih-pinang aanbieden in relatie met de marapoe (voorvaderen) te brengen. Laat staan als men verder gaat. Want slachten zonder ritueel wordt door de Soembanees "ijdel slachten" genoemd.
De dieren zijn dáárvoor bestemd en zij zouden het (bij wijze van spreken) niet nemen als ze voor andere doeleinden werden bestemd. Hoe kan je je nu als christen onthouden van eten van dát vlees? Als je met z'n allen een stuk land bewerkt of de oogst hebt binnengehaald, moet je dan als christen je uit die gemeenschap verwijderen als er een gezamenlijke maaltijd is? Onvlee vertelt van een goeroe die zei: het is ondenkbaar dat ik vlees zou aannemen van een slacht, waarbij de naam van mijn Vader wordt gehoond.
Als laatste illustratie van gebeuren binnen de adat noemt hij de feesten. De mensen hebben het nodig om die te vieren, d.w.z. om vrij te zijn, te rusten, zich ànders te ontspannen dan normaal. En waar dit een heel menselijk verschijnsel is (in onze stedelijke samenlevingen hebben we daar bijna geen besef meer van) daar zal het niet verwonderen als juist ook op Soemba die feesten typisch heidense feesten zijn. Gekomen tot Christus komt daar voor de Soembanese christenen een grote leegte.
En daar moet oog voor zijn.
"Nieuwe feesten veronderstellen een nieuwe gemeenschap, een nieuwe binding die de oude bindingen wel niet wegneemt, maar doorkruist en relativeert. Ik denk aan de viering van' het zelfstandig worden van de gemeente in Mata. Met gong en dans tauna Ii'I (zoiets als gezongen woord). ter bespreking van de zaak van het evangelie. Dat laatste gebeurt ook meermalen bij de viering van het kerstfeest, open voor de gehele gemeenschap; het pinksterfeest wordt meermalen ook als oogstfeest gevierd. Feest met maaltijd in een gemeenschap die de oude bindingen niet opheft maar vernieuwt en nieuwe binding realiseert.
Het feest is dan geen noodzaak meer maar geschenk. Niet om te bewerken maar om te gedenken; niet supuja maar sebab."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief