Boekbespreking

1975-01-10
  • Jaargang 19
  • nummer 2
Bavianen en Slijkgeuzen, door dr A. Th. van Deursen.
Historische Bibliotheek nr. 92 Uitgave v. Gorcum en Cornp, B.V. Assen.
472 blz., prijs f 59,-.

Onder bovengenoemde titel verscheen dezer dagen een boek van de hand van Prof. dr A. Th. van Deursen, waarop ik in ons blad, dat de Opbouw van het gereformeerde leven beoogt, gaarne de aandacht vestig Onder een wat vreemd klinkende titel krijgen we hier een verhandeling, beter gezegd, een "tekening", in handen van "kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarneveld".
Het was meen ik de historicus L.J. Rogier, die eens schreef dat het een waarheid voor alle tijden blijft, dat de massa geen geschiedenis heeft de geschiedenis van hun geloven en bidden, hun vallen en opstaan, gaat met henzelf ten grave.
In een lezing voor de etherleergang van de N.C.R.V. zei Prof. dr D. Nauta in 1965 iets dergelijks, toen hij opmerkte. dat het schetsen van het christelijk geloven en leven bij het gewone volk in de bloeiperiode van het Gereformeerd Protestantisme voor grote moeilijkheden plaatst, omdat slechts weinig directe gegevens ons ter beschikking staan.
Van de groten uit de kerkgeschiedenis.
weten we heel wat af. Over de synoden van de Geref. Kerken van die dagen met name over die van Dordrecht 1618/19 is veel geschreven, maar hoe was nu het kerkelijk en christelijk leven van de man in de straat.
Hierover gaat het in het boek van Van Deursen In het woord vooraf lezen we: "Het eerste deel beschrijft de hervormde kerk, zoals ze was en zoals ze wilde zijn ten tijde van Maurits en Oldenbarneveld, onder invloed van de calvinisering, Het tweede deel tracht duidelijk te maken hoe en waarom de remonstrantse acties mislukten. In beide delen staat de gemeente centraal, het kerkvolk. Gewone lidmaten, als massa gezien, maar ook als individuen. Waarom gingen ze naar de Hervormde kerk?
Wat zochten ze, wat vonden ze? Had hun kerkgang veel of weinig te maken met hun dagelijks leven?
Ervoeren ze de godsdiensttwisten als hun eigen zaak en namen ze er persoonlijk aan deel?"
Omdat het de schrijver om dit kerkvolk is begonnen gaf hij het boek ook de titel Bavianen en Slijkgeuzen, schimpnamen uit de volkstaal, in plaats van het neutralere Remonstranten en Contra-Remonstranten.
Een schat van gegevens over het kerkelijk leven heeft Van Deursen opgediept uit allerlei archieven met name uit kerkelijke archieven, waarin hij acta van diverse classes in Holland en kerkeraadsnotulen bestudeerde. Ik aarzel niet de uitgave van dit boek een gebeurtenis te noemen.
De uitgave werd mogelijk gemaakt door een subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-
Wetenschappelijk Onderzoek . (Z.W.O.).
Als iemand, algaande op dit laatste, zou menen, dat dit boek alleen interessant is voor historici en theologen, vergist hij zich zeer.
Zeker, de "vakmensen" vinden hier veel van hun gading in veelvuldige verwijzingen naar bronnen en literatuur: in de bijlagen met allerlei interessante verklaringen en acten, maar ieder die de zaak van Christus kerk in onze landen ter harte gaat, zal veel genoegen beleven wanneer hij leest wat Van Deursen heeft opgediept.
De geestelijke verzorging van leger en vloot, van gevangenen, de zondagsviering, classicale examens, de prediking, de tekstkeus.
de liturgie, de salarissen van de dominé's, de armenzorg, gemengde huwelijken, de catechisatie, de tucht over leer en leven en nog veel meer komt in het eerste deel ter sprake.
Prof. Van Deursen is er in geslaagd, dit boek over het kerkvolk te schrijven in een stijl, die dit volk ook aanspreekt.
Om dit aan te tonen geef ik een wat uitvoerig citaat. Het was in de beschreven periode gebruikelijk dat de predikanten in vervolg-preken een bijbelboek in zijn geheel behandelden. Hoe dat kon toegaan wordt op pag. 47/48 aldus beschreven: "Zo sprak ds Petri van Assendelft bijna drie jaar lang over de brief van Paulus aan de Romeinen.
Toen was het echter de kerkeraad genoeg, en hij besloot "dat de dienaar van de uitlegginge des gemelten heerlijkeken sentbriefs een tijd lanck zoude supersederen".
Klaarblijkelijk was hij nog niet gereed gekomen, hoewel hij toch, met onderbrekingen voor de lijdenstijd en de feestdagen, wel ruim honderd maal uit de Romeinen moest hebben gepreekt.
Maar zo ongewoon was dat niet.
Arminius heeft in de eerste dertien ·jaar van zijn Amsterdamse pastoraat slechts een vijftal meest korte boeken behandeld: Romeinen, Maleachi, Marcus (niet geheel) Jona en Galaten, die bij elkaar slechts 46 hoofdstukken tellen.
dus gemiddeld maar een hoofdstuk of drie per jaar. Soms nog minder, want de profetie van Maleachi - een geschrift van in totaal 55 verzen - leverde stof voor 69 predicaties op. Vergelijkenderwijs moet men dan zeggen dat Hommius zich er met de Franse slag afmaakte, daar hij over Marcus - 678 verzen - slechts 400 maal wist te preken ...
Wellicht is de zuiverste presentatie op dit gebied door Becius geleverd, die het bestond in een serie over Genesis 18 afzonderlijke preken te maken over de vijftig, de vijf en veertig, de veertig en de dertig rechtvaardigen, die er misschien in Sodom gevonden hadden kunnen worden. Alleen een man met zeer grote kanselgaven mocht zich zo iets veroorloven: of anders zou de kerkeraad hem wel terechtwijzen, "dat men gheen ding twee maal aan malkanderen zal predicken, tot verdriet van de toehoorders.
Toen de dominee van Oosterland eens negen maal achtereen gepreekt had "van die schatting des keyzers", beklaagde zich éen gemeentelid bij de broeders van het consistorie, door tactvol in herinnering te brengen dat de predikant vroeger ook al eens buiten zinnen was geweest".
Ik ben me er van bewust dat wat ik tot nu toe schreef meer aankondiging dan beoordeling van het boek is.
Toch is u wel duidelijk geworden dat ik dit boek van harte kan aanbevelen. Het boek is zijn geld ten volle waard, al begrijp ik dat een bedrag ad f 59,- voor veren nog een uitgave is.
Misschien kan de uitgever nog eens een goedkope uitgave op de markt brengen, want dit boek over het kerkvolk is het waard in veler handen te komen.
Op het tweede deel van het boek, dat handelt over het conflict van de bestandsjaren kom ik t.z.t. in ons blad terug.

Amstelveen. H. J. v. d Kwast

Socratisch Schimmenspel, Dr P. A. Meijer.
Ohristelijk Perspectief no. 22; Buijten en Schipperheijn, Amsterdam.

Dit boek heb ik met buitengewone aandacht gelezen; in de eerste plaats omdat het mijn vakgebied raakt; maar vooral omdat het zo levendig is geschreven, de problemen zo geleidelijk duidelijk maakt en zo helder naar de conclusie voert, dat ook "gewone" lezers de schrijver volgen kunnen en genieten van dit studiewerk, dat vaak aan een detective denken doet!
"Schimmenspel" zegt de titel. En wel hierom dat de getuigenverklaringen over Socrates verre van eensluidend zijn. Dat is een gevolg van de belangrijke rol, die hij speelde. Daarom wilde men hem maar wat graag voor zich annexeren. Dat kon gemakkelijker omdat Socrates zelf niet schreef; mondeling onderricht kan men gemakkelijk gewijzigd weergeven.
Zo lijkt het bij de kennismaking met de getuigenissen, dat S. een kameleonachtige figuur is geweest.
Nooit zie je zijn trekken helemaal duidelijk, We moeten hem nu eenmaal bekijken door de ogen van anderen heen. Die bril wil dr Meij er wegnemen.
Het blijkt al gauw, dat het niet maar één twee drie is uit te maken, wat S. zelf heeft gezegd. Om het nog moeilijker te maken: het lijkt, dat hij zichzelf tegenspreekt!
In dat deel. van de gesprekken, die hij placht te voeren, waarin hij de gesprekgenoot wil brengen tot erkenning van het ongegrondzijn van diens mening, maakte S. een ruim gebruik van de methode's, en zelfs wel trucjes, die daartoe in zijn tijd, gebruikelijk waren. Heel knap heeft dr M. dat uit de doekjes gedaan. Daarbij heeft hij nog en passant duidelijk gemaakt, dat een paar werkjes van Plato, de grote leerling van S.. werkjes die men als onecht verwerpt, toch echt wel van diens hand (kunnen) zijn. Dat alleen al is een knappe prestatie.
Evenzeer het "uitpellen" van wat S. nu eigenlijk serieus zei.
Merkwaardig is de uitkomst, dat het blijkt onmogelijk te zijn om deze man, die de grote wijsgeer Plato heeft gevormd, zélf met de soortnaam van filosoof aan te duiden.
Een prachtig boek. zeer leerzaam voor ons, die ook telkens met interpretatie's en herdnterpretatie's te maken krijgen. De lezer wordt bepaald meer kritisch ingesteld door de lezing van dit boek. Het heeft dus wel een heel moderne strekking!
Het kan enige bevreemding wekken, dat in de serie Christelijk Perspectief een boek over Soerates verschijnt. In vroeger jaren zou dat méér voor de hand hebben gelegen, toen men S. beschouwde als een Christen-voorde-tijd. Dat doen we nu niet meer en dr M. tekent hem dan ook voluit als heiden En dan toch van belang voor een Christelijk perspectief?
Dat hem niet achteromkijkend als Christen uit de Oudheid voor zich opeisen wil, noch nu eigen plaats wil tekenen in het gevolg van de grote man, noch ook vooruitkijkend S. als wenkend ideaal heeft. Ons wordt geen heidens ideaal voorgehouden.
Perspectief hangt samen met een woord, dat inzicht. doorzicht hebben betekent. Deze serie wil doorzicht geven en inzicht in onze eigen tijd. En onze tijd vertoont merkwaardige overeenkomst met die van S.!
De belangrijkste periode van diens leven viel in de langdurige oorlog, die van het machtige Athene, dat de hele Aegeische Zee met de toegangswegen beheerste en daardoor een grote handelsstad was geworden, ineens weer een onbeduidende provincieplaats heeft gémaakt; en van de Atheners, die in de strijd tegen de Perzen een hoge dunk van zichzelf hadden gekregen, gedesillusioneerde mensen. Daarbij was de oud-vaderlijke moraal in de geestelijke ontreddering van die oorlog opgegeven. We kennen dat uit 40-45! Men leefde naar de begeerte van het ogenblik. Dat gold ook in het politieke bedrijf. Je kunt dan beslist niet bij houden, hoe vaak de stad van bondgenoten en vijanden wisselde. Alleen het ogenblikkelijke voordeel dreef de volksmassa. En ook toen: het was niet alleen het praktische leven, dat .zijn richting kwijt was!
Men, d.w.z. de mannen van wetenschap, althans van de geestelijke technieken, léérden en propageerden zo'n houding.' Nadat eerst het oude geloof was opgegeven.
Maar dat verlies van geloof dwong er toe, om zich nu af te vragen, wat men nu eigenlijk van dit leven in deze wereld dacht.
Uit de discussie's van toen, die dr M. ook bespreekt, blijkt zonneklaar, dat de conclusie's waartoe men bij zo'n onderzoek komt, feitelijk a-priori's zijn. Men stèlt ze zonder ze te kunnen bewijzen. Zo bleef men strijden. Totdat de "wijsheid"-leraars, de Sophlsten de knoop doorhakten. en zeiden: wat doet het er toe? We hebben voor de praktijk niets met die vragen te maken. Net zoals in onze tijd vrij algemeen wordt geleraard, dat Godsdienst privaatzaak is en verder van geen belang.
Dat Godsdienst daarmee te laag wordt aangeslagen, bewijst het geestelijke en dus ook morele vacuum, waarin S. moest leven.
Want het blééf niet bij: "je moet zelf maar uitmaken, wat je wilt geloven; daarin is de mens nu echt eigen meester." Maar de volgende stap werd meteen óók gezet: de mens is meester over elke stap, die hij zet. Want of die stap goed is of slecht, dat maakt hij strikt individueel uit voor zichzelf.
Het is of U de moderne Existentialisten hoort! De mens is eigen particulier "wet"gever voor het ogenblik; en het is zijn val, wanneer hij niet eigenmachtig over zijn volgende stap beslist, zonder zelfs met de vorige stap rekening te houden.
Dat betekent dan ook wel het principiële eind van een samenleving.
Dan moet de medemenselijkheid redden. De eigenmachtige mens wil zichzelf enige beperking opleggen om het zijn medemens niet al te moeilijk te maken.
Maar het blijft inschikkelijkheid, waarover hij zelf de beslissing houdt! Het is geen zelfverloochening.
Als de ander zich niet verdedigen kan of ons levenspatroon in de weg staat, wat dan? Elimineren: de abortusklinieken spreken een duidelijke taal.
Met medemenselijkheid zijn we in een heel ander klimaat dan: de naaste liefhebben als ons zelf. De "naaste", dat doet een appèl op Gods wereldorde, op Zijn wet, die de liefdewet is.
Van de daken werd in S. tijd de normloosheid gepredikt. In het leven van alledag werden de gevolgen goed openbaar. Een nieuwe moraal was broodnodig. Maar waar moest men die op bouwen?
Voor de oplossing van die vraag, heeft S. zich ingezet. Daarvoor is hij ook als "martelaar" gestorven.
En daarbij heeft hij zich een man betoond van ontzaglijke zedelijke moed. De staaltjes daarvan geeft dr M. in zijn boek. S. was ook een man met een indringend verstand, die de zwakke stee van zijn tegenstander zag en hem dan schaakmat zette. En... daarmee niet tevreden was! Maar dan trachtte S. de weg te wijzen naar een beter leven. Dat zich niet op redeneringen mocht oriënteren, maar op wat God wilde. En dat was weer een nieuw probleem, zoals U begrijpt.
Want hoe weet een heiden nu; wat God wil? Toch doet hij soms werken der Wet!
Dat doen van "werken der wet" was voor S. gebonden aan de gehoorzaamheid aan geldende positieve (staats)wet. Onschuldig ter dood veroordeeld "gehoorzaamde" hij aan de wet door in de gevangenis te blijven. Hoewel zijn vrienden een ontsnapping wilden voorbereiden en de overheid het misschien wel graag zou zien dat hij de terechtstelling voorkwam.
Maar dat S. in déze staat was geboren en onder déze wetten moest leven en aan deze overheid onderdanig moest wezen, dat achtte S. een goddelijke beschikking.
Dus onderwierp hij zich aan het vonnis. De wet, die ónze overheid, als het zo uitkomt, met voeten treedt, was voor S. heilig.
Daarmee had hij een vast punt voor zijn levensgedrag: doen wat de wet vraagt.
Daarmee stond hij diametraal tegenover de Sophisten. Het is dus duidelijk, dat heel zijn leven en onderricht een scherpe positiekeus was tegen de heersende tijdgeest in. Daarin hebben we aan hem een "broeder"!
Een merkwaardigheid van S. was, dat hij zich vaak beriep op een inwendige stem, het zogenaamde daimonion. Dat heeft S. speciaal; vele anderen of de anderen hebben dat niet; het geeft door al of niet te spreken aan S. persoonlijk aan, hoe hij moet handelen.
Zijn beslissing is door deze inspraak van het "godje" ineens weer strikt individueel.
Merkwaardig! Zodra het gaat om besluitvorming buiten het gehoorzaam-zijn aan de positieve wet, staat hij vlak bij de Sophisten!
Die maakten het zélf uit; S. laat zich gezeggen .oor het (eigen") daimonion. Maar wat was dat? Het geweten? Echt inspiratie van "Boven"? Of zoals dr M. wil, een paranormale begaafdheid?
U zult zien, hoe levendig ook dit aspect wordt besproken!
Maar de moeilijkheid is: je komt met het daimonion echt niet verder dan de beslissingen ,die je zelf, particulier moet nemen. Een gedragspatroon voorschrijven is daardoor onmogelijk, doordat de strikt persoonlijke aanwijzing van het daimonion een stem in het kapittel heeft!
S. stelt zijn leerlingen dan ook voor de eis: zelf beslissen in de situatie, waarin je door goddelijke leiding bent geplaatst. Maar zij stonden veel weerlozer dan hun meester, doordat ze het zonder daimonion moesten doen. Ze waren dan ook ontredderd door zijn dood. En bouwden elk een facet van S.' optreden en onderricht uit. Ook deze beperkte navolging' van de meester wordt door dr M. interessant beschreven. Waarbij hij de dingen scherp heeft overdacht en geanalyseerd. Zo dat hij het gangbare beeld kan corrigeren: Socrates leerde niet dat de deugd leerbaar is! Om de zedelijke deugd te verwerven was méér nodig dan boekjes te lezen.
Daar kwam ook goddelijke beschikking bij te pas. In zekere zin een “uitverkiezing".
Socrates verwijst ons niet naar de wetenschap, zoals eigenlijk haast alle denkers in de Oudheid. Hij blijft het gewone mannetje, dat zichzelf en anderen scherpe vragen stelt, maar vanuit de zekerheid, dat hij in een gestructureerd geheel leeft. dat door de godheid gewi1d is en wordt beschermd.
Hij leefde daarin uit zijn geloof.
En stelt, ons daarin meteen weer voor een vraag! Hij aanvaardde het veelgodendom van zijn stad ... en spreekt van de godheid. Wat verstond hij daaronder? Ook over S.' houding in en gedachten over de religie schrijft dr M. belangrijke dingen. Belangrijk daardoor reeds, dat hij laat zien, hoe ook de mannen der wetenschap oordelen vanuit hun eigen grondgedachten en in dit geval S. modelleren naar eigen gedachtenbeeld.
Reeds de Ouden deden dat. Daardoor kost :het inderdaad veel moeite de ecihte S. te vinden. Uiteindelijk komt dr M. daarbij tot duidelijke conclusies, die ons dadelijk "paroken". Tevoorschijn komt S. dan als de gewone serieuze man, die uit zijn geloof leeft en door zijn geloofsvertrouwen ontzaglijke invloed heeft uitgeoefend. Want voor de denkers na hem bleef het nijpende probleem van de moraal voortbestaan.
Hoe moesten ze daarvoor een wegwijzer vinden, die mensen zónder daimonion op de goede weg hield? En daarmee moesten ze dan treden uit de sfeer van het strikt persoonlijke. Wat dr M. hen nogal kwalijk neemt. Maar wat toch ligt in de aard van een moraal, en zedeleer. En die is toch een vast bestanddeel van elke filosofie; en in het kerkelijk leven: van de theologie. Ik sta daar niet zo afwijzend tegenover! Heeft de tijd, waarin men telkens anderen voor zich liet beslissen, hem beinvloed?
Ik denk nu maar aan het laconiek en passief aanvaarden in de Kerkwereld van besluiten door anderen genomen, en die toch zo'n invloed blijken te hebben op óns huidige kerkleven! Het zou te begrijpen zijn.
Een ander punt, waar ik het voorhoofd frons, vindt U op pag. 57 e.v. Me dunkt, daar had de schrijver méér moeten zeggen, juist omdat hij Christelijk perspectief wil geven. Ik vind daar: "wanneer de mens niet blijft staan bij het louter materiële ... dan moet er in zijn denken een proces plaats vinden, waarbij hij "abstraheert", namelijk van het puur materiële" ... "
De mens is kennelijk bereid om louter physische dingen op te nemen in een visie, waarin deze dingen niet langer een uitsluitend physische rol spelen"... "de godsdienst bepaalt eerst wat hogere machten zijn... dieren, stenen, bossen. '. Zij worden alle "geabstraheerd"
van hun werkelijke functie en krijgen er een dimensie bij". "Vanuit deze stand van zaken dient men het vraagstuk van het begin van de wijsbegeerte te zien."
Ik dacht, dat het juist een abstractie - en afval! - was, als men de physische dingen als louter physisch zag. Ik geloof niet in dit begin van de “ontiek". Dit is overigens een mooi woord om het soms vaag geformuleerde vóórwetenschappelijke wereldbeeld aan te duiden. Het zet ons, gewone mensen, die geen wijsgeren van professie zijn, toch weer op een voluit menselijke plaats. Wij bezinnen ons ook op de wereld, waarin we verkeren. De wetenschap systematiseert dat denken alleen.
En we zijn er ons na lezing van dit boek te meer van bewust, hoe belangrijk daarbij is voor ons Gods openbaring en beschikking.
U merkt wel, met hoeveel belangstelling ik dit boek heb verslonden.
Er staat veel in, dat ons met verve wordt voorgeschoteld. Het brengt ons de achtergronden onder het oog, die altijd weer aanleiding zijn tot vertekening van mensen en hun gedachten. Ook nu is het van groot belang onze ogen daarvoor wijd open te houden.
We zouden anders nog gaan geloven, dat een krant béter zichzelf blijven kan, wanneer ze opsmelt.
Nu is ons frontje wel smaller, dan het voor S. in zijn tijd, in het geestelijk centrum van de toenmalige wereld was. Maar wij in ónze situatie kunnen ook niet met knollen uit de weg, als we citroenen nodig hebben! "Wie zegt wat, waar, wanneer en waarom?".
Op het stellen van die vraag is het boek toegespitst. Het kost gewoon f 28,50. Leest het en leert er van! Het is een goed boek.

Zeist. A. P. Muys

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief