Dirk Rafaelsz. Camphuysen
1975-01-24
Inleiding- Jaargang 19
- nummer 4
Wat een synode is, weten wij Gereformeerden; wat een synode aanrichten kan, is ons buitenverbanders ook niet onbekend. De beroemde, voor anderen: beruchte synode van Dordrecht heeft veel goeds gedaan.
Denkt U alleen maar eens aan het besluit om de Bijbel uit de grondtekst te vertalen. Onze befaamde Statenvertaling was daar het resultaat van. Maar de wijze waarop onze vaderen hun werkzaamheden verrichtten, had en heeft niet de bewondering van iedereen. Ook toen scheen het al alsof een log lichaam als een synode niet meer de mensen ziet, die door haar besluiten getroffen worden.
Onze vriend Dirk Camphuysen was zo iemand, die zwaar te lijden heeft gehad onder de besluiten van Dordt. Nu is het niet de bedoeling van deze artikelen om hem te rechtvaardigen: van de Gereformeerde leer week hij op vele punten af; zelfs voor de verdraagzame Remonstranten was hij nog te vrijzinnig. Maar de zeer zachtmoedige man met het kinderlijk gemoed kon het niet verdragen, dat hij door broeders vervolgd werd als was hij een misdadiger.
Camphuysen echter is niet bekend geworden doordat hij een prediker was en wel een vervolgde prediker, maar wel doordat hij dichter was.
Kent U nog de regels:
Ach, waren alle mensen wijs,
En wilden daarbij wel!
De aard was haar een paradijs,
Nu is ze meest een hel. ?
Misschien hebt U toch nooit geweten dat dit het slotcoupletje is van een van Camphuysens fraaiste gedichten.
Over deze dichter-dominee nu wil ik U in de volgende artikelen iets vertellen, waarbij ik U ook enkele van zijn dichterlijke uitingen niet wil onthouden.
Een beetje geschiedenis
Camphuysen leefde van 1586 tot 1627. Weet U nog iets van die tijd af? Laten we eens een paar jaartallen noemen, dan herinnert U zich misschien weer het een en ander:
1588: Onoverwinnelijke Vloot;
1590-1600: Maurits verovert veel steden (turfschip van Breda);
1600: Slag bij Nieuwpoort;
1609-1621: Twaalfjarig Bestand.
En nu een heel ander rijtje van jaren.
1581: geboortejaar van de dichter P. C. Hooft;
1585: geboortejaar van Bredero en van Vondel;
1606: geboortejaar van Rembrandt;
1618-1619: Synode van Dordrecht.
Een beetje saai misschien? Of weet U het nu weer ineens: de Gouden Eeuw! Juist. Maar wilt U dan wel daarbij onthouden, dat het in die tij d ook niet alles goud was, wat er blonk? Ja, de rijke koopstad Amsterdam, de machtige kooplieden, de handelsvloot op alle wereldzeeën, die brachten goud in' het laatje. En de gewone man bleef de gewone man. Onze dichter' heeft waarschijnlijk nooit geweten, dat hij in een tijd leefde, die men later met zo'n schone naam sieren zou.
Afkomst en jeugd
Dirk werd geboren te Gorkum uit een gemengd godsdienstig huwelijk.
Zijn vader was gereformeerd, zijn moeder doopsgezind.
De vader was 'n ontwikkeld man, hij was nl. chirurgijn. De moeder was een vrome vrouw. De levensbeschrijver zegt van haar, dat zij was 'aerdende na haar vader Hans van Maseick, een coopman, die hem (= zich) omde belijdenis des geloofs tot Gorkum liet onthalsen'.
Beide ouders zijn hem al jong ontvallen, zodat hij werd opgevoed bij zijn oudere broer Govert, die hem in de leer deed bij de kunstschilder Dirck Govers, waarschijnlijk een oom van Dirk en Govert. Hij viel blijkbaar niet alleen op door zijn artistieke gaven, ook zijn intellect bleef niet onopgemerkt. Enkele notabele lieden boden Dirk de kans om te studeren; eerst in Gorkum zelf bij de rector van de Latijnse school, Mr. Willem, bij wie hij ook als 'ondermeester' wat mocht helpen.
Later in Leiden, waar hij in 1608 arriveerde als theologisch student.
Hoogleraren in de beroemde universiteitsstad waren o.a. Arminius en Gomarus. Arminius stierf al in het volgende jaar, zodat Dirk hem nauwelijks heeft gekend.
Hij heeft zijn studie niet afgemaakt.
Waarom niet? Stond hem, de zachtmoedige, het twisten over de godsdienst zo tegen? Of voldeed hem de studie zelf niet? In elk geval vertrok Dirk. Niet naar Gorkum. maar naar het slot Loevestein, waar de Heer van Langerak, Gideon van Boetzelaer, een goeverneur zocht voor zijn opgroeiende kinderen. Daar heeft hij het vertrouwen weten te winnen van iedereen, zodat hij kans zag om zijn verloofde (een zus van zijn vriend uit Leiden) als goevernante naar Loevestein te halen, zonder dat overigensïemand wist, dat Anneke zijn verloofde was.
Dat liep natuurlijk mis: hij werd tot diep in de nacht samen met de goevernante gesignaleerd! En zo kwam er een einde aan dat herenleventje.
Na veel moeilijkheden (de moeder van Anneke had het niet erg op Dirk) kwam het huwelijk tussen hen tot stand. Kort daarna heeft Dirk zich laten dopen in de gereformeerde kerk te Arkel, waar een Arminiaans gezinde predikant stond. Thuis had blijkbaar de doopsgezinde traditie geheerst. In 1614 kreeg hij een aanstelling als leraar aan de beroemde Hieronymusschool in Utrecht. En daar begon voor Camphuysen de ommekeer.
De rector had liever zijn zoon benoemd gezien en ontving de nieuwe leraar op uiterst onprettige wijz. Het salaris was zeer klein, en dat terwijl het gezin Camphuysen al gauw 'vele kinderen over hoop' kreeg. Toen maakte hij zijn bekering door.
Vroeger had hij gestreefd naar uiterlijke roem en hij was trots en ijdel geweest. Nu het hem kwalijk ging in het leven dwong hij zichzelf en zijn Anneke om de aardse pronk af te leggen, zoals mooie kleren en 'opstaende knevels op sijn Spaens'. Hij kwam tot de erkenning dat de mens op aarde op vijandige voet leeft met het wereldse.
Het aardsche liet ick strijcken en koos een hemelsch deel.
zegt hij later van dit gebeuren.
En in een ander gedicht:
Al is ze schoon bepeerelt,
En heerlijk in cieraad,
't Is evenwel de weereld,
die met al 't haar vergaat.
Zijn bekering was vooral bewerkt door het lezen van een aantal preken: 'De Enge Poorte' van de Goudse Remonstrant Eduardus Popplus Door deze preken ging hij de tegenslagen van het leven niet langer zien als een straf van God. maar juist als een geschenk, waardoor hij in staat gesteld werd om een leven te leiden, dat hem tot de zaligheid voeren zou.
In een brief van hem vinden wij de volgende uitspraak als antwoord op een hem beklagen over zijn moeitevolle omstandigheden: 'De gelucksalicheit ofte ongelucksalicheit moet van binnen komen'.
Verderop zei hij, nooit zo gelukkig te zijn dan wanneer het hem in de wereld kwalijk ging.
Verdere levensloop
Vanaf het ogenblik van zijn bekering begon Camphuysen weer over het predikambt te denken.
Hij was vroeger al wel eens opgetreden voor een vrijzinnige groep doopsgezinden. Nu verzocht een van de Utrechtse predikanten hem soms om zijn dienst in de Domlkerk waar te nemen. En dat voldeed blijkbaar wel: 'Ider was verwondert over dese mans preeken omde uytneemende gaven die men in hem bespeurden'. Ook door deze successen nam Camphuysen zijn theologische studie weer op en in 1617 werd hij door de Staten van Utrecht (!!) aangesteld tot predikant in Vleuten.
Daar heeft hij waarschijnlijk een gelukkige tijd gehad.
Tot dusver hebben we van de dichterlijke gaven van Camphuysen nog niet veel gehoord. Het oudste gedichtje dat we van hem hebben stamt uit zijn Vleutense tijd. Misschien kent U het:
Daar moet veel strijds gestreden zijn;
Veel kruys en leeds geleden zijn;
Daar moeten heyl'ge zeden zijn;
Een naauwe weg betreden zijn;
En veel Gebeds gebeden zijn
Zoo lang wij hier beneden zijn:
Zoo zal 't hier na in vrede zijn.
Het is onwaarschijnlijk, dat zo'n voortreffelijk gedichtje een eersteling zou zijn.' Zijn levensbeschrijver zegt dan ook ergens, dat hij vroeger werk 'ten viere (= vuur) gedoemt en overgegeven' heeft.
In de Vleutense periode kwamen de Dordtse maatregelen tegen de Arminiaans gezinden af. Wie weigerde zich aan de Dordtse besluiten te onderwerpen, moest de Akte van Stilstand (een belofte om niet langer het predikambt uit te oefenen) tekenen. Camphuysen weigerde, wals de meeste Remonstranten dat deden. Toen brak de vervolging, n.b. door de wereldlijke overheid, tegen hen los. Velen vluchtten, anderen werden de grens overgezet, sommigen bleven en deden in het geheim hun werk.
In die tijd hield Camphuysen een preek onder de blote hemel te Rotterdam. De burgemeester probeerde hem van het podium af te krijgen, soldaten moesten er aan te pas komen, relletjes braken uit.
Toen Camphuysen zag. dat door zijn optreden gevaar ontstond voor het luisterende publiek, besloot hij om van het predikambt af te zien. Nochtans weigerde hij de Akte van Stilstand te ondertekenen.
Toen begon voor hem het zwerversleven, waaraan nauwelijks een einde komen zou.
Oproerig noemd'en schreef men my;
't Schrift stond op poort en straat;
Met plegers van boosdadery
Stondt ik in eenen graad.
Op zijn hoofd werd een prijs gezet van f 300;-.
O land! 0 land!
gy queekt ze op die u verra'en.
Hij kwam tenslotte in Amsterdam terecht, waar hij het drukkersvak leerde. Toen hem daar de grond te heet onder de voeten werd, nam hij met zijn compagnon de wijk naar Norden, een stadje in Duitsland (Oost-Friesland).
waar ze een nieuwe drukkerij opzetten. Daar was het, dat Camphuysen zich voorgoed als dichter een naam maakte.
Hij vond er enige ook verdreven vrienden, met wie hij in een hartelijke vriendschap samenleefde.
Maar ook in het rustige stadje Norden was het hem niet gegeven om rust te vinden.
In 1622 voltrok zich een ramp: de pestziekte tastte de bevolking van Norden aan. Toen kon Camphuysen zich bewijzen als iemand die het ernst is om een godzalig leven te leiden (hij bedoelde: een deugdzaam leven bestaande uit goede werken om daardoor het zalig leven te bereiken). Hij en zijn vrienden deden wat ze konden om het lijden van de zieken te verzachten. Het gezin van zijn vrienden moest dat met de dood bekopen; hij bleef met de zijnen gespaard. Toch vluchtte hij; niet voor de pest, maar voor het leger van de Graaf van Mansfeld, die niet bepaald bekend stond om zijn zachtzinnig optreden, Via Harlingen, waar weer iemand was die wel f 300,- wilde verdienen. bereikte hij Ameland. Vanwege zijn zwakke gezondheid moest hij al gauw terugkeren. Tenslotte vond hij een wijkplaats in Dokkum, waar hij met een vlashandeltje aan de kost trachtte te komen.
Een ongezonde bezigheid. Daar stierf hij in 1627. Maar ondertussen was er heel wat van hem in druk verschenen: dichtwerk zowel als theologische geschriften. Daarover zal het vervolg handelen.
De heer Janssens is leraar Nederlands aan het Joh. Calvijn lyceum te Kampen.