REUZEN
1975-01-31
Kok-Kampen geeft een wetenschappelijk commentaar uit op de boeken van de bijbel. In die serie is pas verschenen het eerste deel van een commentaar opGenesis.- Jaargang 19
- nummer 5
De schrijver is dr W. H. Gispen. Hij heeft het boek opgedragen aan de nagedachtenis van zijn zoon Willem Hendrik Gispen, die in 1969 in Dordrecht gestorven is. Hij was veertig jaar oud en Dienaar des Woords.
Dat doet je iets, als je die naam leest. In Hardinxveld-Giessendam gaan nog de verhalen over de oude Willem Hendrik Gispen de guitige en toch zo ernstige dominee uit de jaren rondom 1860.
Het is iets bizonders als de HERE meer dan een eeuw lang aan een bepaald geslacht de Dienst van het Woord toevertrouwt.
Nog een tweede opmerking vooraf: dit boek kost zestig gulden.
(Neem me niet kwalijk: het is f 59,90.) Dan hebben we een verklaring van Genesis 1-11. Heel Genesis zal dus wel zo'n driehonderd gulden komen te kosten.
Niet mis. Toch is die prijs ook maar weer betrekkelijk. Ik heb hier liggen het boek dat je het eerste deel zou kunnen noemen van de serie commentaren, door Kok uitgegeven. Het is het boek van prof. Van Gelderen over Amos. Dat verscheen in 1933 In mijn exemplaar staat nog met potlood de prijs. Dat was toen f 7,25. Maar toen zal menige domineesvrouw aan haar man gevraagd hebben: "Had je dat dure boek nou écht nodig voor je preken?"
Gispen vertaalt en verklaart eerbiedig en uiterst voorzichtig. Hij vermeldt allerlei uiteenlopende verklaringen. Laten we ons nu bezighouden met Genesis 6: 1-4.
Daar staat hoe het komt, dat er reuzen op aarde kwamen, de geweldenaars uit de vóórtijd. Gispen vermeldt nog niet eens de opinie van Willem Bilderdijk. Die schreef in "De ondergang van de eerste waereld" dat Adam en Eva voor de zondeval wel kinderen gelhad zullen hebben, die niet met de zonde van hun ouders meededen. Dat zouden dan de "zonen Gods" zijn, waar Genesis 6 van vertelt. Gispen vermeldt wél de opvatttng van mej. Ozinga, in haar boek dat in de R.B.-serie verschenen is. Mej. Ozinga verklaart de uitdrukking "zonen Gods" als "mannen" en 'denkt dat in Genesis 6 de veelwijverij wordt aangewezen en veroordeeld. Want de zonen Gods namen uit de dochters der mensen "die zij maar wilden".
U weet dat zeer algemeen de uitleg is, dat met "zonen Gods" de heilige linie xan Seth bedoeld is en met "de dochters der mensen" het geslacht van Kaïn. Dan krijg je in de preek over Genesis 6 deze toepassing, dat hier sprake. is van het "gemengde huwelijk". Geloof en ongeloof op eén kussen.
Maar als je los van die traditionele verklaringen Genesis 6 gaat lezen, dan krijg je de indruk. dat hier iets verteld wordt, dat “verdacht" veel lijkt op de heidense mythologie. De heidenen hebben hun verhalen over goden, die op de godenberg wonen, en over de balustrade heenkijken naar de aarde. Ze zien daar mooie vrouwen en schaken die. Uit de verbintenissen tussen goden en mensen worden dan de "halfgoden" geboren.
Kan het zijn dat de bijbel zo'n heidense mythe opneemt en daar het hare van zegt?
Gispen haalt in dat verband pater De Fraine aan, die in deze richting gedacht heeft. Maar die er dan wél dit van zei: "de affirmatie strekt zich alleen uit over de israëlitische bijbeltheologische transpositie van het bericht, niet over de primitieve, mythologische of sagische ondergrond ervan".
Prof. Gispen vindt dat een moeilijke zin. Maar, zegt hij. diezelfde zin vindt u als aantekening in de Kath. bijbelvertaling (K.B.S.) en dan wordt het "iets eenvoudiger geformuleerd". Als U die (Willebrord)vertaling hebt, is het leuk om eens na te kijken in hoeverre diezelfde zin dan eenvoudiger gemaakt is!
Wat mij betreft, ik geloof dat we, wanneer we het bericht lezen zoals het op ons afkomt, inderdaad wel kunnen denken aan verwantschap met de heidense mythen.
Maar "verwantschap" is geen "afhankelijkheid".
Wij horen in Genesis 6 dat er reuzen op aarde waren en we begrijpen ook dat hun "geweldigheid" van Gód kwam. Maar God zag dat ze hun geweldigheid gebruikten tot "geweld" en toen kwam de HERE tussenbeide. Hij heeft de macht van de geweldenaars drastisch beperkt. Die reuzen werd aan het verstand gebracht dat ze schepsels waren. De maximumleeftijd wordt 120 jaar. Aan elke geweldenaar komt een einde. (Maar aan elke zachtmoedige ook).
Ik heb van een medicus eens gehoord, dat men in zijn vakkringen oog heeft voor het merkwaardige feit, dat de gemiddelde leeftijd van de mensen de laatste jaren zo sterk en snel is omhooggeklommen.
Je hebt nu veel meer mensen die zeventig jaar worden, dan bijv. een halve eeuw geleden.
Maar dat de absolute leeftijd niét is opgeklommen. Een halve eeuw geleden was het een zeldzaamheid als iemand honderd jaar werd. Dat kwam in de krant. En dat is nu nóg zo. Je hoort nooit van iemand die 150 jaar geworden is. Mogelijk zit daar iets in, dat we in Genesis 6: 3 al horen:
"de mens ... zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn".
Misschien kan iemand die door zijn vakwetenschap hier verstand van heeft, in "Opbouw" zijn mening eens aan ons doorgeven?
De boodschap van Genesis 6 : 1-4 is in ieder geval, dat er in de voortijd reuzen waren. geweldigen, geweldenáárs, maar dat de HERE aan hun macht en geweld paal en perk gesteld heeft. Dát leerden de heidenen niet, in hun mythen! Dat leerde Israël wel, in zijn Heilig Boek.
Wij weten trouwens dat niet alleen de "voortijd" reuzen kende.
Wij kennen ze ook. De giganten.
Alleen zit het hem nu niet in het postuur van een enkele man, maar in het "reus-achtige" van de concerns, van de economische machten, van de staatsmacht hier en daar. "In de greep van het reus-achtige" noemde Rijnsdorp één van zijn boeken. Hoevelen zitten er niet in die greep! Het is juist het duivelse van de "reuzen", ook van onze tijd, dat ze doorlopend geweld plegen.
Wanneer er in Genesis 6 : 2 staat dat de zonen Gods de dochters der mensen namen, "wie zij maar verkozen"
dan zou ik bij dat laatste eerder aan geweld denken, dan aan veelwijverij of ongeremdheid.
Zoals in de wetten van Mozes en bijvoorbeeld ook zeer duidelijk in Amos 2 : 7 aangewezen wordt: "de machtigen buigen de weg der weerlozen om" en "vader en zoon misbruiken één-en-hetzelfde huisslavinnetje".
Hoeveel weerlozen kunnen het uitschreeuwen tot God, dat geweldenaars hun weg hebben omgebogen?
Kleine zakenmensen roepen dat uit tot de levende God.
Verdrukte minderheden roepen dit tot in de oren van Jahveh Zebaoth, Er zijn ook enkele staten met onderdrukte méérderheden.
En ergens is er misschien onder ons nog een huistiran.
Van al zulke lui en al zulke, machten zingen we, in het geloof aan de waarheid van Genesis 6:
"God zal de nederlaag bereiden aan hen die bouwen op geweld"
(Ps. 33: 6 nieuwe berijming)