EEN BOEK UIT HET VRIJGEMAAKTE LEERHUIS (2)

1975-01-31
  • Jaargang 19
  • nummer 5
F. van Deursen,
Psalmen I
De voorzeide leer, dl Ij
Barendrecht. 1974.
Prijs f 35,-.

We komen nu tot de uitleg der afzonderlijke psalmen. Twaalf stuks worden in dit eerste deel behandeld. Aangezien het geheel in twee delen zal worden uitgevoerd, zullen we moeten aannemen, dat niet alle honderdvijftig psalmen een beurt krijgen. Misschien mag ik dan, als dat tenminste nog niet te laat is. de schrijver de suggestie doen om in het tweede deel zijn keuze te verantwoorden.
Waarom 1, 2 en 15 wèl en 3-14 niet, bijvoorbeeld.
Maar dit in het voorbijgaan. Een kenmerkende trek van de geboden uitlegging is, dat ze op concretisering uit is, dat dus achter de psalmtekst gezocht wordt naar de concrete en bij voorkeur historische situatie waaruit hij geboren is, om zich daardoor bij de verklaring te laten 'helpen. Het bevreemdt dan ook niet, dat de opschriften boven de psalmen, vooral die welke naar zulke historische situaties wijzen, serieus genomen en in de uitleg verwerkt worden. Nu is er inderdaad geen reden voor dat we deze opschriften lichtvaardig zouden negeren.
Maar iets anders is toch, dat we ze als aanwijzingen voor de verklaring gebruiken. Bij vele psalmen krijgen we immers de indruk dat opschrift en inhoud van het lied met elkaar verbonden zijn via associaties, die ons merendeels ontgaan en ook moeilijk te achterhalen zijn. Zouden de concretiserende opschriften niet meer toepassingen achteraf kunnen zijn? Zoals dat het geval lijkt bij het gebed van Jona in de vis, Jona 2: 1 v.v.?
Maar ook zonder dat er een historisch opschrift voorhanden is, tracht de schrijver concrete achtergrond te reconstrueren. Dat is me vooral opgevallen bij de behandeling van ps. 46 (pag. 335 v.v.), Te overwegen is de typering, dat deze psalm uit de school van Jesaja komt, vanwege het immanuël-thema. Maar kunnen we zover gaan, dat we de belegering van Jeruzalem door Sanherib rond het jaar 700 v. Chr. tot in de finesses toe in de psalm terugvinden? Zeker, het overtuigt bijna, als we bij vers 6b: "God zal haar (d.i. de stad Gods) helpen bij het aanbreken van de morgen" als commentaar 2 Kon. 19 : 35 aangehaald vinden: "In die nacht ging de Engel van Jahweh uit en sloeg in het leger van Assur honderdvijfentachtigduizend man. Toen men vroeg in de morgen opstond, zie zij allen waren lijken." Maar bij vs 5a: "Een rivier - haar stromen verheugen de stad Gods", (een gegeven dat zeer moeilijk in te passen is in het gebeurtenisverloop van Jeruzalems belegering en ontzet in de dagen van Hizkia en Sanherib), lezen we: " ... als we bij dit moeilijke vers tot een aanvaardbare verklaring willen komen, zullen we wel aan beeldspraak moeten denken." Ik vraag me toch af of de beslissing: dit of dat is beeldspraak, zo' niet wat willekeurig genomen wordt, namelijk in die gevallen, waarin we met onze concretisering vastlopen. Methodisch overtuigt dat niet.
Maar afgezien daarvan, is het voor de uitleg vaneen psalm of van een lied in het algemeen nodig dat we de concrete achtergrond waaruit het ontstaan is, kennen? Naarmate een gedicht goed is, zal het in zichzelf begrijpelijk zijn. Een dichter namelijk probeert in een gedicht een concrete ervaring zo onder woorden te brengen, dat anderen met weer andere concrete ervaringen zich er in thuis kunnen voelen. Er zit dus in een gedicht als zodanig een richting van het concrete naar het bovenpersoonlijke, van het bijzondere naar het algemeengeldige.
Dat gaat zeker op voor het psalmboek, dat juist om die reden een huis met vele woningen is. Uitdrukkingen als: het water is tot aan de lippen gekomen, kunnen een veelheid van concrete situaties, tot achtergrond hebben en dat is juist de kracht ervan. Daarom ben ik bang dat je een psalm, door hem bij de uitleg te concretiseren, eerder van de mensen verwijdert dan hun naderbij brengt .. Je volgt dan een richting die tegengesteld is aan die welke in de psalm zelf zit.
Bovendien wek je op de manier de suggestie, dat de Schrift ook in z'n details een eenvoudig en begrijpelijk boek is, wat hij, geloof ik. veel minder is dan wij zouden willen.
Hoer zeer het dus goed is, in de Schrift op data en concrete historische situaties te letten, in het psalmboek kan dat slechts in een beperkt aantal gevallen. Dat is niet erg; de psalmen hebben dit niet nodig, ze spreken met heldere stem boven de concrete situatie uit.

Zijn de psalmen dan tijdloos of boventijdelijk? Nee, dat is het andere uiterste. Zij zijn uit het tijdperk van Gods openbaring aan Israël en dus uit een andere verbondsbedeling dan de onze. Dat maakt ze voor gebruik door ons niet ongeschikt en meerdere overstijgen zonder meer deze bedelingskaders.
Maar bij andere voel je duidelijk een barrière.
Dat is wat mij betreft het geval bij de 'onschuldspsalmen', waarvan er een, de 26ste, in dit boek besproken wordt (pag. 243 v.v.). "Ik heb in onschuld gewandeld" (vs 1). Terecht wijst de schrijver de gedachte af, dat dit een farizeese psalm zou zijn. Terecht bestrijdt hij ook de mening, dat er onder Gods volk slechts twee typen zouden bestaan: de farizeeër en de tollenaar; en dat deze psalm, die van de tollenaar niet kan zijn, dus van de farizeeër is.
"De Schrift kent nog een derde type: de rechtvaardigen!" (pag. 246) Dit is zuiver het geluid van A. Janse in zijn boek "Van de rechtvaardigen", waar we allemaal erg veel aan te danken hebben.
Toch wil ik vooral op dit punt het gesprek met de school van 'De voorzeide leer' op gang brengen.
De gedachte van A. Janse heeft in het verleden felle en veelszins ook onwaardige bestrijding ontmoet.
Als je je daarvan distanciëert, wil dat toch niet zeggen, dat je het met de gedachte zelf in alle opzichten eens bent. Ik voor mij heb hier twijfels. die in de loop van de tijd niet minder geworden zijn.
Is het werkelijk een marcionistische zin, als men stelt: "Het schuldbesef is onder het N.T. verdiept"? (pag. 244) Marcion zette beide testamenten in een onverzoenlijke tegenstelling tegenover elkaar. Dat is toch iets anders dan door de hele bijbel heen, van het begin naar het einde, een ontwikkeling te zien lopen van minder naar meer.
Die ontwikkeling, verdieping, is er toch in de Bijbel, juist ten aanzien van zonde en genade? "Wet doet zonde kennen", zegt Paulus (Rom, 3 : 20). Inderdaad, de wetsbedeling maakt in toenemende duidelijkheid openbaar wie wij mensen zijn. Ze laat zien. dat het Oude Verbond, dat God met zijn volk gesloten heeft, eindigt in een échec, in een caricatuur: God als een boeman tegenover zijn ongehoorzame volk (Jer. 31 :32). Naarmate dit duidelijk wordt opent de Here dan echter ook het uitzicht 'op een nieuw verbond, waarin Hij de gehoorzaamheid zal geven 'en de zonden vergeven.
Wij die weten van dit nieuwe verbond, zelfs van de sluiting ervan - we vieren die aan elk avondmaal -, kunnen wij nog op dezelfde wijze onze onschuld en rechtvaardigheid betuigen als in ps. 26 gebeurt? Of moeten we zeggen: Christus is de enig overgebleven rechtvaardige en onschuldige gebleken. Deze psalmen zijn van Hem geworden.
En alleen achter Hem aan, gelovend in Hem, zingen wij ze mee.

In de achter ons liggende adventstijd heb ik me weer eens opnieuw bezig gehouden met de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth, over wie Lucas schrijft in Luc. 1: 6: "Zij waren beiden rechtvaardig voor God en leefden naar alle geboden en eisen des Heren,onberispelijk." Het is duidelijk: hier hebben we de rechtvaardige, zoals we hem ook in het psalmboek ontmoeten, de rechtvaardige van het Oude Verbond.
Ik denk dat Lucas hem aan het begin opzettelijk thematisch opvoert, om aan deze Zacharias te demonstreren, dat bij het dagende licht van Christus de ster van deze onberispelijkheid verbleekt en ook de rechtvaardige een door het geloof in Christus gerechtvaardigde moet worden. Want Zacharias doorstaat de confrontatie met de engel Gabriël niet, die hem als nieuwtestamentische boodschapper tegemoet treedt.
Dat was maar geen zonde uit zwakheid bij Zacharias. Hier faalde een mens op het hoogtepunt van zijn leven. Ik bedoel niet, hem dit persoonlijk zo zwaar aan te rekenen - wie ben ik? -, maar ik let nu op de plaats waar hij in de geschiedenis van het heil gesteld was. God laat aan zijn voorbeeld zien, dat de oudtestamentische rechtvaardige niet zomaar onveranderd het nieuwe verbond kan binnen stappen. Dat gaat door een crisis heen.
Als je zo aan het begin van het N.T. deze Zacharias tegen komt, kan de gedachte je bekruipen: voor wie Christus ook in de wereld gekomen is. voor Zacharias was dat in ieder geval niet nodig, die wàs al rechtvaardig en onberispelijk.
- Totdat je doorleest ...
Het begin van Lucas' evangelie laat zien, dat het échec van het oude verbond, waar Jeremia van sprak, zich ook moest voltrekken aan de gelovige rest, die uit Israëls verbondsgeschiedenis was overgebleven. DH spitste zich nog toe rond Golgotha. Daar is van de kleine rest-gemeente Judas tegenwoordig, maar als goddeloze, immers verrader van zijn Meester. En daar is ook de rechtvaardige in de persoon van Petrus. maar falend, immers zijn Meester verloochenend. We moeten hen niet op één hoop vegen, Judas en Petrus, deze goddeloze en deze rechtvaardige, ze staan tegenover elkaar, maar in een gebroken en onzuivere tegenstelling.
De enige rechtvaardige die over blij ft is Jezus zelf. Op het moment dat het nieuwe verbond in zijn bloed gesloten wordt, is het échec van het oude verbond ten volle gebleken. Sedert dien hebben we Hem voor ogen als we de psalmen zingen.
Daarmee zijn de rechtvaardigen, die in het psalmboek hun onschuld betuigen, niet voor farizeese huichelaars verklaard. Zij leefden en spraken bij het openbaringslicht dat ze toen hadden, in de tijd dat God nog niet ten einde toe met zijn volk in het gericht was getreden. Maar wie tijdens en na dit gericht deze psalmen wil zingen, kan dat alleen maar doen als discipel van de Here Jezus en dan geldt wat ergens van Jezus en zijn discipelen geschreven staat: ,,'" en Jezus ging voor hen uit, en zij waren zeer verbaasd, en zij die volgden, waren bevreesd" (Marc. 10: 32).
Niet dat Gods gericht ons altijd en overal voor ogen staat: "volmaakte liefde drijft de vrees uit" - adviseert de apostel (1 Joh. 4 : 17 v.v.). Maar wie kent niet bij tijden de schrik des Heren? Als we die nooit kennen, vrees ik dat wij zijn als de rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben, Luc. 15 : 7 - een Schriftplaats, die voor mijn gevoel zeer kenmerkend, ontbreekt in het tekstregister van A. Janse's boek.

Zeker, Christus ontbreekt niet in het psalmencommentaar van Van Deursen. Zijn werk ligt, door God vóórgezien. ten grondslag aan het verbond, waarin de rechtvaardige staat en leeft en Hij staat verder, op de wijze van Israëls offercultus, in voor de zwakheden, die nog tegen onze wil in ons overgebleven zijn (zie pag. 248). Hij is aanwezig als de verbondsgrondslag (pag. 251). Maar de gedachte, dat het Oude Verbond, waartoe het psalmboek behoort, steeds duidelijker een crisis binnengeleid wordt, waarin zelfs de rechtvaardige niet kan bestaan en dat er aan het eind maar één over blijft, die dat wèl kan, Jezus Christus, m.a.w. dat het verbond, waarvan de psalmen als verbondsliederen zingen, niet maar Jezus Christus en zijn werk tot grondslag heeft, maar ook op Hem uitloopt - die gedachte ontbreekt in dit boek.
En dat bepaalt, als ik tenminste goed aanvoel, ook de sfeer ervan.
Die sfeer is er een van gemoedelijke verbondsgezelligheid. die hier en daar haast in kneuterigheid ontaardt: "Ziet u, dat het bij Jahweh wat kan lijden?" (pag. 266). Deze gemoedelijkheid heeft trouwens als keerzijde een zeer harde taal naar de kant van hen die als goddeloos bestempeld moeten worden (passim), een taal waarin ik de sparende deernis mis, die zo kenmerkend is voor de wijze waarop bijvoorbeeld Petrus over Judas spreekt, Hand. 1 : 16 v:v, Alsof Petrus zich bewust is, hoe dicht hij bij Judas gestaan heeft. Als daar nog tijd voor is, laat Van Deursen dan oppassen bij wat hij in het tweede deel over de wraakpsalmen gaat zeggen.
Ik weet wel, de schrijver .is bang voor gemakzucht van mensen die zeggen: wij zijn allemaal zondaars.
Terecht wijst hij erop, dat het toch echt de bedoeling is van het verbond, dat God met ons sluit, dat wij "de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven."
Maar laten wij het vooral christelijk houden, want de apostel vervolgt: "verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van onzen groten God en Heiland. Christus Jezus, die zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken" (Tit. 2 : 12-14).
Geen misverstanden, dit laatste aanvaarden ds Van Deursen en de school waartoe hij behoort volkomen.
Wat ik als vraag aan hen heb, kan duidelijk zijn: moet Christus niet duidelijker ter sprake komen, als we het over de psalmen hebben? Niet alleen bij het fundament. maar, om zo te zeggen, bij elke steen die op dat fundament gemetseld wordt. Anders gevraagd: is deze psalmenuitleg, die zo uit is op historische concretisering, ten diepste toch niet onhistorisch, omdat hij te weinig let op de bedelingen in de verbondsgeschiedenis? Is er zo eigenlijk wel verschil tussen oud en nieuw verbond? Ik heb de indruk, dat het nieuwe verbond hier als een fundament onder het oude geschoven wordt. Kan dat?
Is dat inderdaad niet onhistorisch?
Maar misschien berust alles wel op een accentverschil. Het is waar, dat een mens niet voortdurend in die gerichtsernst, waarover i:k het had, kan leven. Misschien dat hij die slechts zelden bereikt. Het is mogelijk, dat voor doorgaans deze school gelijk heeft en voor soms ik. Deze opmerking lijkt na al het gezegde vreemd, maar toch maak ik haar.
Ik ben namelijk bang om een verschil van inzicht op een zo moeilijk terrein tot een tegenstelling op te blazen. Het is toch mogelijk, dat we beiden tegen aspecten van de waarheid aankijken.
Ik weet zelf maar al te goed dat er situaties kunnen zijn, waarin je met alle verontwaardiging van een psalm zeven je onschuld voor God betuigt. Daarbij denk je niet dadelijk aan Christus. pan gebruik je het psalmboek rechtstreeks.
Maar heb ik dat nu alleen, dat. wanneer ik later nog eens aan zo'n situatie terugdenk, mij dit psalmgebruik niet zo gemakkelijk meer afgaat? Een ander inzicht krijgt dan de overhand: tesamen zijn wij afgeweken (naar ps. 14). Dit doet dat eerste Schriftgebruik niet te niet; het is zonder meer een genade om in je gekwetst rechtsgevoel opgevangen te worden door het psalmboek.
Maar later, als je toorn gezakt en je verontwaardiging geluwd is, kom je met hetzelfde weer anders voor God. .
Wij kunnen er niet omheen, dat Paulus in Rom. 3: 10-18 uitgerekend met psalmwoorden een beschuldiging opbouwt, die tot ons allemaal gericht is: "Wij weten, dat de wet tot hen spreekt, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde ... " (Rom. 3: 19).
Het typische van de Bijbel is, dat hij eerst de scherpe antithese stelt tussen de rechtvaardige en de goddeloze en vervolgens deze antithese in de crisis brengt. En er is er maar één die uit deze crisis als rechtvaardige tevoorschijn komt. Bij het veelsoortige gebruik, dat het psalmboek ons toestaat komen we tenslotte bij Hem terecht. Aan de verhouding tot Hem wordt uiteindelijk duidelijk, wie goddeloos en wie rechtvaardig is.
Maar genoeg nu. Ondanks de gestelde vragen blijf ik het boek van ds Van Deursen een rijke en verrijkende studie noemen die in de boekenkast van het gezin, de studieclubs en de pastorie z'n bruikbaarheid zal bewijzen. De prijs hoeft geen verhindering te zijn. die roemt tegen de inflatie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief