Kerk en stad
2005-04-08
In De Waarheidsvriend van 24 februari geeft drs. P.J. Vergunst (de opvolger van ir. J. van de Graaf als algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond) aandacht aan een opmerkelijk geluid, afkomstig van de Rotterdamse predikant dr. A.- Jaargang 49
- nummer 7
Polhuis. In verschillende bladen heeft hij zich recent uitgelaten over zijn huidige visie op de diaconale taak van de kerk; op een dusdanige wijze dat er de mare van uitging: 'De protestantse gemeente van Polhuis maakt plannen om het diaconaat af te schaffen.' Nu is ds. Polhuis iemand die op het terrein van kerk en diaconaat zijn sporen bepaald wel verdiend heeft:
In 1983 kwam hij als diaconaal predikant in Rotterdam-Centrum, in 1995 werd hij directeur van de stichting Oikos, een oecumenische ontwikkelingsorganisatie en sinds 2000 is hij als predikant verbonden aan de protestantse gemeente Pendrecht-Heijplaat. Je zou kunnen zeggen dat ds. Polhuis - evenals ds. Hans Visser van de Pauluskerk - het gezicht was van hen die in Rotterdam tot maatschappelijke actie bereid waren, die stem gaven aan degenen die zich onderdrukt voelden. En nu, na ruim twintig jaar, moet het roer in de havenstad om. Wat zegt de predikant? ‘De kerk verwaarloost haar kerntaak: mensen trekken. Helpt ze alleen armen, dan betekent dat het einde van kerk én diaconaat. Hulp aan armen en sociaal zwakkeren hoort op dit moment niet tot de kerntaken van de kerk, die zich vanwege leegloop en vergrijzing wel bij die kern moet houden.
Nu de helft van de Rotterdamse leden uit zestig-plussers bestaat, kan de beschikbare energie beter besteed worden aan het werven van nieuwe leden. Want diaconaat kost veel en is niet wervend.’ Ds. Polhuis maakt een vergelijking met het bedrijfsleven. ‘Als het bij Philips slecht gaat, stoten ze divisies af, omdat ze er een tijdje geen slagkracht voor hebben.
Dat zouden wij ook moeten doen.’ Hij noemt de kerk te passief. ‘Te lang hebben we gedacht dat de zorg voor zwakkeren een goede manier was om de kerk levend te houden. Nu kampen we met achterstallig onderhoud. Het diaconale werk kan alleen als er een levendige gemeente is die het kan uitvoeren.
Daarom moet onze aandacht nu vooral uitgaan naar het verstevigen van de basis.’
Vergunst voegt daaraan toe:
De analyse van ds. Polhuis over de Rotterdamse gemeente stemt tot grote somberheid. Als er vanuit zeven wijkgemeenten slechts een paar catechisanten komen, als het nauwelijks meer lukt om ambtsdragers te vinden, als de 58-
jarige predikant het jongste gemeentelid in zijn eigen wijk is - dan is het reëel om ons af te vragen of ‘de kandelaar van het Evangelie’ weggenomen gaat worden.() De noodklok die ds. Polhuis over Rotterdam luidt, verdient gehoord te worden. Juist waar hij zelf gemeend heeft dat aandacht voor de zwakkeren en de armen de kerk nieuw elan zou geven, mogen we het nu aanwezige inzicht dat de kerk zo geen toekomst heeft, als een stem uit de praktijk waarderen. Zijn mening komt niet voort uit een of andere ideologie, maar uit eigen waarneming in Rotterdam.
Uiteraard spelen veel andere factoren in de terugloop of zelfs de leegloop van de gemeenten mee. Jonge mensen zijn naar omliggende plaatsen vertrokken, de aanwezigheid van andere wereldgodsdiensten is sterk gegroeid, de relevantie van het Evangelie wordt minder ervaren, enz.
Maar dat neemt het waarheidsgehalte niet weg uit ds. Polhuis’ woorden, dat een eenzijdige nadruk op het diaconaat de gemeenten uiteindelijk niet bouwt. () De noodkreet van ds. Polhuis is allereerst te verstaan als een oproep om het Woord van God centraal te stellen. Dat is, om de taal uit het bedrijfsleven te gebruiken, core business van de kerk. De gemeente leeft van de opening van het Woord, of ze leeft niet. De kerk heeft als haar identiteit het centraal stellen van de Heilige Schrift, of ze onderscheidt zich niet meer van maatschappelijke organisaties.
Waar de Bijbel als van levensbelang gezien wordt, gaan brood voor het hart en brood voor de maag gelijk op. Waar dat plaatsvindt, zal zicht op het eeuwige leven én troost voor het dagelijks bestaan beide geboden worden. () De kerk moet de grote steden hoog op haar ‘prioriteitenlijstje’ zetten, ook ter bemoediging van degenen die in de steden arbeiden. Daarbij zal zending zending moeten blijven, zal diaconaat diaconaat moeten zijn, zonder beide uiteen te trekken. Daarbij geldt dat het goed doen aan anderen alles te maken heeft met onze eeuwige bestemming. De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan begint met de vraag wat te doen om het eeuwige leven te beërven. De vraagsteller krijgt als antwoord mee om een naaste te zijn voor anderen, om zich te spiegelen aan de barmhartigheid van de Samaritaan.
Zo is diaconaat ook core business voor de kerk. Doen wat Jezus geboden heeft. Maar dan wel in Zijn Naam.