Een vesting om te nemen?
2012-11-10
‘Het zit in mij. Het zit absoluut in mij. Maar als ik een kerk binnenstap, heb ik de neiging om op mijn hoge hakken 180 graden te draaien en de deur weer uit te lopen.- Jaargang 56
- nummer 22
Vooral bij de zogenaamde laagdrempelige gemeenten waar iedereen het zo “fijn” heeft met elkaar. Dat soort kerken hebben geen vreemden nodig. En al helemaal geen alleengaanden van 25+. Dat zijn gesloten gezelligheidsbolwerken voor “ons soort mensen”: stellen, liefst met kinderen. Je moet keurig in het sjabloon passen of een buitengewoon buitenbeentje zijn waar liefdevolle broeders en zusters hun diaconale gaven op kunnen uitleven.
Voor hen zijn die kerken best laagdrempelig. Wát die drempel trouwens laag maakt, is me onduidelijk. De welkomstcommissie die je met een ferme handdruk welkom heet? Leuk voor gemeenteleden en bekenden. Maar ik ben wel eens bij een kerk weggelopen waar zo’n man vlak naast de post van de kerkdeur galmend iedere binnenkomer welkom heette. Die vesting was me veel te hoog om te nemen.’ De vrouw onderbreekt haar gepruttel om een hap rijst met curry te nemen. Haar geluid is niet nieuw. Sterker nog, ik moet bekennen dat ik vaak ook heel diep moet ademhalen voor ik een onbekende kerk binnenstap. Om onduidelijkheden te voorkomen: geen kerken waar ik een taak heb. Zelfs als ik kom als ‘de vrouw van’ heb ik het idee dat er iemand op me wacht. En daar zit de crux van het verhaal: hoe geef je als kerk mensen een gevoel van ‘gezien worden’?
Als je het mij vraagt, gaan de kinderen van de wereld ook op dit vlak verstandiger met elkaar om dan de kinderen van het licht. Onlangs vertelde een ouder lid van een horecafamilie me: ‘Als de kinderen allemaal rustig aan tafel zaten, kon ik ze even bij het kindermeisje achterlaten en naar beneden lopen om de gasten te begroeten.
Iedere avond ging ik een kwartiertje langs de tafels om een praatje te maken. Het leukste is dat de gasten altijd zeiden: “Het is toch wat, ze heeft elf kinderen en ze is er áltijd.”’ Ze lachte zelf hartelijk om het verhaal. Maar door dat kwartiertje iedere avond had ze enorm bijgedragen aan de opbouw van het imperium. Ik wist dat de gasten zich gezien voelden door mevrouw zelf: ze hadden haar zelf gesproken, konden tegen haarzelf zeggen of alles naar wens was, of niet, en mevrouw zag zelf tijdens het spitsuur welke vaste klanten er waren, wie nieuw was en of alles aan de tafels in orde was. Dat deed mevrouw niet omdat het haar plicht was, maar omdat het bedrijf haar hart had.
Ik geloof stellig dat het veel bijdraagt aan de sfeer in de gemeente als de voorganger zondags ook zoiets doet door ruim op tijd in de kerk te zijn. Blij om de mensen weer te ontmoeten loopt hij of zij in de hal rond om bekenden en onbekenden met een groet en een praatje op te wachten.
Na de dienst is de dominee er weer, zodat mensen hem zelf kunnen aanspreken of andersom, zodat de dominee zelf deze of gene nog even kan aanschieten met een ‘hoe is het en hoe gaat het?’ Uit ervaring weet ik dat het doorwerkt. Bij jongeren en ouderen, bij bekenden en, ja hoor, ook bij alleengaande onbekenden. Niet omdat het je plicht is, maar omdat je het fijn vindt om al die mensen te ontmoeten. Een voorganger heeft toch minstens zo veel hart voor zijn gemeente als een horecamoeder voor haar bedrijf?
Emmy Viezee-Fock is bedrijfsjournalist en lid van de NGK Krommenie.