Ga die akker op en zaai
2012-11-10
Nieuw geplante gemeenten bereiken meer niet-kerkelijken dan oudere kerken. Die conclusie kreeg de meeste aandacht na het verschijnen van mijn afstudeeronderzoek naar kerkplantingen. Maar in de kerk mogen cijfers nooit de dienst uitmaken. Veel belangrijker is hoeveel wij van het Evangelie verwachten en hoe vurig wij verlangen nietkerkelijken te bereiken. Dat is een vraag die elke gemeente bezig zou moeten houden, net ontsproten of eeuwenoud.- Jaargang 56
- nummer 22
Kerkplanting komt ook in de Nederlands Gereformeerde Kerken steeds hoger op de agenda te staan. Waar Norman Viss rond 1995 nog een eenling was, zijn ruim 15 jaar later Nederlands Gereformeerden betrokken bij kerkplantingen in onder meer Sliedrecht, Zaandam, Utrecht, Den Haag, Amsterdam, Wageningen en Heerhugowaard. Allen met een belangrijk doel: het verkondigen van het Evangelie, in het bijzonder aan nietkerkelijken.
Voor mijn afstudeeronderzoek aan de theologische faculteit van de Vrije Universiteit heb ik onderzocht of deze en andere kerkplantingen daarin slaagden.
Lukte het hen om niet-kerkelijken te bereiken? En zo ja, hoe?
De resulterende cijfers hebben in de pers veel aandacht gehad. Dat verwonderde mij niet, want ik was zelf ook verbaasd door het grote verschil tussen kerkplantingen en kerken ouder dan tien jaar. Kerkplantingen bleken vele malen effectiever te zijn in het bereiken van niet-kerkelijken dan de oudere kerken.
Toch ligt het meest interessante onderdeel van het onderzoek volgens mij op een ander vlak. Aan cijfers alleen kun je theologisch gezien namelijk vrij weinig afleiden. Het is niet zo dat degene met de grootste bekeringsaantallen een betere theologische waardering verdient dan iemand met minder bekeerlingen.
Als dat zo zou zijn, zou Jezus er tijdens zijn aardse leven bekaaid vanaf zijn gekomen en zou Jona de missionaire held zijn. De Bijbel tekent een ander beeld. Net als Paulus – die schrijft dat hij heeft geplant, Apollos heeft begoten maar God de groei heeft gegeven – pleit ik er dan ook voor om de mate van groei volledig bij God te laten liggen. Cijfers mogen nooit van doorslaggevende betekenis zijn in de kerk. Groter is niet altijd beter!
Ondernemer
Dit geeft ruimte en lucht om onze verantwoordelijkheid te nemen, namelijk het planten en begieten van het Evangelie.
Om het met Prediker te zeggen: wie altijd op het resultaat let, komt nooit aan zaaien toe. We kennen de wegen van God niet. Zaai dus maar van de morgen tot de avond, laat je hand niet rusten, want je weet niet of het zaad de ene, de andere of elke keer ontkiemen zal.
Ook op dit vlak heb ik onderzoek gedaan. Ik wilde weten of er in het planten en het begieten verschillen zichtbaar waren tussen de oudere kerken en de kerkplantingen. Daar heb ik een aantal hypotheses voor opgesteld en getest. Ik zal ze niet allemaal beschrijven.
Wel wil ik twee hypotheses uitlichten die de grootste verschillen lieten zien.
Allereerst bleken de planters en begieters in kerkplantingen en oudere kerken verschillende persoonlijkheidskenmerken te hebben. Voorgangers binnen oudere kerken zagen zichzelf over het algemeen als leraar, voorgangers binnen kerkplantingen zagen zichzelf over het algemeen als ondernemer. Ben je een doener of een denker? Zoek je naar avontuur of houd je meer van stabiliteit? Deze en andere vragen lieten duidelijke verschillen zien.
Dit onderstreept de stelling van Robert Doornenbal in zijn proefschrift: missionaire nood vraagt om een bepaald type leiderschap dat minder op academische vaardigheden berust en meer op spirituele en praktische vorming. De juiste werker op de juiste plaats dus, mét de juiste opleiding.
Of de huidige opleidingen voldoende ruimte bieden voor deze persoonlijkheidsverschillen?
Dat is een belangrijke en spannende vraag.
Een ander verschil deed zich voor op het gebied van de verwachtingen die er in kerken leefden ten aanzien van het Evangelie en de verlangens die er in kerken leefden om niet-kerkelijken te bereiken met dat Evangelie.
Waar 69 procent van de voorgangers van de oudere kerken zei dat het verlangen om niet-kerkelijken te bereiken in de kerk die zij dienen ‘een beetje’ aanwezig was, zei 87 procent van de voorgangers van de kerkplantingen dat dat verlangen in hun kerken ‘sterk’ aanwezig was. Voorgangers van de kerkplantingen gaven vaker aan dat gemeenteleden vol verwachting uitzagen naar wat God in het leven van betrokken geraakte nietkerkelijken ging doen dan voorgangers van de oudere kerken (45 procent versus 16 procent).
Ook de stelling dat een niet-kerkelijke duidelijk opmerkt dat God mensenlevens vernieuwt, werd door de kerkplanters sterker onderschreven dan door de voorgangers van de oudere kerken (61 procent versus 21 procent). Daarbij gaven kerkplanters vaker aan dat er in hun gemeenschappen een hoge verwachting leefde dat er niet-kerkelijken tot geloof zouden
komen en toe zouden treden dan
voorgangers van de oudere kerken (56 procent versus 7 procent).
Het is niet meer dan logisch dat deze verschillen van grote invloed bleken te zijn op de mate waarin kerken hun tijd, geld en energie aanwendden om niet-kerkelijken te bereiken. Lage verwachtingen en verlangens bleken ervoor te zorgen dat veel kerken nauwelijks bezig waren met het zaaien van het Evangelie in de levens van niet-kerkelijken.
En dan hebben we het wel over wezenlijke dingen. Dr. Sake Stoppels schreef daarover in het tijdschrijft GEESTkracht. Hij schreef: “Het lijkt erop dat we ons soms nog nauwelijks kunnen voorstellen hoe verrijkend en bevrijdend het Evangelie is. Voor ons, kerkmensen van den beginne, nu eenmaal behept met geloof, is het op zich misschien prima – we weten ook niet anders – maar een antenne hoe fundamenteel vernieuwend het Evangelie werkt in mensenlevens lijkt soms te ontbreken. In een kerkelijke gemeente werd eens gevraagd naar grondtonen die in het leven van de gemeente – bewust dan wel onbewust – klonken. Bij die vraag kwam het gevoel naar boven dat het Evangelie voor de huidige generatie kerkmensen nog prima is, maar dat je er in deze tijd bij buitenstaanders eigenlijk niet meer mee kunt aankomen. Die ondertoon in deze gemeente is bepaald geen incident, maar zal breed worden herkend, vermoed ik.
Het is het besef dat het Evangelie van Jezus Christus zijn tijd heeft gehad.
Onuitgesproken en onbewust leeft dat besef misschien wel heel breed binnen kerken. Daarom ligt hier in mijn ogen een grote uitdaging voor kerkopbouw.” Dit deel van mijn onderzoek raakte mij het meest. Want groter is niet altijd beter, maar beter is wel altijd beter. En een lage verwachting van het Evangelie en weinig verlangen om niet-kerkelijken te bereiken is zeker niet beter.
Akker
Hoe komt het dat kerkplantingen en oudere kerken hier zo in verschillen?
Daar kun je lang over nadenken, met het gevaar dat je het verschil gaat rechtvaardigen, alsof het een logisch proces zou zijn. Wat overigens aantoonbaar niet waar is, omdat ook oudere kerken met een hoge verwachting van het Evangelie en een diep verlangen om niet-kerkelijken te bereiken meer dan gemiddeld groeien door toetreding van niet-kerkelijken. De vraag die er meer toe doet, is daarom of de huidige situatie wenselijk is. En zo nee, welke mogelijkheden wij hebben om dat te doorbreken.
Een tienstappenplan met succesgarantie bestaat niet. Wel denk ik dat er een aantal ingrediënten nodig is: het Evangelie op dit punt zelf laten spreken, eerlijk in de spiegel durven kijken, het uiten van teleurstellingen en alles samen in gebed brengen. Maar ook: daadwerkelijk een geloofsstap nemen door laarzen aan te trekken, gereedschap ter hand te nemen en op de akker aan de slag gaan.
Laat me hierin iets van mijn eigen ervaringen vertellen. Natuurlijk geloofde ik wel in de bevrijdende kracht van het Evangelie, anders was ik nooit in Heerhugowaard aan de slag gegaan. Maar als je de opdracht krijgt om in een stad waar meer dan 98 procent van de mensen nooit of nauwelijks een kerkdienst bezoekt het Evangelie te verkondigen – en dan ook nog zonder groot budget, zonder eigen gebouw en zonder goedlopende organisatie – dan word je helemaal op het Evangelie teruggeworpen.
Dat in het diepe geworpen worden is spannend, maar ook heilzaam. Vooral als je door heel eenvoudig mensen te dienen, relaties op te bouwen en mensen uit te nodigen merkt dat mensenlevens veranderen en opbloeien. Die herontdekking, dat het Evangelie zo’n bevrijdende kracht heeft en dat mensen echt veranderen, is een enorme stimulans om met vreugde en verwachting van God te blijven zaaien en begieten.
Het loslaten van je zekerheden en kerkelijke rijkdom en eenvoudig aan de slag gaan is daarin doorslaggevend geweest.
Kerkplanting kan helpen om de bevrijdende kracht van het Evangelie voor niet-kerkelijken weer te herontdekken.
Die ervaring is misschien vergelijkbaar met die van jongeren die een paar weken meehelpen met World Servants.
Het enthousiasme waarmee zij terugkomen is vaak groot. De kerken waar ze uit voortkomen en die voor hun voortbestaan over het algemeen niet afhankelijk zijn van het toetreden van nieuwe gelovigen (omdat ze de begroting en het kerkelijke leven zonder hen ook wel rond krijgen) ervaren door hun verhalen en belevenissen een frisse wind.
Zo kan kerkplanting ook functioneren.
Het is eigenlijk zending dicht bij huis. Kerkplanting staat niet tegenover kerkvernieuwing, maar kan daar juist een middel toe zijn. Het kan vitaliteit geven om bij zendingsprojecten (veraf of dichtbij) betrokken te zijn. Of om als kerk of als Nederlands-gereformeerde regio zelf een kerkplantingsproject te starten.
Want dat we niet alleen gericht dienen te zijn op kwalitatieve groei van de bestaande kerken maar ook op kwantitatieve groei, staat buiten kijf. Er zijn tal van nieuwbouwwijken en nieuwe bevolkingsgroepen die door de huidige kerken niet bereikt worden en niet bereikt kunnen worden. Soms ligt dat aan de vorm, maar het ligt ook gewoon aan de aantallen mensen. Stel dat 1 procent van de Heerhugowaarders zich zou willen bekeren en zich bij een christelijke gemeenschap in hun eigen stad zou willen aansluiten, dan zou dat met het huidige aantal kerken puur om getalsmatige redenen niet eens mogelijk zijn.
Wie kerkplanting als concurrentie betitelt, sluit zijn ogen voor de praktijk.
De toekomst van de kerk in Nederland hangt niet af van kerkplanting. Ze hangt alleen af van God. Maar die God roept ons wel op om te gaan zaaien en te begieten. En Hij heeft daartoe kerkplanting als gereedschap in de schuur gezet. Als Nederlands-gereformeerde regio’s dit gereedschap ter hand nemen, zou dit wel eens voor groei in kwantitatieve én kwalitatieve zin kunnen zorgen.
Alrik Vos is kerkplanter in Heerhugowaard en deed voor zijn masterstudie theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam onderzoek naar kerkplantingen binnen de NGK, CGK en GKv. Zijn onderzoek is te downloaden via www.ea.nl/onderzoek.
| Internettips Mocht u op de hoogte willen blijven van kerkplantingen waar Nederlands-gereformeerden bij betrokken zijn, kijk dan eens op: www.dehavenkerk.nl www.rijnwaarde.nl www.icfwageningen.org www.oasenieuwwest.nl www.pand33.nl www.hartvoorheerhugowaard.nl Schrijf u in voor één of meerdere nieuwsbrieven. Hart voor Heerhugowaard is ook aanwezig op Facebook. Wie op ‘vind ik leuk’ klikt, kan meelezen en meeleven. Zie www.facebook.com/Hartvoor-Heerhugowaard. |