Het gaat ook om een belofte
1975-02-07
Er is aan de kwestie dr Wiersinga nóg een aspect dat naar mijn overtuiging de volle aandacht verdient Ik kan dat misschien het meest concreet beschrijven door een verhaal te vertellen. Ik wil dat speciaal doen met het oog op de jongere generatie die niet hebben meegemaakt wat in de jaren dertig heeft plaats gevonden.- Jaargang 19
- nummer 6
In de jaren dertig was er een opmerkelijke beweging in de Geref. Kerken gaande. Een aantal jonge predikanten - o.a. Van Teylingen, Zuidema, Schippers, Vonk, Van 't Veer, Van der Vegt Van ‘t Veer, Holwerda, Van den Born en ik - hadden langs verschillende wegen, en veelal onafhankelijk van elkaar, maar niet het minst door de Calvijnstudie oog gekregen voor de scholastieke vervorming van de leer omtrent het verbond, de belofte. de doop enz. die in de Geref. Kerken gangbaar was geworden. Ze hadden ingezien dat het spreken van een inwendig en een uitwendig verbond; van een in- en uitwendige zijde, een "wezen" en een "verschijning" daarvan; van een doop "in volle" en "niet volle zin"; van een belofte als "heilstoezegging", als algemeen aanbod van genade" en, als consequentie daarvan het houden van de te dopen kinderen voor wedergeborenen niet reformatorisch was, niet op de belijdenis was gefundeerd en evenmin in de Schrift werd geleerd.
En ze hadden ervaren in de pastorale praktijk hoe funest die vervorming dikwijls op het geloofsleven inwerkte. Met enthousiasme verkondigden ze in de prediking, in lezingen, cursussen publicaties enz. wat ze hadden ontdekt. Ze ervoeren dat als een gave en een opdracht van Christus Met grote felheid werd op hun optreden door vooraanstaande theologen gereageerd. Ze werden zelfs gescholden voor “baardeloze knapen" die van Kuyper en Bavinck niets afwisten, als lieden die de situatie in de Geref. Kerken erger maakten "dan voor “Assen"."
In die tijd heb ik mij toen geworpen op de studie van Kuyper en andere gereformeerde theologen.
Ik heb toen o.a. alle Herauten doorgewerkt en, voor zover die te bereiken waren, de theologische geschriften van mannen als Gispen, Helenius de Cock, Bos, Lindeboom, Heins, Ten Boer en andere "Afgescheidenen". Ik merkte daarin dat wat wij propageerden in de Geref. Kerken ook altijd ongehinderd was verdedigd en wij dus niets nieuws vertelden.
Wat ik zo gevonden had publiceerde ik in het begin van de oorlog in het weekblad Pro Ecclesia en, om- en uitgewerkt, in het vierde hoofdstuk van mijn Predik het Woord. Ik deed dat met de bedoeling en in de hoop enigszins pacificerend te werken.
Het heeft niet gebaat!
Zoals men weet resulteerde het verzet tegen wat deze jonge mensen predikten in een synodaal ingrijpen dat ten gevolge had dat er door de synode een reeks leeruitspraken" werd uitgevaardigd die den volke als vertolking van "goddelijke waarheden" op de consciëntie werden gebonden. In de leeruitspraken over het verbond etc. verklaarde de synode dat ze niets deed dan een leeruitspraak van de synode van 1905 herhalen.
Mijn vrienden dr Dam, Holwerda en ik zijn toen gezamenlijk een studie begonnen over die leeruitspraak van 1905. Het resultaat daarvan publiceerden wij in het boekje Rondom ,,1905". We deden dit ook al weer met de bedoeling pacificerend te werken. We waren door deze studie namelijk tot de overtuiging gekomen dat ook de leeruitspraak van 1905 zich niet richtte tegen wat wij verkondigden. 1) Maar ook deze poging om vrede te stichten boekte geen succes.
De synoden zetten door Ze wezen alle bezwaren af. Ds Van Teylingen schreef in die dagen zijn briljante studie Aard en achtergrond van het geschil in de Geref.
Kerken, waarin hij aantoonde dat de opvattingen van de "verontrusten" van die tijd voluit confessioneel waren. 2)
Ik schreef met hetzelfde resultaat mijn In den chaos.
Maar ook deze oefenden geen invloed in de synodale kringen.
Ook een poging om een met behulp van Berkouwer's Het Roomsch-Katholieke Dogma opgestelde "Verklaring van Gevoelen"
de synode te contenteren liep op niets uit. Die Verklaring werd ondanks herhaalde verzoeken daarover een uitspraak te doen door de synode niet eens in behandeling genomen.
Het einde van het drama was dat de synode eiste dat de ambtsdragers der kerk niets anders mochten leren dan wat met de synode-uitspraken ten volle in overeenstemming was
En ze verklaarde dat wie dat niet deed de belofte brak die hij bij zijn ambtsaanvaarding had afgelegd.
Wat mij in al die jaren en bij al dat studeren en publiceren scherp voor ogen stond was dat ik bij mijn ambtsaanvaarding beloofd had trouw te zullen zijn aan de belijdenis der kerk. en dat ik indien ik met de belijdenis in strijd kwam, ik Of mij moest conformeren aan de synodebesluiten Of mijn ambt moest neerleggen. Die belijdenis is immers zoals Groen van Prinsterer en later Noordmans hadden gezegd de spreek- en leerregel voor prediking en onderwijs in de kerk. Niet krachtens maar wel blijkens die belijdenis had de kerk daarin immers uitgesproken wat als waarheid Gods in haar midden moest gepredikt en geleerd worden. Zij moest en mocht van alle ambtsdragers daarom een onbekrompen en ondubbelzinnige aanvaarding en handhaving daarvan verwachten.
Bovendien hadden alle predikanten in de Geref. Kerken uitdrukkelijk beloofd dat, als zij tegen de "substantie" van de belijdenis bezwaren kregen, zij die in enig opzicht niet overeenkomstig Gods Woord achtten, zij daarover met de kerk zelf zouden spreken. Met de kerk zoals die in haar vergaderingen funktioneert.
Zoiets sprak trouwens voor wie enig kerkelijk besef heeft voor wie verstaat wat een echte dialoog" binnen de gemeenschap' der heiligen, wat het "met alle heiligen", betekent als van zelf.
Daarom studeerden de "verontrusten" uit de jaren veertig dikwijls keihard - om na te gaan of wat zij, ingaande tegen het "gangbare gevoelen" op de genoemde punten, niet tegen de confessie ingingen, of, op zijn minst iets voorstonden dat met de confessie niet in strijd kwam.
Daaromtrent werden - en zijn ze voor zover ze nog in leven zijn - rotsvast overtuigd.
En toen ze dat waren hebben ze tegen de synoden gezegd: Wij hebben er geen bezwaar tegen dat wat U leert "in de vrijheid der kerken" gelaten wordt. Grote en vrome theologen hebben dat al eeuwen lang verkondigd. Voetius voorop! Daar moet maar eens broederlijk en gedegen over gesproken worden. Maar als U ons vraagt om wat U uitsprak als "goddelijke waarheid" te aanvaarden, met de mededeling dat, als we dat niet doen, wij als brekers van onze belofte beschouwd we als zodanig behandeld moeten worden, dan zeggen we daar uit volle overtuiging, maar met grote pijn in het hart, NEEN tegen.
En men weet het, toen zijn zij die dat "neen" volhielden in hun ambt geschorst en afgezet.
Toen ik geschorst was leefde in mij de gedachte mij bij die schorsing neer te leggen.
Ik kende de zonde en de ellende van het sectarisme!
Maar een aantal ouderlingen kwam bij mij en vroegen: "Hebt u de overtuiging dat God u uit uw ambt heeft ontslagen?" Op die vraag antwoordde ik ook uit volle overtuiging "NEEN". En toen vroegen ze of ik dan mijn arbeid als herder der kudde van Utrecht mocht staken. En na veel strijd en gebed kwam ik tot de overtuiging dat ik dat niet mocht doen. Maar - ik deed dat met het stellige voornemen dat ik al mijn best zou doen om, met alle andere geschorste ambtsdragers en de kerken en kerkleden die hen trouw bleven, aansluiting te zoeken bij de Christelijke Geref. Kerken. Ik meende dat ik de situatie daarin tamelijk goed kende ook de spanningen en moeiten die daarin leefden. Maar deze kerken hadden als enige belijdenis niets dan de drie formulieren van enigheid.
Tot mijn grote vreugde waren de vrijgemaakte kerken in haar eerste synode daartoe unaniem bereid.
Professor Schilder sprak in venband daarmee het voluit kerkelijke en oecumenisch-gereformeerde woord: "Ik heb voor die vereniging twintig jaar kerkelijke moeite en ook de Theologische Hogeschool in Kampen voor over."
Helaas is het niet tot die vereniging van gereformeerde kerken gekomen. 3)
Dit was een lang verhaal, maar het was nodig om duidelijk te maken wat ik nu zeggen wil.
Want dat is dit, dat ik het met verwondering en verdriet heb beleefd dat nu in de Gereformeerde Kerken (synodaal) op evidente wijze, zonder daarbij ook maar enigszins met de confessie en de trouw daaraan te rekenen, van de belijdenis op evidente wijze wordt afgeweken. Buiten de kerkelijke vergaderingen om werden en worden pogingen ondernomen om de kerken in confessioneel opzicht "om te turnen".
Ik geloof dat ik niet “conservatief" ben. Ik meen dat ik wel enigszins op de hoogte ben van wat er in kerken theologie gaande is. En ik ben mij er ten volle van bewust dat de gemeente van Christus voor een ongehoord zware taak staat in de wereld van nu en vooral aan verbijsterend zware verzoekingen is blootgesteld die haar van de weg die haar Heer haar wil doen gaan, afvoeren.
Het confessionalisme met zijn lugubere bijverschijnselen van meedogenloze hardheid en kil fanatisme heb ik bovendien aan den lijve ervaren! 4) Maar confessionele trouw moet er in de kerk van Christus zijn!
Paulus roept het de gemeente van alle tijden toe: "Strijd de goede strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen. Ik beveel (!) voor God, die alle leven wekt, en voor Christus Jezus, die de goede belijdenis voor Pontius Pilatus betuigd heeft, dat gij dit gebod - om de belijdenis trouw te zijn - onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot de verschijning van onze Heer Jezus Christus" (1 Tim. 6 : 13 v.), En in de brief aan de Hebreeën wordt de gemeente vermaand zich vast te klampen aan de belijdenis, de gemeenschappelijke belijdenis, speciaal aangaande Jezus Christus zijn zending en werk, vast te houden. (Hebr. 3 : 1 en 4 : 14).
De gereformeerde kerken hebben dat in de letterlijke zin van het woord tussen brandstapels en gevangenissen en schavotten gedaan in haar confessie. Die zijn mensenwerk, appellabel aan de Heilige Schrift, die kunnen en moeten eventueel, als de Heilige Geest de kerk dieper in de waarheid inleidt, gecorrigeerd, verkort. uitgebreid worden. Maar - in en door de kerk zelf.
En daarom begrijp ik niet hoe dr Wiersinga en anderen met het belijden van hun kerken omspringen zoals ze dat nu doen.
Het gaat in het bezig zijn met de belijdenis toch ook om een belofte!
1) Later heb ik dat nog uitvoeriger beargumenteerd aangetoond in de brochure Nog eens een appèl
2) Een van de meest vooraanstaande praeadviseurs der synode zei mij eens dat dat een "gevaarlijke" brochure was.
3) Van 1854 tot 1892 kwamen er in de gereformeerde kerken drie kerkelijke verenigingen tot stand. Van 1920 tot 1968 drie kerkscheuringen.
4) Toen ik op 21 augustus 1945 geschorst werd ontving ik daarna precies 21/31 van mijn maandsalaris!
5) En in 1968 werden volgens de Kerkelijke Kaart van Nederland mij de rechten als emeritus-hoogleraar ontnomen op grond van het feit dat "de geëiste genoegdoening met betrekking tot de bescherming der leer en de trouw aan de orde der kerken niet had gegeven". Ik accepteerde namelijk de tuchtmaatregelen tegen de ondertekenaars van de "Open Brief" niet. Met mijn confessionaliteit was het wel in orde, zei men, maar zij functioneerde niet goed!
6) De synodale rapporten over mijn "zaak" 'heb ik ongelezen ter zijde gelegd. De kerk van Kampen waartoe ik mag behoren was reeds vóór dien van de ene dag op de andere uit het "verband" gestoten. Ik zeg dit alles zonder rancune. Wat mij betreft komt er morgen een hereniging tussen de binnen- en de buitenverbandse kerken!