Intercontinentale handel
1975-02-07
Vandaag een economisch verhaal. Voor huiselijke zakenlieden en voor zakelijke huismoeders - en alles wat daar tussen ligt. Het verhaal speelt in de grijze oudheid, ten tijde van Abraham of daaromtrent.- Jaargang 19
- nummer 6
Een kleine 2000 jaar voor Christus trokken reeds handelslieden met ezelskaravanen uit het Aziatisch Tweestromenland naar het Noordwesten, tot dicht bij het latere Constantinopel. Tot vrijwel in Europa.
Ze volgden de grote rivieren, doorwaadden de Eufraat nabij zijn bronnen, beklommen het Antitaurusgebergte, gingen de hoogvlakte van Klein-Azië over, langs het huidige Kayseri en kwamen in de omgeving van het huidige Turkse Ankara in de staat Anatolië, later Capadocië genoemd.
Dat was in Klein-Azië, waar later Paulus rondreisde. Hemelsbreed was de afstand al zo'n 1200 kilometer. Als karavaanweg dus 1500 tot 2000 kilometer door wild en bijster gebied. Elke ezel droeg tin of wollen coupons, tot een gewicht van 75 kilo. Stel dat een zo zwaar beladen ezel dertig tot vijftig kilometer per dag aflegde - dan duurde de reis meer dan zeven weken. Zeg maar gerust twee maanden.
De Assyrische kooplieden, die hun producten in Anatolië zelf verhandelden - door middel van zo'n twintig handelskantoren - zaten niet werkeloos op de volgende karavaan te wachten: ze hielden zich intussen intens bezig met de plaatselijke markt. Die markt verhandelde eveneens wol, wollen stoffen en kleding, maar ook koper. Wat we vertellen speelde in het huidige Kültepe, circa 20 kilometer Noordoostelijk van Kayseri. In deze plaats bevond zich het centrum van de Assyrische intercontinentale handel.
Hoe weet men dit alles? Uit de kleitafels, die door opgravingen aan het licht zijn gekomen, Alle contracten, brieven, boodschappen en administraties werden namelijk in spijkerschrift op klei geschreven en bleven zo de eeuwen door bewaard. Hoewel er misschien al tienduizenden kleitabletten zijn gevonden, kan de wetenschap slechts over een drieduizend-tal beschikken; de rest wordt door de Turkse regering bewaard of is in handen van verzamelaars geraakt. Als u bedenkt, dat de onderzoekers eerst de Assyrische taal en het spijkerschrift machtig moeten zijn, om vervolgens de kleitabletten te kunnen ontcijferen en daarna de kennis te ordenen; dat het geschrevene in veel gevallen handelstaal of -jargon bevat; dan moet u wel diepe eerbied hebben voor de geleerden, die in dit best bewaarde archief aller tijden een bron van sociaal-economische wetenschap aanboorden.
Jawel, een kleine vier duizend jaar geleden: economische aanpak in de handelstransporten, voorkomen van ballastladingen, sociale regelingen en afspraken, contracten en prijsvaststellingen, invoerrechten en kortingen, goederen- en geldverkeer, vertrouwen en garanties, winst en verlies. Er is geen nieuws onder de zon.
Nauwkeurig is vastgesteld: hoe het tuig van de ezels was vervaardigd, hoe de lading werd verdeeld, hoe het met de reiskosten ging, hoeveel invoerrechten werden betaald, hoeveel de winst per karavaan bedroeg. Ook hoe groot de risico's van rovers, ziekte en ongeval waren, hoe de ladingen werden verpakt en verzegeld, hoe een hoeveelheid onverzegeld tin als reisgeld werd meegegeven: voor tol en invoerrechten.
De wollen coupons, ongeveer vier bij vier-en-een-halve meter groot, wogen ongeveer 2 ½ kilogram en kostten ongeveer het jaarloon van een dagloner of de koopprijs van een slaaf. Op een ezelslast werd 2 kilo tin invoerrecht geheven, bijna 3% alzo.
De Assyriërs exporteerden dus tin en wollen stoffen. Er zat een goede winst in die handel: op het eerste werd een bruto winst van 100% gemaakt, op de stoffen zelfs 200%. Op wol werd 5% invoerrecht geheven; bovendien hadden de Anatolische vorsten en aristocraten recht op een voorkoop met 10% korting. De overige goederen werden door nationale commissionairs doorverkocht en vonden vlot hun weg. Er werden kwaliteitsnormen gehanteerd voor de coupons, welke liepen van "koninklijk", via extra goed, goed, middelmatig, tweede kwaliteit, tot inferieur.
Waar kwamen deze wollen stoffen vandaan? Grotendeels waren ze eerst door de Babyloniêrs -in Assyrië geïmporteerd. Waar vandaan?
Dat behoeft geen probleem te zijn: sedert duizenden jaren worden wollen tapijten, tentkleden en coupons vervaardigd in de binnenlanden van West-Azië, vooral Perzië. Maar voorts ook werden de stoffen als huisindustrie door de vrouwen van handelaars geweven, die daarvoor een eigen opbrengst in zilver ontvingen na een geslaagde reis. U kunt hier denken aan Spreuken 31, waar van de degelijke huisvrouw gezegd wordt: dat haar handen stoffen weven en gordels voor de koopman. Het speldegeld, het particuliere inkomentje van de meewerkende huisvrouw, is aloud!
Wat kregen de handelaars voor hun uitgevoerde wollen stoffen en tin terug? Wel, wat Anatolië aan waardevol materiaal had uit te voeren: zilver en goud. Die twee edele metalen hebben alle tijden door, het een meer dan het ander, een zekere waardevastheid gehad.
Bovendien leenden ze zich door hun betrekkelijke zeldzaamheid voor kostbaarheden en gelddepot; maar ook voor het gebruik als waardemeter.
De ruilvoet van export en import was dan ook een terugkerend chapiter in de correspondentie. De handel was gebaseerd op contracten, die - met alle duistere plaatsen - een vrij scherpe kijk geven op het goede koopmansgebruik van die dagen. In de oude contracten kwam bijvoorbeeld een term voor, waarmee niet alleen kwijting voor de betaalde koopprijs werd gegeven - maar waarin tegelijk werd aangeduid dat hiermee de koop definitief was geworden. Dat is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Zelfs in onze tijd bestaan er gebruiken, dat onbetaalde goederen teruggehaald kunnen worden. Maar ook kennen wij vandaag de gedeeltelijke betaling, die een koop niet definitief maakt: de voorlopige betaling (in slecht Nederlands aanbetaling genoemd); de godspenning; de cautie op een voorlopig koopcontract voor onroerend goed, die verloren gaat als de koop niet nader definitief wordt gemaakt. Voors hebben wij het huurkoopsysteem, waarbij het gekochte pas in eigendom van de koper overgaat nadat de laatste afbetaling is geschied; en anderzijds het lease-systeem, waarbij roerend of onroerend goed wordt gehuurd, gebruikt en volledig betaald.
doch nimmer in eigendom overgaat maar vervangen wordt. Vermoedelijk waren ook in de oudheid zo al verschillende koopcontracten bekend; anders zou de term overbodig zijn, waarmee zowel kwijting als definitieve koop werd aangegeven.
Die Assyriërs waren dus als kooplieden niet te onderschatten. Want behalve het importeren en verkopen van hun eigen producten in het verre Anatolië, lieten ze zich op de plaatselijke wolmarkt ook terdege gelden. Grote hoeveelheden schapenvachten en wol werden, op een wolbeurs omgezet. Die wolhandel kregen ze in handen door samenvoeging van particuliere gelden in een soort aandelenvennootschap.
Ook de mensen thuis konden aandelen nemen in deze lucratieve handel.
Het effect was, dat de grootste koper de beurs beheerste, de prijs vaststelde, een monopolie opbouwde en goede winst nam van de inheemse handelaars. Na betaling van 5% heffing hielden de Assyriërs er een forse winst aan over. Dat moeten de mensen van het land toch met lede ogen hebben aangezien, denkt u niet? Toch, daar de vreemdelingen in Anatolië onmisbare stoffen en tin invoerden, blijkbaar in de handel meer uitgeslapen waren dan hun Westerse broeders, bovendien producten aan zilver en, goud afnamen en uiteraard door de profiterende vorsten en aristocraten beschermd werden... hebben ze zich in deze gang van zaken moeten schikken. Ook hier is geen nieuws onder de zon. De economisch sterkere kan de lakens uitdelen.
Zo'n reis van vele maanden was natuurlijk niet ongevaarlijk. Misschien om die gevaren af te kopen werd aan de gepasseerde staten en landjes een heffing afgedragen, betaald in tin. In totaal kostte deze tol tien procent van de lading, buiten mondkost en logies natuurlijk.
Het laat zich horen, dat de doorreislanden medewerking verleenden aan een veilig transport; al te veel berovingen zouden de lucratieve karavanen ontijdig beëindigen.
Bovendien droegen de handelaars een zeker percentage af aan de "handelskamer" of "beurs": een instelling, die hun het recht en de mogelijkheid van handel verschafte. Waarbij u kunt denken aan het middeleeuwse Hanzeverbond in Europa; een samenwerking van exporterende handelaars om zich van veilige handelswegen en -mogelijkheden te verzekeren. Termen als "flauwe handel", "prijsverhogende invloeden", "onder de prijs gaan" en dergelijke wijzen op een gezonde handelsgeest, die de Oosterlingen nimmer kan worden ontzegd.
Niettemin, als de schaduw bij het licht dook de sluikhandel naast de geordende handel op. Om de hoge tolgelden te ontgaan werd ook gesmokkeld.
Diverse kleitabletten spreken van smokkelwegen, smokkelaars, en smokkelgelden. Door Assyriërs kon onder ede worden beloofd, dat zij geen smokkel zouden bedrijven. Bij ontdekking was de smokkelwaar uiteraard verbeurd en konden de smokkelaars worden gegijzeld.
Het tin, dat uit Assyrië naar Anatolië werd vervoerd, had dus deels de betekenis van verzegelde koopwaar - deels die van betaalmiddel, geld. Het teruggebrachte zilver werd gebruikt om nieuwe goederen te kopen en deze weer naar richting Europa te vervoeren. De importhandel begon met zilver. De geëxporteerde goederen brachten zilver op. De kring is gesloten. Zilver betekent van huis uit: geld. En geld maakt geld. Zilver levert meer zilver. Ook vierduizend jaar geleden was men daar achter. Er is geen nieuws onder de zon; wat er is, is er geweest en zal er zijn. *)
*) Het meeste materiaal is ontleend aan een samenvatting van dr K. R. Veenlhofts dissertatie "Aspects of old Assyrian trade and its terminology", 1972.Wij danken hem hartelijk voor het inzicht, dat hij ons schonk!