De laatste strijd?

1975-02-14
  • Jaargang 19
  • nummer 7
Er is in de kwestie dr Wiersinga een scherpe wending gekomen die onze bizondere aandacht verdient.
Ze is daardoor in een veel wijder verband komen te staan dan tot dusver het geval was. En - laat ik er dat aanstonds bijvoegen daardoor begint ze ook een voor de kerk veel desastreuzer vorm aan te nemen.
Dit is geschied door het optreden van de 60 vooraanstaande gereformeerden die in een door hen opgesteld "Beroep op kerkleden" zich vierkant tegenover het jongste synodebesluit inzake dr Wiersinga hebben gekeerd. Hun optreden werd reeds als "revolutionair" gekarakteriseerd En het is inderdaad wel iets dergelijks. ' Een oproep om zich te verzetten tegen een, na een zo intensieve langdurige en met geduld, wijsheid en liefde ondernomen behandeling, genomen besluit. dat bovendien niets minder inhoudt dan de bevestiging en handhaving van wat door alle eeuwen heen door de kerk werd beschouwd als behorend tot het hart van het Evangelie, is geen kleinigheid!
Wat aan dit verzet tegen de synode nog een extra zwaar accent verleent is het feit dat de ,,60" geen enkel beroep doen op dr Wiersinga!
Indien men niet eenzijdig de vrede in de kerk had gezocht was er zeker alle aanleiding, ja zelfs noodzaak toe ook op dr Wiersinga een beroep te doen.
In de eerste plaats om zich nog eens grondig rekenschap te geven van de gefundeerde kritiek die op zijn soms toch wel zeer dubieuze exegetische manipulaties is uitgebracht.
En om nóg eens te bedenken dat toch ook hij een belofte van trouw aan de belijdenis heeft afgelegd. En voorts om zich te realiseren hoeveel verdriet hij massa's van zijn medekerkleden doet en hoeveel verwarring en polarisatie hij onder hen veroorzaakt.
En niet het minst om te overwegen dat, omdat hij de éérste oorzaak is van het rondom hem ontstane conflict, hij een groot aandeel zou hebben in een ten gevolge daarvan ontstaande kerkscheuring.

Wat in dit "Beroep" allereerst opvalt is dat men daarin niet ingaat op de eigenlijke kwestie waarin het in het conflict tussen dr Wiersinga en de synode om gaat Dl' Herman Ridderbos maakte daarover reeds enkele pittige opmerkingen.
Ik citeer uit zijn artikel dienaangaande het volgende: "Het teleurstellende en (voor mijn besef) onzakelijke in dit alles is nu echter, dat de ondertekenaars er met geen woord op ingaan of de synode soms ook gelijk zou kunnen hebben als zij oordeelt, dat hetgeen dr W. als de inhoud van de leer der verzoening ontkent tot de essentie van de christelijke belijdenis behoort; er óók met geen woord op ingaan, of juist deze ontkenning en bestrijding, de eenheid en de toekomst van de kerk niet in gevaar zouden moeten brengen. omdat zij niet alleen scherpe en moeilijk te onderdrukken reacties in de kerk moeten oproepen, maar ook metterdaad, zoals de synode het heeft uitgedrukt, te kort doen aan de rechte prediking van het evangelie.
Over dat alles rept de oproep met geen woord! Maar als de synode daarin eens gelijk zou hebben - en heeft zij dat soms niet? - hoe kunnen de ondertekenaars aan deze vraag dan zo volstrekt voorbij gaan? Is dat hun zaak dan soms niet (in hun streven en verlangen naar de op de toekomst en de vragen van de tijd gerichte kerk) en behoeft dat dan soms hun zorg niet te zijn?
Zij schrijven wel ergens, dat de verzoening een onbeschrijflijk mysterie is en dat alle pogingen om dit mysterie op formule te brengen onvolkomen blijven. Accoord.
Maar wat ik met mijn beperkt verstand niet begrijp is, dat zovele scherpzinnige lieden, als dit elitaire gezelschap van ondertekennaars bevat, niet inzien, dat zij hiermee niet de synode, maar juist dr Wiersinga treffen. Want wie verengt en beperkt nu eigenlijk het mysterie, de synode of dr W? De synode heeft tot dr W. gezegd: wat gij, dr W., van het mysterie hebt menen te verstaan zullen wij niet tegenspreken. Wij stemmen er zelfs mee in. Maar wat wij op u tegen hebben is, dat in uw visie geen ruimte is voor dat andere grootse facet, dat Christus niet alleen door. maar ook plaatsvervangend vóór onze zonden is gestorven en dat gij aldus meent te moeten bestrijden, wat voor anderen en voor ons de grond en het fundament van onze zaligheid is. Zó staan de zaken en dát is in dit hele geding (één van) de grote zorg(en) van de synode.
Maar - zoals gezegd - het behoort kennelijk niet tot de zorgen, die de zestig zich maken. Het raakt hen althans niet zo, dat ze er één woord aan wijden En dat is niet alleen het onzakelijke, maar voor mijn besef ook het min of meer verbijsterende in deze oproep. Hoe denken zij toch te kunnen voorbijgaan aan hetgeen voor anderen niet alleen het hart van 'de kwestie', maar bovenal van de religie is. En hoe denken zij ons een kerk van de toekomst aan te prijzen, die wel onverwijld en krachtig positie moet kiezen tegen de apartheidspolitiek in Zuid-Afrika. maar die t.a.v. fundamentele verschillen over haar eigen belijdenis géén uitspraken mag doen, zolang de theologische discussie nog niet is uitgepraat.
Hier ligt ergens een kortsluiting in de oproep van de 60, die ik als pijnlijk ervaar, omdat ze voor mijn besef aan de aard en aan de prioriteiten van het geloof op een ingrijpende wijze te kort doet"
Ik meen dat Herman Ridderbos in wat hij hier zegt volkomen het gelijk aan zijn zijde heeft. De "Oproep" van de zestig zou een geheel andere kleur, richting, kracht hebben gekregen indien de ,,60" zich over de eigenlijke kwestie hadden uitgesproken.

Maar zij hebben dat niet gedaan.
En ze hebben, dat spreekt vanzelf dat opzettelijk niet gedaan.
Het zijn geen "kleine jongens".
En daarom is er aan hun optreden een aspect dat nog veel belangrijker is dan het eigenlijke puntingeding.
Herman Ridderbos wees daar reeds impliciet op. Het is dit dat deze gereformeerden in feite noch van "justitiële", noch van een "judiciële "tucht willen weten. 1) In de kerk mag het niet verder komen dan een "dialoog". Er moet niet maar "pluriformiteit" in het belijden der kerk .optreden, neen ook de "pluraliteit" van het belijden moet in de kerk als legitiem worden geaccepteerd. Een- "pluraliteit" die ook een aan elkaar tegenstrijdig belijden mogelijk maakt en dat als legitiem moet worden beschouwd.

Toen ik het optreden van de ,,60" en de inhoud van hun "oproep" overdacht kwam mij in gedachte een opmerking van de diepzinnige theoloog A. F. C. Vilmar (1800- 1868).
Deze verklaarde namelijk eens, dat de leer omtrent de kerk in de komende tij den steeds meer een van de meest op de voorgrond tredende aspecten van de bijbelse boodschap zou worden. Vroeger, zo schreef hij, kwamen andere momenten daarvan met bijzondere kracht naar voren. Bij voorbeeld de leer omtrent God, omtrent Christus, omtrent de toeëigening van het heil enz. Die waren toen in zware worstelingen om zo te zeggen door de kerk "doorleefd."
Maar met profetische helderziendheid verklaarde Vilmar dat in de komende tijd speciaal de leer omtrent de kerk de geesten zou beroeren en dat de worsteling in de kerk en in de wereld - en tussen die beide - zich uiteindelijk daarop zou concentreren. En hij voegde aan deze verzekering de volgende dreigende woorden toe: We kunnen verwachten, dat over de leer der kerk nog heftiger strijd zal ontbranden dan dat in verband met andere geloofsrealiteiten het geval is geweest.
Vooreerst omdat de leer omtrent de kerk zonder die andere geloofswaarheden niet kan worden verstaan.
Maar ook en vooral omdat het in de bijbelse boodschap omtrent de kerk direct gaat om het naast elkaar staan en samenwerken, kortom, om de gemeenschap zelf.
Daarom kan volgens Vlmar deze strijd geen andere afloop hebben dan die van de definitieve scheiding der geesten met het optreden van de Antichrist.
Otto Weber die deze woorden in zijn "Versammelte Gemeinde" citeert, voegt er aan toe: Profetische woorden die hun waarheid niet verliezen ook al kan men Vilmar in de verdere ontwikkeling van zijn gedachten niet volgen. 1)

Na Vilmar hebben ook andere voor zover ik kon nagaan onafhankelijk van hem - in dezelfde richting gewezen.
Zo deed b.v. Groen van Prinsterer.
Ik wees daar reeds eerder op.
En na hem de nu nog bij weinigen bekende eerste hoogleraar in de rechtswetenschap van de V.U. prof. Fabius. Fabius was een man van enorme geleerdheid - hij torste vele jaren de gehele juridische faculteteit aan de V.U. alléén!
-en één die intensief, doordacht en bewogen in het gereformeerde kerkelijke leven van zijn tijd geëngageerd was. Hij schreef er zelfs enkele belangrijke, te veel veronachtzaamde boeken over.
In het jaar 1926 schreef hij o.a. het volgende: "Was in de zeventiende eeuw het leerstuk der uitverkiezing het punt, dat de tijdgeest gekozen had, om, met de uitworsteling daarvan de ganse geloofswaarheid uit haar voegen te lichten, in deze eeuw, en reeds in de vorige, schijnt hij zich daartoe te richten tegen het instituut van de kerk. En zijn van die vijandelijke geest niet soms sporen in de Gereformeerde Kerken merkbaar?" 2)

Het is voor ieder die intens meeleeft met het kerkelijke leven in ons land en daarbuiten duidelijk dat de geciteerde woorden van Vilmar en Fabius inderdaad profetisch waren.
Zeker, er is in de wereld van de kerk discussie en strijd over alles en nog wat. Maar het gaat daarin toch vóór alles om de kerk, om de kerk zèlf, om de kerk als zodanig.
Vragen die vóór -alles aan de orde zijn deze: Wat is de kerk? Wat is haar wezen, haar eenheid, haar taak, haar strijd.
De geweldige eenheidsdrang welke de christelijke wereld heeft aangegrepen en o.a, gestalte kreeg in de moderne oecumenische beweging - één kerk of géén kerk - wordt gedragen en gestimuleerd door een hartstochtelijk bezig zijn met de kerk.
In het licht van deze ontwikkeling van de worsteling der kerk moet nu ook het optreden van de ,,60" worden gezien.
Dat blijkt uit hun "Oproep" op overduidelijke wijze.
Ze gaan daarin namelijk, zoals Herman Ridderbos reeds signaleerde de concrete kwestie waar het in het conflict met dr Wiersinga om ging, nl. de wijze waarop God de wereld met zichzelf verzoent volkomen voorbij.
Die wordt daarmee totaal gebagatelliseerd.
Ze spreken daarin alleen over de kerk.
Tot zover deze week.

1) "Justitionele" of -"juridische" tucht is een tucht waarbij een kerkelijke vergadering na het nemen van een beslissing kort en krachtig en hard het dilemma stelt: aanvaarden of schorsing. Deze tucht werd toegepast in 1944 en in de vrijgemaakte kerken door de laatste synode.
"Judiciële" tucht is tucht waarbij men langdurig, geduldig, liefdevol met "bezwaarden" praat en ten slotte een eindoordeel uitspreekt en dat op de consciëntie van die bezwaarden bindt.
2) Zie Barbara Schlunk, Amt und Gemeinde im theologischen Denken Vilmars, München 1947; Bernhard Lohse, Kirche und Offenbarung bei A. F. C.
Vilmar, Evangelische Theologie 1957, Heft 10; Otto Weber, Versammelte Gemeinde Beitrage zum Gesprach über Kirche und Gottesdienst, Neunkirchen, 1947.
3) De Reformatie, 6 aug. 1926.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief