SOLZJENITSYN EN HET GEWELD
1975-02-21
Men zou hiermee kunnen volstaan en de dialectische verhouding tussen Aljosja en Sjoechov kunnen bestempelen als het geestelijk antwoord op het structurele geweld, maar ik zou toch toch nog een ogenblik willen stilstaan bij het feit dat Solzjenitsyn scherp onderscheidt tussen mensen die het geweld ontlopen, er tegen protesteren en het zelfs trachten te bestrijden èn diegenen die het geweld verafgoden of het in stand houden. Categorisch onderscheidt zelfs, omdat hij zonder tegenspraak te dulden afrekent met de handlangers van de anonieme machthebbers van het strafkamp.- Jaargang 19
- nummer 8
Met het structurele geweld bedoel ik de door de machthebbers geschapen en permanent in stand gehouden onderdrukkingssituatie die erop gericht is elk vrijheidsmoment en iedere vrijheidservaring in de kiem te smoren en de gevangenen zo barbaars te exploiteren dat zij niet anders kunnen doen dan zo goed mogelijk trachten te overleven en alle onrecht op de koop toe te nemen. Temidden van dit structurele geweld stelt Solzjenitsyn de wanstaltigheid van de fanatieke dokter die "werken" het beste medicijn acht voor alle kwalen (pa,g. 31), de wanstaltigheid van de werkbaas: een aartsploert die zijn medegevangenen smeriger dan een hond naar beneden trapt (pag. 58), de wanstaltigheid van de kamerwacht die vloekt en ranselt op de ruggen van alleen de zwakke broeders (pag. 191) en de wanstaltigheid van de verklikkers die zichzelf egoïstisch redden ten koste van anderen (pag. 120).
Solzjenitsyn's veroordeling is niet alleen zo fel omdat hij principieel macht die onrechtvaardig wordt uitgeoefend verafschuwt, maar vooral omdat hij diegenen die trouw zweren aan een dergelijke onmacht (!) en derhalve daarvan de kritiekloze handlangers worden zonder meer veroordeelt, Onder deze veroordeling valt ook de Russisch-Orthodoxe Kerk die z.i. het Evangelie heeft verraden en nu met de machthebbers in zelfzuchtigheid en materieél eigenbelang samenspant. De consequentie van een dergelijke wanverhouding tussen heersende elite en gemanipuleerde massa is, dat aan weerszijden van de scheidslijn verschillende waardeschalen ontstaan die niet meer met elkaar in overeenstemming gebracht kunnen worden. In zijn Nobelprijsredevoering heeft Solzjenitsyn deze gedachte verder uitgewerkt.
Deze verschillende waardeschalen zijn er de oorzaak van dat de westerse maatschappij heen en weer wordt geslingerd, labiel wordt en begint te wankelen. Terwijl de eeuwenoude wetgeving afbrokkelt neemt het geweld hand over hand toe. Niet alleen het simpele, grove geweld triomfeert maar ook haar snerpende rechtvaardiging.
Want het geweld kan niet all één voorkomen: de leugen is zijn onvermijdelijke bondgenoot. Tussen hen bestaat een zeer intieme, natuurlijke en diepe band. Het geweld kan zich alleen met de leugen maskeren en de leugen kan zich alleen handhaven met geweld.
Iedereen die eens het geweld heeft uitgeroepen tot zijn methode, moet onverbiddelijk de leugen tot zijn principe kiezen.
Het grote gevaar is nu - volgens Solzjenitsyn - dat mensen trouw gaan zweren aan de leugen, medeplichtig worden aan de leugen.
Het antwoord hierop is voor de eenvoudige, moedige mens een simpele stap, namelijk niet aan de leugen deelnemen, geen leugenachtige handelingen ondersteunen.
De kunstenaars en schrijvers kunnen volgens hem echter méér: zij kunnen de leugen overwinnen. De leugen kan niet op tegen de kunst.
Daarom heeft de kunst de taak om de waarheid aan het licht te brengen en wanneer de leugen tenslotte verjaagd is, wordt de naaktheid van het geweld in al haar weerzinwekkendheid onthuld.
In zijn "Open brief aan de Sovjetregering" die Solzjenitsyn in september 1973 schreef - dus aan de vooravond van zijn definitieve ballingschap - en waarin hij een aantal voorstellen doet om de Sovjet-Unie voor haar ondergang in de leugen te behoeden. levert hij ook een vernietigende kritiek op de marxistische ideologie, die, behalve het feit dat deze als theorie nooit het kenmerk van wetenschappelijkheid droeg en talloze malen verkeerde voorspellingen deed, in feite slechts geïnteresseerd is in macht en niet in waarheid.
Een ideologie die. na een halve eeuw onbeweeglijk en star aan haar eigen dogma te hebben vastgehouden, thans door haar willekeur en wetteloosheid onverdragelijk is geworden.
In deze brief vond ik een bevestiging voor mijn vermoeden dat Solzjenitsyn een synthese zoekt tussen een van de leugen gezuiverd marxistisch socialisme en de geestelijke kracht van het Christendom (niet van de Russisch-Orthodoxe kerk!). Deze twee polen dienen elkaar te stimuleren en te ondersteunen, niet ideologisch te bestrijden, laat staan onderdrukken.
Solzjenitsyn's visie behelst eigenlijk dat het marxisme zonder de leiding (de "bovenbouw") van het christelijk geloof tot leugen en wetteloosheid leidt, maar dat evenzo een vergeestelijkt Christendom zonder materiële basis een hersenspinsel blijft wanneer men denkt de mensheid daarmee een dienst te bewijzen.
Solzjenitsyn wil niet terug vóór 1917 - het jaar van de Russische Revolutie en alle positieve verworvenheden ongedaan maken, maar hij wil aanknopend bij de zuivere krachten van het verleden met een wijde boog om de ontaarding van het huidige Sovjet-
regime heenlopen en de verschillende sovjets hun zelfbestuur teruggeven, hetgeen neerkomt op een reformatie van het marxistisch socialisme. Hét historische moment waarop het marxistisch socialisme werd verraden is namelijk niet Stalin's bureaucratische terreurmachinerie geweest, maar de opdracht die Lenin in 1922 gaf aan Koerski, die een formulering moest verzinnen waardoor de terreur gemotiveerd en gerechtvaardigd werd. In Goelag Archipel (pag. 289) is Lenin's toelichting openhartig geciteerd. Hij schrijft letterlijk: "Het gerecht dient de terreur niet te schrappen;
zoiets te beloven zou zelfdrog of bedrog zijn; nee, het dientde terreur principiëel helder, zonder schone schijn en zonder opsmuk te funderen en te wettigen.
De formulering moet zo ruim mogelijk geschieden, want alleen het revolutionaire rechtsgevoel en het revolutionaire geweten zullen de voorwaarden bepalen voor een ruimere dan wel minder ruime toepassing ervan in de praktijk."
Solzjenitsyn profeteert dat door de stem van de waarheidslievende literatuur universele gerechtigheid en waarheid binnen het socialisme zal baanbreken. en dat wanneer de leugen het veld heeft geruimd dit het einde betekent van geweld en willekeur; dat wil dus zeggen dat een soort heilstaat is bereikt.
Op dit punt gekomen kritiseer ik Solzjenitsyn scherp, omdat hij uiteindelijk - ondanks alle bovenpersoonlijke normen die hij kennelijk in acht neemt - toch weer blijft rekenen vanuit de menselijke mogelijkheden, op basis van het gezond verstand, In zijn "Open brief" appeleert hij herhaaldelijk de Sovjet-regering in de trant van: jullie zouden toch eigenlijk beter moeten weten!
Hij opereert dus vanuit een visie op mens en maatschappij die niet wezenlijk boven het 18e eeuwse vooruitgangsgeloof uitkomt hoewel ik moet toegeven dat Solzjenitsyn sceptisch staat tegenover de uitkomsten van de technologie en deze op analoge wijze als de Club van Rome dit doet, niet kwantitatief maar vooral kwalitatief wil inzetten. Tóch blijft er een ondertoon van humanistisch optimisme in zijn woorden: hij verwacht in feite dat de heilstaat door de inzet van mensen kán en ook zal bereikt worden. Met name is hij optimistisch over de positie van de kunstenaars en schrijvers in deze strijd om de waarheid.
De oproep van Solzjenitsyn dat de kunst de leugen moet overwinnen staat immers reeds bij voorbaat gelijk met zijn stelling dat de kunst de leugen hééft overwonnen!
M.a.w. de kunst is onaantastbaar voor de aanvallen van de duivel. Dit optimisme van Solzjenitsyn deel ik geenszins.
Solzjenitsyn mag dan de geestelijke kracht van het Christendom verdedigen, zijn heil verwacht hij er toch niet van, althans niet waar het de buitenpersoonlijke vraag naar de realisering van de heilstaat betreft.
Daarom kunnen wij eigenlijk niet onverdeeld positief oordelen over de kritiek waaraan Solzjenitsyn het Sovjet-regime en het marxistisch socialisme onderwerpt. Positief is dat hij, gesteld in een onderdrukkingssituatie, een geestelijke weerbaarheid demonstreert, die niet hardop protesteert, die niet vervalt in activisme of zelfs in tégen geweld. Een geestelijke weerbaarheid die neerkomt op een geduldig verdragen van leed. Positief zou men dus Solzjenitsyn's levenshouding kunnen noemen, een voorbeeld ook. voor christenen om niet te verstarren en zich te verschuilen achter kille veroordelende dogma's waar menselijkheid geboden is. Solzjenitsyn blijft ook in de meest benarde omstandigheden mens. Hij raakt niet in paniek. Maar ik zie weinig positiefs in de wijze waarop hij 't Sovjet-regime bestrijdt. Doordat hij het heil, dat ons in Christus wordt aangereikt, beperkt tot het individuele krijgt het Evangelie geen kans meer om heilbrengende kracht voor een samenleving als geheel te zijn. Het is gebleken dat Solzjenitsyn wat dit aspect betreft niet veel van het Christendom verwacht. Daarom is hij uiteindelijk óók niet in staat de zin van het lijden in een heilshistorisch perspectief te plaatsen - een perspectief dat immers ook de samenleving als totaliteit raakt!
Ik zei reeds dat men "Een dag van Iwan Denisowitsch" als de voorbode - niet: profetie! -- van onze eindtijd zou kunnen lezen.
Misschien is het daarom leerzaam om Solzjenitsyn's ervaringen en observaties te toetsen aan enkele bijbelse gegevens.
In een eindtijdelijke situatie is het niet meer zo dat. Gods verbond automatisch beveiliging biedt tegen uitbarstingen van geweld.
In Jesaja 10 vs 1-4, 20-21, lezen wij over heersers die heilloze verordeningen uitvaardigen, lasten opleggen zodat de geringen onrecht leiden en uitgeplunderd worden. Tot wien zult gij vluchten om hulp - roept Jesaja uiten waar zult gij uw heerlijkheid laten? Niets blijft over dan zich te krommen als een geboeide. Ook Gods volk wordt daardoor getroffen en moet Gods toorn verdragen.
Maar het effect is dat een rest zich tot de Here zal bekeren, de rest van Jakob zal zich tot de sterke God, de Heilige Israëls bekeren en zo behouden worden. Deze eindtijdelijke profetie waarin het geweld instrument in Gods hand blijft en aanleiding wordt voor' een ongehoorzaam volk om zich te bekeren, wordt bij Mattheüs nog verder toegespitst. De sluier van de wereldgeschiedenis wordt als het ware nog niets verder opgelicht. Het is Jezus zelf die dé eindtijdelijke situatie vergelijkt met de dagen van Noach (Matth. 24 : 37) en de kenmerken daarvan opsomt om ons tot waakzaamheid te manen. In Matth. 24 (7-13) is het geweld totaal: oorlogen, hongersnoden en aardbevingen teisteren de gehele aarde en alle volken. Dat is nog maar het begin! Het geweld zal ook de gelovige schare overrompelen. De christenheid zal om Christus' naam door de wereld gehaat worden, verdrukt en gedood worden in grote getale. Het wettig gezag zal uit zijn voegen worden gerukt, het gerechtelijke apparaat zal belachelijk worden gemaakt, de liefdeloosheid van de mensen onderling zal hand over hand toenemen.
Het ligt voor de hand dat mensen bij zo'n totale overrompeling van geweld in paniek raken, in hevige mate verontrust zijn. Jezus speelt daarop in door te stellen dat dit alles moet geschieden. De boosheid moet zich als het ware aan zichzelf vertillen voordat God zal ingrijpen. God grijpt inderdaad in terwille van de gelovigen die volharden zullen tot het einde. Heel menselijk wordt dan echter "vastgesteld" dat deze dagen worden ingekort terwille van de gelovigen, omdat geen mens het anders zou overleven.
Naar het vlees gerekend kan de mens dus wel verleid worden, maar niet naar de geest. Het geloof al de mens in de eindtijd behouden.
Er staat dus niet dat de gelovigen het geweld zullen keren of overwinnen. Dat mag waar zijn in een "normale" situatie, wanneer de mensen nog de redelijkheid opbrengen naar andere en betere argumenten te luisteren, incidenteel dus. In een eindtijdelijke situatie is dit te optimistisch.
Het geweld kan zo totaal zijn dat de gelovigen er "slechts" van bevrijd worden, er boven uit getild worden, omdat zij er anders aan zouden bezwijken - naar het vlees gerekend.
Geweld verdragen kan geen mens van nature, maar men kan het door een volhardend geloof aanleren.
Van nature reageert dè mens strijdlustig, en wil hij desnoods ondergang maar géén lijdzaamheid omdat hij dit uitlegt als berusting en dus zwakheid. Maar lijdzaamheid heeft juist te maken met een stand houden zonder zich gewonnen te geven, een geduldig lijden in vertrouwen zonder daarbij ontmoedigd te worden. De gelovige mens die in vertrouwen op God zijn leed verdraagt behaalt een heel andere overwinning dan iemand die zich agressief-
verzet. Wie deze reële verleiding van het geweld doorstaat beschikt in feite over een grotere (geest)kracht dan zij die fel reageren en op langere termijn hun aanvankelijk idealisme verliezen en uitblussen.
Het tekort van Solzjenitsyn's appèl gericht tot de Sovjet-regering ligt in feite in het ontbreken van een oproep tot bekering. Hij verwacht dat men op redelijke gronden tot bezinning zal komen, vooral wanneer de kunst de waarheid geopenbaard zal hebben. Solzjenitsyn worstelt m.i, met een ethisch probleem, niet met een fundamenteel religieus probleem.
Daarom is het misschien relevant nog een enkele opmerking te maken over onze houding als Christen tegenover onze houding als christen tegenover een overheid die langzamerhand trekken gaat aannemen van de antichrist. Bekend is het beroep op Romeinen 13, namelijk dat men de overheid verplicht is te gehoorzamen, dat zij het zwaard niet tevergeefs draagt. Ook hiervan zou ik willen zeggen dat het om een "normale" situatie gaat. De mens is van nature gezaggevoelig geschapen (kroon der schepping), maar door de zondeval is ook iedere gezagsverhouding gedoemd te polariseren tot onvruchtbaarheid en te ontaarden in willekeur.
Daarom is Christus' overkoepelende totaal visie op de gang der geschiedenis nodig om ons te laten zien dat het gezag als zodanig niet het laatste woord heeft, dat het zelf ook kan ontaarden. In Romeinen 13 herkennen wij een christelijke overheid die haar taak verstaat. In Openbaringen 13 zien wij de ontaarding van het gezag.
De ene overheid is met macht bekleed, de andere overheid gaat zich aan geweld te buiten. Tussen deze twee uitersten van macht en geweld treedt de zgn. gezagsloosheid op wanneer het gezag bezig is uit te hollen, wanneer men overheidspersonen autoritair optreden verwijt, nml. wanneer hun gezag geen inhoud meer heeft.
Dat is m.i. de situatie waarin wij vandaag de dag middenin zitten!
Voor zover een dergelijke overheid remmend optreedt tegen bruut geweld, hebben wij haar inderdaad te gehoorzamen. Maar er is een overheid denkbaar die zich met geweld aan haar onderdanen vergrijpt. Wanneer dat het geval is dient men Gods geboden méér te gehoorzamen dan een dergelijke overheid. God verlangt van ons geen blinde gehoorzaamheid aan gezag in welke omstandigheid dan ook. Wij hebben de situatie af te wegen waarin het gezag gesteld is, en wij hebben de tijden te verstaan naarmate de Schrift ons daarin onderwijst.
Wanneer Solzjenitsyn ons de situatie van totale onderdrukking afschildert meen ik dat hij naar waarheid observeert. Zo erg kan het inderdaad zijn, zó erg kan het inderdaad voor ons worden.
Maar ánders dan Solzjenitsyn die eigenlijk in de zinloosheid van het lijden blijft steken en zonder deugdelijke argumentatie van de kunst verwacht dat deze het geweld zal overwinnen, hebben wij als christenen de opdracht en belofte om te volharden tot het einde en om tot het laatste toe met woord en daad getuige te zijn van onze· Heer. Ons geldt uiteindelijk de belofte van Romeinen 8 : 18-23 dat ons lichaam verlost zal worden, dat wij uiteindelijk het aardse lijden om Christus' wil mogen afleggen omdat God dan alles in allen zal zijn. (1 Cor. 15 : 28).