Een eigen opleiding?
1975-03-07
De vraag of onze kerken een eigen opleiding tot de dienst des Woord moeten hebben, leeft onder ons nog steeds. Dat is op de laatste convent-vergadering van 25 januari jl. wel gebleken. Groot was de onrust over de schadelijke invloed, die van de verschillende theologische faculteiten op onze aanstaande predikanten uitgaat.- Jaargang 19
- nummer 10
De ambtsneerlegging van dr Arntzen in Breukelen, waarvan aan het begin van de vergadering mededeling was gedaan, verhoogde deze onrust bijna tot een paniekstemming.
"Wat ds Arntzen deed, was niet goed, maar zijn bezorgdheid delen wij."
Duidelijk is daarbij gezegd, dat men het werk van de begeleiding, dat nu al meer dan zes jaar in ons midden gedaan wordt, niet wilde critiseren, Wat gedaan wordt is niet verkeerd, maar is te weinig, zo luidt het bezwaar. Het is onmogelijk om op deze wijze van spaarzamelijke begeleiding hooguit eens per maand - alle vergiftiging, die men dagelijks op de colleges opdoet, tegen te gaan, De Heilige Schrift waarschuwt ons zo ernstig tegen dwaalleer, dat wij ons ernstig moeten afvragen of wij wel genoeg doen voor de opleiding van de toekomstige predikanten, Zeggen we niet te gemakkelijk, dat wij daar met onze kleine groep niet toe bij machte zijn?
De bezorgdheid die hieruit spreekt delende, zou ik toch het pleit nog eens willen voeren voor het systeem, dat wij nu volgen. Puntsgewijs wil ik mijn gedachten onder woorden brengen
1. Op de achtergrond van de discussie hierover merk ik wel eens een weinig of niet hardop genoemd argument. Dat namelijk hot hebben van een eigen opleiding de saamhorigheid van onze kerken zal bevorderen. Men denkt hierbij aan de geschiedenis van de Afscheiding in de vorige eeuw, De in 1854 gestichte Theologische School heeft in de verdeelde afgescheiden kerken samenbindend gewerkt, Dit is inderdaad waar.
Alleen moet daar aan toegevoegd worden: door de zegen des Heren.
Zonder die zegen had een eigen opleidingsschool net zo goed een sterke uitééndrijvende kracht kunnen worden Zoals dan ook de Kamper schooi niet gedurende zijn hele bestaan de kerkelijke eenheid gediend heeft. De laatste kerkscheuring van 1967 is vanuit Kampen bepaald niet afgeremd, om met deze bewoording nu maar te volstaan.
Hoe ligt dat nu in onze situatie?
In een interview onlangs in het Centraal Weekblad van 1 febr. 1975 heeft dr Jan Veenhof van onze buitenverbandse kerken gezegd, dat ze een te kleine basis vormen voor de grote meningsverscheidenheid, die erin gevonden wordt. Ik zeg niet dat hij daar gelijk in heeft, maar 't is wel een woord om over na te denken. Wij staan, als we de situatie eerlijk onder de ogen zien, voor een zeer moeilijke taak, als we tenminste niet in vrije kerken uitéén willen vallen.
Ik vrees nu, dat het starten van een eigen opleiding met vrijgestelde krachten versluierend zal werken. Dat we dan de verschillen zullen gaan verdoezelen in plaats van in openheid en vrijheid er met elkaar over te spreken.
Ga maar na: iemand. die voor een zo groot belang als de predikantsopleiding full time in dienst treedt van een zwak kerkverband, zal onmiddellijk om de lieve vrede wille gaan zwijgen over de dingen waar we het toch nodig met elkaar over moeten hebben en zal de indruk wekken, dat we doodgewoon verder kunnen gaan waar we vóór de crisis gebleven waren. Voor het kleine beetje theologie dat we nog hebben is het goed, dat het in vrijheid, dat wil zeggen zonder een organisatorische binding aan de kerken in het algemeen, bezig is met de vragen, die ons vandaag voorgelegd worden. Daarom geef ik de voorkeur aan een reële band van de begeleider aan hun plaatselijke gemeente, van waaruit zij part time met de studenten-in-opleiding theologisch-pastoraal bezig zijn. Want de plaatselijke kerk is onder ons sterker dan het kerkverband.
En laat dan een verscheidenheid van begeleiders een indruk van eenzijdigheid vermijden.
Ja, maar ondervang je het genoemde bezwaar niet, als je de opleiding, evenals een bepaald zendingsproject, aan één bepaalde plaatselijke gemeente toevertrouwt, met een systeem van samenwerkende kerken voor de financiering en andere zaken? Als er over de opleiding en over de theologie evenveel eenstemmigheid heerste als over de zending, dan zou dat misschien kunnen.
Maar we weten allemaal dat dat niet zo is. Als we eerlijk doorpraten, denken we over niet onbelangrijke zaken echt verschillend.
Het onderbrengen van de opleiding bij één plaatselijke gemeente om zo kerkverbandelijke en andere moeilijkheden te ontlopen, is een schijn-manoeuvre, want natuurlijk is de opleiding een zaak van ons allemaal.
Het is daarom bij de huidige stand van zaken het meest eerlijk om het systeem van begeleiding, dat we nu hebben, te blijven volgen en het aantal part time-begeleiders zodanig uit te breiden dat de kerken zich in de begeleiding echt vertegenwoordigd kunnen voelen.
2. Een enkel woord over het zorgvolle feit, dat er van de begeleide studenten wel eens naar een andere kerk overstappen. Het is duidelijk, dat het vertrouwen in de begeleiding daardoor niet toeneemt.
Dat kan een kind begrijpen en ook ik begrijp het, zonder dat men 't mij zegt.
Laat ik toch iets ter verdediging zeggen. In het algemeen doen wij niet erg wijs, als wij wie dan ook aankijken op het feit, dat er mensen bij ons weggaan. Ik voor mij heb 't in het pastoraat afgeleerd, om vanuit de gedragingen van christelijk opgevoede jongens en meisjes rechtstreekse conclusies te trekken ten aanzien van de opvoeding, en de opvoeders. De best opgevoede zie je soms de gekste dingen doen. We zullen meer moeten benadrukken dat ook een goede opvoeding gezegend moet worden.
De zegen des Heren, die maakt rijk; zwoegen voegt er niets aan toe, zegt Salomo. En wat ik hier van opvoeding zeg, zal voor opleiding ook wel opgaan.
Heeft trouwens een eigen opleiding in het verleden ons er voor behoed, dat tientallen van predikanten de gemeente. waarin ze stonden, verlieten om synodaalgereformeerd te worden ? Kwam dat ook niet hier vandaan, dat de studenten tijdens hun studie te geïsoleerd bij het eigene gehouden werden? Een gesprek met een student van een andere theologische faculteit of het bezoeken van een kerkdienst elders maakte al verdacht. Het is niet vreemd, dat het uittreden uit deze besloten sfeer en het via het pastoraat intreden in de praktijk van het leven voor velen een niet geringe crisis opleverde, die ze niet doorstonden.
Mij is een geval bekend van een predikant die heilig geloofde, dat hij niet met gelovigen uit een andere kerk bidden kon.
Toen hij een kind verloor en van gelovigen uit andere kerken warm, christelijk medeleven mocht ervaren, kon hij dat emotioneel niet aan en werd synodaal.
Het wil me voorkomen dat dergelijke crisissen dan toch maar beter verwerkt kunnen worden vóórdat men de pastorie intrekt, zodat een gemeente daarmee niet lastig gevallen wordt. Het open systeem van opleiding en begeleiding, dat wij nu kennen, biedt daartoe een mogelijkheid. Wie nu na een opleiding aan een rijksuniversiteit en na een begeleiding onzerzijds kiest voor een predikantschap in onze kerken, heeft in ieder geval gekozen. Ik garandeer natuurlijk niet, dat hij ook bij die gemaakte keuze blijft, maar net als welke andere niettheologische student aan welke faculteit ook maar heeft hij persoonlijk gekozen. Ik wil ons systeem hierom niet romantiseren of idealiseren, maar temidden van alle mogelijke nadelen ervan wijs ik op een voordeel.
3. Voorts wil ik een antwoord geven aan degenen, die vrezen dat bij deze overwegingen het genoemde gevaar van verkeerde beinvloeding toch onderschat wordt.
Ik vraag of het misschien ook mogelijk is, dat wij het óverschatten.
Vergeleken bij het studeren in vroeger tijd zijn er twee belangrijke veranderingen ingetreden: de universiteit is niet meer wat ze eerder was en ook omtrent discipelschap hebben zich de opvattingen gewijzigd.
Herhaaldelijk wordt er in onze dagen op gewezen, dat de universiteit uiteen gevallen is. Niet alleen is tussen de faculteiten de verbindende tekst zoek, zodat de afzonderlijke disciplines langs elkaar heen werken, maar ook binnen de faculteit zelf doet zich dat verschijnsel gelden. Er wordt veel minder dan vroeger vanuit één leidend beginsel gedoceerd. Er is een sterke tendens naar individualisering gaande; de persoon van de docent en zijn methode worden meer bepalend. Zoals je dat in het kerkelijke ook hebt, dat een gemeente meer gestempeld wordt door het wekelijks voorgaan van deze of gene predikant dan door de confessionele geschriften, die zij erop nahoudt of het kerkverband waartoe ze behoort.
Daarom is het zo moeilijk om op de vraag hoe deze of die faculteit is, een kort, onsamengesteld antwoord te geven. Zinniger is de vraag, hoe deze of gene hoogleraar is, waarbij de antwoorden verrassend kunnen uitvallen, omdat er zijn die, gerekend naar de faculteit waaraan zij verbonden zijn, laatsten zouden moeten wezen en in werkelijkheid eersten worden en omgekeerd.
Het vele waarschuwen trouwens tegen die verdorven universiteiten, waar de studenten het vergif met flessen vol wordt ingegoten, wil maar matig overtuigen als je merkt dat uit die zelfde kring van waarschuwers er opeens weer theologen hun doctors-titel aan zo'n universiteit gaan behalen.
Doctor betekent eigenlijk leraar, iemand die de leer, de kerkleer doorgeeft.
Moet dat doorgeven van de leer dan opeens aan zo'n verderfelijk instituut geleerd worden? Ook nadat men het leeftijds- en rijpheidsverschil in rekening gebracht heeft, overtuigt dat toch bij lange niet. Zelf theoloog Zijnde moet ik de gemeente toch aanraden. waarschuwende theologen soms eens midden in hun gezicht uit te lachen en hun bezorgdheden met een korreltje zout te nemen. Ik ben blij dat mijzelf dit herhaaldelijk overkomt, al doet het zeer.
We moeten er dus naar streven, geloofwaardig te zijn in onze kritiek op de universiteiten. Alleen 'n genuanceerd oordeel doet recht aan de samengestelde situatie. Het gaat gewoon niet aan, een hoogleraar te beoordelen naar de faculteit waaraan hij werkt, zoals het omgekeerd ondoenlijk is om een faculteit te beoordelen naar één persoon, al is dat dan ook een altijd weer genoemd wordende persoon.
En wat de studenten betreft, die vormen bepaald ook geen eenheid.
Er zijn linkse pressie-groepen onder, die nog wel eens gevaarlijker zouden kunnen zijn dan de meest gedurfde hoogleraar, welke laatste je soms duidelijk aan de leiband van de eersten ziet lopen.
Er zijn discipelen die hun leermeesters maken... of breken.
Een afschuwelijke situatie is dat.
Toch is het de uitwas van iets dat op zichzelf een vooruitgang is, namelijk de grotere zelfstandigheid van de leerling ten opzichte van zijn meester. Een leerlingenschaar is niet meer een fan-club, of als dat ergens nog voorkomt, wordt het snel doorzien. Men is nu eenmaal niet zo gemakkelijk enthousiast te maken vandaag en een intellectuele afstandelijkheid is de moderne student wel ingebakken.
Daar zou op zich zelf ook wel wat zorgelijks over te zeggen.
zijn, maar een duidelijk voordeel ervan is, dat men zich niet zo gemakkelijk laat beïnvloeden. Van de studenten, die uit ons midden zijn weggegaan, kan ik dan ook bepaald niet zeggen dat zij deze stap gedaan hebben onder duidelijke invloed van deze of gene hoogleraar. Eerlijk gezegd is het meest voorkomende argument, dat men bang is bij. ons te weinig werk in te kleine gemeentes te zullen vinden. Al is er daarnaast ook wel meer, dat niet aantrekt.
Een voordeel... tenslotte is ook dat op de wijze, waarop het nu gebeurt, onze aanstaande predikanten in Apeldoorn en aan de universiteiten contacten krijgen met andere gelovige studenten die zich voor de dienst in hun kerk klaarmaken. Dat zal hen er onder Gods zegen voor behoeden, later in de pastorie het eigene voor het eigenlijke te houden en te denken, dat zij met hun gemeente de enige christenen ter plaatse zijn.
Natuurlijk, men ondergaat de invloed van degenen, bij wie men studeert. Ik heb dat niet willen aanvechten of bagatelliseren. De begeleiding neemt juist haar uitgangspunt in deze werkelijkheid.
En laten we bidden of de Here deze begeleiding wil zegenen, haar sterk wil maken en haar de noodzakelijke uitbreiding wil geven.
Hiermede is de in de kop gestelde vraag niet uitputtend behandeld, maar bij het overwegen ervan is het goed, het hierboven geschrevene mede te betrekken.
Noot van de redaktie Ds J. Waagmeester verzocht ons mede te delen, dat het aan hem opgedragen artikel in het nr. van 28 februari jl. buiten zijn medeweten geplaatst is.