De dodelijke letter
1975-03-07
Kent U het verhaal van rijke Piet, die op safari was geweest? Zo nee, dan zal ik het u vertellen; zo ja, dan mag u ook het vervolg horen.- Jaargang 19
- nummer 10
Eerst even het woord safari - kent u het? (Zo ja, dan kunt u de verklaring controleren). Safari komt uit het Arabisch en betekent karavaantocht of jachtexpeditie. Natuurlijk in Afrika, want daar wonen nog al wat Arabieren. En wat in het verleden een kostbaar en gevaarlijk avontuur was: als Hemingway met de buks door de oerwouden trekken, op jacht naar groot wild, is tegenwoordig een georganiseerd toerisme zonder veel gevaar, zonder veel ontbering, zonder al te grote inspanningen. De kostbaarheid is gebleven; maar de buks wordt vervangen door de camera, de kijker door de zonnebril. De prijzen zijn inclusief hotels, vliegtochten en drankjes.
Goed. Rijke Piet was op safari geweest. En als iemand verre reizen doet dan kan hij veel verhalen. Aan buurman Jan bijvoorbeeld, die zeer belangstellend was naar de avonturen in het wondere natuurreservaat in Oost-Afrika. Dies vroeg Jan: en vertel eens, wat voor grote dieren heb je nu al zo gezien?
- Enorme beesten, sprak Piet. Met vier kolossale poten, een geweldige slurf en aan weerszijden daarvan een grote witte slagtand.
- Ah, constateerde Jan, een olifant!
- Nee, zei Piet, geen olifant - een dangeroe.
- Een kangeroe? vroeg Jan ... maar die leeft in Australië ...
Nee, zei Piet, geen kangeroe - een dangeroe.:
- Onbegrijpelijk, zuchtte Jan, en verder?
- Dan een heel hoog beest. Met een verbazend lange nek. Als hij gras wilde eten moest hij wijdbeens gaan staan.
- Ah, constateerde Jan, een giraffe!
- Nee, zei Piet weer, geen giraffe - dit was ook een dangeroe, - Onbegrijpelijk, steunde Jan. En heb je nog meer ... ?
- Jazeker. Bijvoorbeeld een heel lang beest zonder poten, dat door het gras kroop en siste.
- Ah, constateerde Jan weifelend, een reuzenslang?
- Nee, zei Piet onbarmhartig, dit was ook een dangeroe. Het waren allemaal dangeroes!
- Maar, protesteerde Jan moedeloos, dat kun je toch niet menen? Je ziet olifanten en giraffes en slangen en je praat alleen over karige ... dangeroes?
- Wie is er nu op safari geweest, jij of ik! vermaande Piet. Ik heb het met eigen ogen gezien. Ik weet wat ik gezien heb. Op het toegangshek van het natuurreservaat stond een bordje met de woorden: All animals are dangerous - dat betekent: alle dieren zijn dangeroe's.
Naar de letter had rijke Piet dus gelijk. Hij had in Afrika goede waar voor zijn dure geld gehaald. Hij had zijn ogen wel de kost gegeven. En hij wist zijn wetje: dat bordje aan het ingangshek, de sleutel tot de safari, kende hij uit het hoofd. Straks in Nederland moest hij kunnen zeggen: daar staat geschreven!
Piet was, als ik het goed begrepen heb, gereformeerd. Waarschijnlijk vrijgemaakt. Binnen of buiten het verband, dat maakt geen verschil.
Vandaag ben je er immers in - morgen vlieg je er uit. Vandaag sta je er buiten - morgen loop je er weer in. Maar Piet's exegese was lichtelijk aanvechtbaar. Want het Engelse bordje bedoelde te waarschuwen, dat alle dieren in het -reservaat gevaarlijk kunnen zijn maar je hoeft Piet niets te vertellen. Die weet zijn wetje.
Piet heeft vele broeders, neven en naneven. Allemaal goed kerkelijk, wel onderlegd, letterlijk zuiver in de leer. Ze hebben allemaal gelezen, dat Jozua de zon bevolen heeft stil te staan te Gibeon. Mitsdien weten ze, dat de zon om de aarde draait, zo lang het haar niet van hoger hand verboden is. En ze hebben allemaal gelezen - och, zijn we niet allemaal een beetje familie van rijke Piet? - we hebben allemaal gelezen dat we de Heer onze eden moeten houden. Ook al zouden het versleten kerkelijke spelregels zijn.
Ho wacht even. Eerst nog een ander verhaaltje. De gereformeerde psycholoog dr J. Waterink schreef in een van zijn populaire boeken over een jongetje, dat uit de band sprong. Zijn vader had een garenen bandwinkel, een zaak in kindergoederen; en nu sprong dat jongetje uit het garen en de band. Altijd ondeugend, altijd de harmonie van het kinderrijke gezin verbrekend, altijd zorg gevend. Weet u wat het jongetje deed? Hij tekende de winkel van zijn vader, compleet met etalage en opschrift. Alleen had hij het opschrift "Kindergoederen"
enigszins vertekend; er stond op zijn tekening: Goede Kinderen. En omdat er een r overschoot bij deze woordspeling (de r van rotjongetje) had hij er achter geschreven: min een. Alzo: een huis vol goede kinderen, op één na. Stom he?
Dat rotjongetje had ikzelf kunnen zijn. En u ook, als u wat slechter was. Want letterlijk, en nu bedoel ik let-ter-lijk, had de jongen het opschrift overgenomen. Maar wat hij schreef was een dodelijke zelfbeschuldiging: hij hoorde niet bij de goede kinderen van het ouderlijk huis. Een klein kind, dat aan publieke zelfbeschuldiging lijdt - is het niet om te huiveren? Want stap even over de "geestigheid" heen merkt u, dat het jongetje met vuur speelde? Dat de letter van zijn vaderlijke wet dodelijk werkte? Omdat de geest van het ouderlijk huis hem niet in leven hield?
En voor u aan de conclusies begint, nog een derde verhaaltje. Toe maar, het kan niet op. Het was tijdens de 'Asser generale synode in 1926. De vermaarde synode, die dr J. G. Geelkerken heeft afgezet als predikant van Amsterdam. Afgezet wegens onzuiverheid van leer. Afgezet met hulp van een grote onzuiverheid in het recht.
Het was de eerste synode, welke mijn vader als lid meemaakte. Ik herinner me goed dat het ons een jaar catechisatie heeft gescheeld: want de synode liet haar leden van zaterdag tot maandag vrij, maar eiste ze vier volle dagen per week op. Maanden lang. Vraag niet hoe het met de ambtelijke arbeid ging - vraag alleen, hoeveel offers de afgod van de kerkelijke machtsstructuur al heeft gevergd.
Vlak bij onze woonplaats woonde vader's collega, ds Joh. Jansen, de bekende publicist over het kerkrecht. Schrijver van "Kerkenordening", zowel van de eerste druk als van de latere drukken. Dat laatste zij niet zonder grote oorzaak gezegd. Want in de latere drukken heeft Jansen de omgebogen lijn van het gereformeerde kerkrecht gevolgd; om die reden heeft men in de vrijmakings-tijd veel prijs gesteld op Jansen's eerste druk.
Welnu, elke maandagmorgen kwam ds Jansen prompt bij vader de zittingen van de afgelopen week bespreken. En wat beide predikanten het meest bezig hield - althans tijdens de gezinsmaaltijd - was de juridische kant van het proces. Mijn vader was van mening, dat het doleantie-kerkrecht, hem door dr Kuyper ingegoten, ter synode ergerlijk werd omgebogen. Hij verwees zijn collega Jansen telkens naar Middelburg; want daar was ons kerkrecht, enkele jaren tevoren, ook al misgegaan ten aanzien van vader's goede vriend ds J. B. Netelenbos.
Met de slang hadden die twee geen moeite. Dat was een dangeroe geweest, die moest hebben gesproken al zou de hele familie Geelkerken het loochenen. Maar aan Geelkerken werd onrecht gedaan; de synode mócht hem niet schorsen of afzetten. En vader tekende een paraplu van de kerkelijke rechtsstructuur op zijn servet, zoals de "Oude Bram" het zijn discipelen had bijgebracht.
Maar ds Jansen, eenmaal verslagen door dit indrukwekkende plaatje, gaf de volgende week lik op stuk. Want nu had hij een precedent gevonden bij Voetius, dat er niet om loog. En als vader de volgende maandag triomfantelijk verzekerde, dat Los en Greydanus aan zijn kant stonden (of omgekeerd, dat weet ik niet meer) dan kwam de hoogleraar-in-het -kerkrecht (ad art. 8 DKO) een week later weer met twee nieuwe precedenten van Voetius, die de grond onder deze standpunten wegvaagden.
We begrepen als kinderen in de catechisatieplichtige leeftijd, dat de jurisprudentie zeer wijd is. Dat de letter van elke wet, door middel van de jurisprudentie, elke wet kan ontkrachten. Ja dat op die manier de vrijwel heiligverklaarde Voetius de nauwelijks overleden Kuyper kon begraven onder de precedenten. En dat versterkte onze kinderlijke rechtszekerheid allerminst. We leerden al vroeg, dat elke ketter zijn letter heeft. Dat er niet geschreven is, wat er geschreven is. En we leerden de machtsspreuk van elke advocaat: geef me één woord van mijn tegenpartij en ik hang hem op!
Als u wilt kunt u straks nog eens .namijmeren over deze drie verhaaltjes.
Misschien denkt u er dan wel aan, dat de dodelijke letter al heel vroeg in de Schrift is gaan spreken. Toen iemand vroeg: is het ook dat God gezegd heeft ... ? Later bij de verzoeking in de woestijn werd de Heiland gevraagd: staat er niet geschreven ... ?
De Schrift staat trouwens vol waarschuwingen tegen dodelijke letters.
Bijvoorbeeld. De Heere leerde door Mozes' woord: dat kinderen hun behoeftige ouders' moeten onderhouden. Maar Abrahams zonen lazen letterlijk bij Mozes: dat je je overschotten per gelofte-offer aan de Heer kunt vermaken, al zouden je ouders omkomen van honger. De Heere leerde aan zijn volk, dat de mens niet moet scheiden wat God samengevoegd heeft. Maar Schriftgeleerden vonden bij Mozes tevens de spelregels voor de echtscheiding. De Heere leerde, dat overspel door steniging moet worden gestraft onder zijn heilig volk. Maar zijn schijnheilig volk bracht een vrouw bij de Heiland, gegrepen in overspel, en daagde Hem uit de wet uit te voeren! Zij verstonden niet, dat de liefde de vervulling der wet is; dat het werpen van de eerste steen geen bewijs van eigen onschuld is - maar een erkenning van Gods heiligheid en onze erbarmelijke staat.
Alle mensengeboden, alle menselijke wetsuitleggingen, kunnen dangerous zijn. Dodelijke lettercombinaties. Maar alleen door Gods Geest, die de letter overwint, kunnen wij leven.