SLECHTHORENDHEID

1975-03-07
  • Jaargang 19
  • nummer 10
Mejuffrouw Ter Haar is werkzaam aan het Instituut voor dove kinderen "Effatha" te Voorburg en is tevens bestuurslid van onze persvereniging.



Doofheid is een handicap, waarvan de gevolgen diep ingrijpen. Ieder, die op min of meer latere leeftijd last krijgt van slechthorendheid, zal dit onmiddellijk beamen. Hij voelt zich geïsoleerd van een omgeving, die al gauw ongeduldig wordt en opziet tegen een gesprek met een dove. In zijn antwoorden slaat de dove dikwijls de plank mis en is zodoende zelfs een bron van vermaak. Wij zijn nu eenmaal vrij hard ten opzichte van gehandicapten en vooral een dove ziet er niet "zielig" uit. Zo maken wij van dove mensen eenzame mensen. Toch zijn de moeilijkheden van doofgeworden mensen niet te vergelijken met de problemen, die een aangeboren doofheid, of een doofheid, die ontstaat vóór de taalontwikkeling, met zich meebrengt.
Over deze vorm van doofheid wou ik u iets vertellen, in de hoop hiervoor wat meer begrip te kweken voor deze ernstige handicap.

Emotionele ontwikkeling

Laten wij eerst eens nagaan, hoe een doof-geboren kind zijn direkte omgeving ervaart. Het begint al in de wieg. Moeder is op weg naar de kinderkamer, opent de slaapkamerdeur, zegt misschien al iets liefs en verschijnt tenslotte met haar hoofd boven de wieg.
De dove baby mist volledig alle geluiden, die gepaard gaan met deze aankomst, maar ziet wel abrupt moeders hoofd boven de wieg verschijnen. Even plotseling is moeder weer verdwenen, nadat ze misschien haar mond heeft bewogen. De liefkozende stem, het onbewust zich opgenomen voelen in een liefdevolle omgeving, wat dikwijls blijkt uit allerlei geluiden, het wordt allemaal niet ervaren door het dove kindje.
Als het kind wat groter is, blijft die abruptheid bestaan. De telefoon rinkelt - moeder gaat naar de telefoon. De bel gaat - moeder gaat naar de deur. Vader steekt de sleutel in het slot en komt even later de kamer binnen.
Het dove kind ziet moeder plotseling naar de telefoon of naar de deur gaan. Vader staat ineens in de kamer. Alles gebeurt zonder voorafgaande waarschuwing.
Monden bewegen, de kaken van een hond gaan op en neer.
Vreemde, onbegrepen gebeurtenissen.
Kunnen wij ons de volledige stilte voorstellen? Als wij de ogen sluiten, kunnen wij ons enigszins indenken, hoe een blinde zich voelt. Onze oren kunnen 'wij echter onmogelijk afsluiten. Geluiden zijn er altijd om ons heen en in ons. Een stil bos is vol geluiden!
Als ik rustig in mijn kamer zit, hoor ik buiten de bus voorbij rijden, een boot toetert in de verte en ik hoor mijn buurman thuiskomen.
Wat een massa informatie ontvang ik door middel van mijn gehoor.
Met het voorgaande heb ik enigszins geprobeerd duidelijk te maken, dat de belevingswereld van een doof kind vanaf de geboorte een heel andere is dan de belevingswereld van een horend kind.
De gevolgen van deze andere gevoelsontwikkeling moeten niet onderschat worden.
In de periode direkt na het ontdekken van de doofheid is het goed dat de ouders begeleid worden.
Een deskundige probeert de ouders er van te doordringen, dat het tekort in de emotionele ontwikkeling aangevuld dient te worden.
Dit kan bijvoorbeeld door het kind te laten voelen, dat moeder praat terwijl zij haar kind liefkoost.
Zij moet het dan dicht tegen zich aan houden. Het kind zal ook meer geliefkoosd moeten worden dan een horende baby.

Taalontwikkeling

Een moeilijkheid, waarmee een dove zijn hele leven te kampen heeft, is de kunstmatige wijze, waarop hij de taal moet aanleren.
Dit kunt u misschien het best begrijpen, als u zich eerst even verdiept in de "normale" taalontwikkeling van een horend kind.
Wij vinden het "vanzelfsprekend", dat een kind op 1 1/2-jarige leeftijd begint te praten. Het leert letterlijk zijn "moeder"taal. En als een kind drie of vier j aar is, beheerst het onze taalstructuren al vrijwel foutloos. Op school hoef er alleen nog maar wat aan geschaafd te worden, zodat men later min of meer fraai kan schrijven en wat meer inzicht krijgt in onze grammatika.
Bij een doof kind valt deze "vanzelfsprekend"heid totaal weg.
Zo'n kindje hoort niet, dat een ding met vier poten een "tafel" is en dat er in dat trommeltje lekkere "koekjes" zitten. Het heeft nog nooit een stem gehoord. ook . niet zijn eigen stem, hoewel hij die beslist wel heeft en dikwijls ook goed laat horen. Hij is immers "alleen maar" doof, niet stom.
Al vroeg begint het gevecht met de tijd. Wat een horend kind in een enkel jaar aan taalschat krijgt, kost een doof kind jaren van moeizaam' woordje voor woordje, zinnetje voor zinnetje aanleren van onze ingewikkelde taal. Elk voorwerp uit de omgeving wordt d.m.v. schrifttaal en liplezen onder de aandacht van het kind gebracht. Wat een moeite voor de moeder, zult u denken.
Maar beseft u, wat een moeite het moet kosten als een doof kind altijd maar naar de mond van de spreker moet turen en dan meestal nog niet begrijpt, wat er gezegd wordt? En toch is dit de meest effektieve manier om een doof kind bewust te maken, dat alle dingen namen hebben en dat wij door iets te zeggen kontakt hebben met elkaar.
Er zijn momenten, waarop woorden niet nodig zijn. Wij kunnen met ogen, handen, ons hele lichaam ook uitdrukking geven van onze gevoelens, maar in het algemeen is taal, gesproken en geschreven taal, ons kommunikatiemiddel bij uitstek. Zonder taal géén kontakt!
De taal is voor ons niet weg te denken bij wat Vlij geleed hebben en nog steeds leren, bij alles wat er om ons heen gebeurt. Een mens isoleren is de ergste straf, die we hem kunnen aandoen, want dan ontnemen wij hem, wat hem tot mens maakt. Een doof mens zou een dergelijk geïsoleerd mens worden. als hun niet op kunstmatige wijze de taal werd bijgebracht.

Kunstmatige taalopbouw

Het zal u na bovenstaande uitleg niet verbazen, dat op de instituten, waar les gegeven wordt aan dove kinderen 2) het zwaarste accent ligt op de taalopbouw. De kinderen krijgen het daarbij zwaarder te verduren dan horende kinderen. Vergelijkt u maar: Op drie-jarige leeftijd (soms nog vóór hun derde verjaardag) verschijnen de peuters al op school.
Sommige kleintjes moeten in het internaat van maandag tot vrijdag.
omdat de ouders te ver weg wonen. Anderen worden 's ochtends vroeg afgehaald, moeten op school overblijven en komen 's middags laat thuis. Intussen moeten ze op school in elk geval leren naar het gezicht van de onderwijzeres te kijken (gelaatsgerichtheid aanleren) en langzamerhand al iets leren omtrent voorwerpen en de namen die daarbij horen. Ze moeten ontdekken, dat je in déze situatie dit zegt en in die situatie dàt, En dit moet allemaal geleerd. worden via liplezen en schrifttaal. De kleintjes moeten woorden en zinnen herkennen als ze door de onderwijzeres gesproken en opgeschreven worden. Ook begint men al spoedig de eigen stem van het kind te ontwikkelen d.m.v. stemoefeningen en spraaklessen. Tussen het vierde en zesde levensjaar worden alle spraakklanken in allerlei kombinaties en aan de hand van geleerde en bekende woorden en zinnetjes aangeleerd. Er wordt zoveel mogelijk in eenvoudig, maar normale taal tegen de kinderen gesproken; daarbij moet voortdurend van de kinderen geeist worden, dat ze de mondbewegingen van de onderwijzeres volgen. Voor horende mensen zou dit een onmogelijke opgave zijn.
Zet u het geluid van uw tv eens uit en probeer uit de mondbewegingen van de spreker op te maken wat hij zegt. Onmogelijk, niet waar? En toch verlangen wij dit wel van een doof kind. Hij moet de hele dag turen naar mondbewegingen.
En dan moet de spreker ook nog maar toevallig woorden en zinnen gebruiken, die het dove kind kent, d.w.z. aangeleerd heeft.
Zo wordt met veel moeite en zorg aangeleerd, wat bij horende kinderen vanzelf gaat, namelijk de gewone spreektaal. Onderwijs geven aan dove kinderen betekent: voortdurend, de hele dag door gespitst zijn op alle mogelijke taalvormen, die aangeleerde vormen telkens terug laten komen in verschillende situaties, de leerlingen stimuleren om zelf die taal te reproduceren, wanneer de situatie dat eist. Ook dit laatste is belangrijk.
Een doof kind zal niet alleen de aangeboden taal moeten leren begrijpen, maar hij zal ook zelf in grammatikaal juist gevormde zinnen moeten leren spreken.

(wordt vervolgd)

1) De term doofstom wordt tegenwoordig niet meer gebruikt. In plaats daarvan spreken we van pre-linguaal doof, d.w.z. doof vóórdat de taalontwikkeling tot stand kwam.
2) Er zijn vijf instituten voor dove kinderen in Nederland.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief