Ootmoed en belijden

1975-03-14
  • Jaargang 19
  • nummer 11
Terugkerend beloftewoord

Johannes de Doper had Israël gewaarschuwd: "En gaat niet bij uzelf zeggen: Wij hebben Abraham tot vader ... " (Luk. 3: 8).
Maar de grote massa had niet geluisterd.
Men had die woorden gebruikt om zich tegenóver de bekeringsroep te stenen. En later tegenover de Christus zèlf! In hoogmoed hadden de meesten de Christus verworpen. Of men was gewoon aan Hem voorbijgeleefd. Het kruis was opgericht. Maar het leven van Abraham's zaad ging er immers wel om door!
Wat moet het een enorme schrik geweest zijn op de pinksterdag!
Toen ze door de kracht van Christus' woord en Geest genoodzaakt werden hun ogen open te doen. En te zien dat zij - Abraham's kinderen! - het kruis hadden aangegrepen om van de Christus Gods verlost te worden! Toen stortte alles ineen. Al hun triomfantelijkheid - in een oogwenk verteerd en verbrand!
Wat was het verschrikkelijk om de Christus echt te zien ... maar tegelijk jezèlf te zien als een man die naar het kruis gegrepen had om vàn Hem bevrijd te worden!
Is er nog iets te hopen? Is het zien van nu niet verstrengeld met een definitief 'te laat'? "Wat moeten wij doen, mannen broeders?" - een vraag van joden die diep in hun hart getroffen zijn (Hand. 2: 37).
Petrus roept de joden tot bekering en tot de doop op de naam van Jezus Christus. Ook zij zullen dan de gave van de Heilige Geest ontvangen. Ook zij nog! En om hun in te prenten dat zij dat genadewonder mogen gelóven voegt Petrus daar nog iets aan toe: "Want voor u is de belofte en voor uw kinderen ... " (Hand. 2 : 39).
Dat is één van wonderlijkste dingen. Hier komt de heerlijkheid van Gods belofte terug! De heerlijkheid en de vastheid van zijn genadeverbond.
De joden - déze joden! - mogen zich weten erfgenamen van de belofte'. En dat mag hun vrijmoedigheid geven Jezus alsnog als hun Redder te omhelzen.
Een terugkerend beloftewoord. Inderdaad!
Ze kenden dat woord immers heel goed. ‘Abraham's zaad' 'kinderen van Gods koninkrijk', 'erfgenamen van de belofte' - bekende woorden waarmee ze zich sterk gemaakt hadden tegen God en zijn Christus.
Wanneer hun alles uit handen gevallen is, wanneer ze hun triomfantelijkheid kwijt zijn en niets meer weten te zeggen, ... dan komt het woord van Gods verbond in zijn oorspronkelijke glans in hun leven terug!
De bunker van vrijpostigheid wordt vernieuwd tot een gáve van vrijmoedigheid! Het woord, dat gefungeerd heeft als verdédigingswapen tegenover de Christus, keert terug als een kracht tot omhèlzing van Christus!
Velen hebben dat wonder van Gods genadetrouw geloofd en beleden!
Gelukkig zijn ze niet ondergegaan in de ruïne van hun triomfantelijkheid.
Dan hadden ze niet meer kunnen aanvaarden, dat het heerlijke woord van Gods verbond in hun leven terugkwam. Dan hadden ze gezegd: Abraham's zaad - dat is wèg en dat blijft weg!
Misschien had dat op ootmoed geleken, op een diep besef van eigen zondigheid. Maar in werkelijkheid was het een weigering geweest van Gods uitgestoken genadehand.
Hij heeft niet gewild, dat de volheid van het verkeerde belijden zou plaats maken voor ... leegte!
En daarom zou niet luisteren naar Petrus even erg zijn geweest als niet luisteren naar Johannes Niet luisteren is altijd hoogmoed. Al heeft het soms de 'sympathieke' gestalte van ootmoed.

Modern levensgevoel contra gegeven vastheid

We zien maar al te vaak moderne kinderen van het koninkrijk die wèl het triomfalisme verloochenen maar vervolgens de uitgestoken hand van Gods genádewoord weigeren.
We bemerken in onze dagen een geweldige nadruk op het 'dynamische' ten koste van het 'statische'. Dat klinkt erg abstrakt, maar de uitwerking is vaak heel konkreet.
Men verwijt de kerk, dat zij bezweken is voor de verlokking van 'settlement' en 'gearriveerdheid'.
Dat zij zich in haar 'institutionaliteit' verschanst en vergeet dat ze een 'pelgrimage' heeft te volbrengen naar Gods toekomst.
Argeloos zouden we dat moderne gevoel willen bijvallen. Maar dan moeten we toch eerst zien, dat niet alleen de 'kerkverbandelijkheid' onder de bijl valt maar even goed de 'confessionaliteit'! Ook de belijdenis wordt gerekend tot de 'instituten' waarin de kerk zich verschanst en verankert. Terwijl God haar wil meevoeren in de stroom van de historie naar zijn toekomst is de kerk met haar belijdenis als een man, die krampachtig grijpt naar takken en graspollen om toch vooral niet meegevoerd te worden.
Door middel van haar belijdenis legt de kerk zichzelf vast aan verleden en heden, terwijl zij in een volkomen openheid op weg zou moeten zijn naar Gods toekomst.
In de opoffering van èlke basis, van èlke vastheid, van èlke zekerheid.
Is dàt immers niet wat met 'geloven' wordt bedoeld?
Bij deze betogen beroept men zich vaak op Johannes' waarschuwing!
Heeft Johannes het óók al niet zo gezien? Heeft hij de vastheden van ,Abraham's zaad' niet willen afbreken ten gunste van de komst van het koninkrijk?
Er zit iets in deze gedachtengang dat ons aantrekt. Is het niet gebeurd, dat het kerk-belijden een bunkerfunktie kreeg en dat de kerk een veiligheidsinstantie werd naast het woord des HEREN, naast zijn beloften. En groeit 'naast' niet altijd weer uit tot 'tegenover'?
Werd de confessionaliteit niet een garantie-in-zichzelf, waardoor de zekerheid van de 'tempelgelovigen' van Jeremia's dagen dreigde te keren en de vermaning van Gods woord te verstikken?
Liep er niet een lijn van het "Des HlEREN tempel!" (Jer. 7) via "Wij zijn Abraham's zaad!" (Luk. 3, Joh. 8) náár het 'warekerk-bewustzijn' dat we zo goed kennen?
Zullen we dan maar niet kiezen voor dat moderne levensgevoel?
Ook maar niets meer hebben niets meer vasthouden, niets meer als basis erkennen? Alleen maar drijven op de wateren van de geschiedenis naar Gods toekomst? We zijn soms zo vreemd bescheiden geworden, zo uiterst bang voor alle hoogmoed, dat we geneigd zijn niets meer te zeggen, niets over het koninkrijk, niets over de kerk, niets over onze weg en onze plaats!
Moet de vulling van een verkeerd belijden dan toch maar plaats maken voor ... léégte?

Waar en vals op ootmoedgebied

Petrus heeft het volk niet laten staan bij de ruïne van het triomfalisme.
Hij heeft de verkéérde belijdenis niet vervangen door he-
Iemáál-geen-belijdenis, Het volk moest zich bekeren. Maar niet van wèl- tot niet-belijden! Het moest zich bekeren van het rusten in de belijdenis tegenover God tot het belijdend rusten in God. God de HERE geeft vastheid omdat Hij vastheid is! De belijdenis verdween niet. Het goede verbondswoord werd in zijn oorspronkelijke glans en eer hersteld Het was immers onmisbaar! Anders was immers de droefheid een droefheid ten dode geworden. Een droefheid die de joden alleen maar kon terugwerpen op hun eigen ellendigheid!
En dan was de ootmoed een oeverloos ding geworden, een drijvende plant waarvan de wortels uit de grond zijn losgerukt! Inkeer was er misschien wel geweest, maar geen kracht tot bekéring! De vàstheid van Gods verbond geeft de uitkomst in de omhelzing van Christus.
Oeverloze ootmoed is vervàlste ootmoed. En vervalste ootmoed loopt weer op hóógmoed uit!
Iemand, die vandaag uit louter bescheidenheid en angst voor hoogmoed maar niets meer wil zeggen over kerk, koninkrijk Gods en eigen plaats en weg, ... hij wordt over de hele linie op zichzelf teruggeworpen. Op zijn eigen wil. Op zijn willekeur. Willekeurig wordt zijn levensvoering. Zijn kerkelijk optreden, zijn kerkkeus, zijn plaats en weg in het koninkrijk Gods. En het is een verschrikkelijke hoogmoed, als op de bodem van alles alleen nog maar te lezen staat: "Zo wilde ik en zo koos ik!". Je wordt dan een ultramoderne variant op het pelagianisme en het remonstrantisme waarin immers óók die (vrije) wil op de bodem aller vragen te vinden was!
God vraagt ons belijdend te rusten in Hem! En om zo te weten wàt we door zijn genade mogen zijn en wáár we door zijn genade mogen staan.
Alleen degene, die dat uit Gods mond hoort en het dan ook wéét, kan zich wèrkelijk verootmoedigen voor de HERE. Ootmoed is niet alleen de inzet van het belijden, ze is ook de vrucht van het belijden!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief