Toekomst van het christendom
1975-03-14
Dit is een hachelijk onderwerp om over te schrijven. Onheilsprofeten hebben de ondergang van het christendom voorspeld. De christenen hebben echter steeds moed geput uit de woorden van Jezus: Ik ben met u, alle dagen, tot het eind van deze wereld.- Jaargang 19
- nummer 11
Is het wel zinvol om over de toekomst te denken? 't Loopt toch altijd anders dan je had gedacht? 't Is echter opvallend, dat geen mens het kan laten om met de toekomst bezig te zijn. Je maakt plannen en treft allerlei regelingen. Noem maar op.
Woord en antwoord
De laatste jaren is veel geschreven over de toekomst van kerk en christendom. Er is in aller lei toonaarden over geschreven. Van hoopvol vertrouwend tot angstig pessimistisch. De r.k. theoloog prof. Fiolet sprak eens dreigend over: een kerk of geen kerk.
In de bijbel lezen we de woorden van Jezus: lik ben met u. Oók wordt de vraag gesteld: als Christus op aarde terug komt "zal Hij dan het geloof vinden op aarde?" (Lk. 18, 8). Vanuit de bijbel worden we dan aangespoord ons ernstig met het probleem van de toekomt van de kerk en van het christendom bezig te houden.
Nu is het geloven niet gelijk te stellen met de kerk of met het christendom. Wel hangen zij ten nauwste met elkaar samen. Wat zal een mens zeggen van het geloven; van de verhouding van God tot de mens en van de mens tot God? We zouden boven onszelf moeten uitstijgen. Natuurlijk kunnen weer wel iets over zeggen.
We kunnen ons geloof belijden.
Maar we kunnen het niet rationeel verklaren. In principe ligt het buiten ons verklaringsvermogen.
Daarom is het ook gewenst zeer bescheiden over de toekomst van de kerk en van het christendom te spreken. We kunnen niet zo veel over dit onderwerp zeggen, maar wel iets. Enerzijds belijden we, dat God tot het eind der tijden met ons is en Zijn kerk bewaren zal. Anderzijds weten we ook, dat het tot onze verantwoordelijkheid behoort er iets van te maken. Wij worden Gods medearbeiders genoemd.
De gelovigen geven in hun leven antwoord op het woord van God.
Interviews
Enkele maanden geleden verscheen een nieuwe bundel interviews van dr G. Puchinger. Deze laatste bundel interviews gaat over de "toekomst van het christendom" (uitg. Meinema, Delft 1974, 322 blz., f 19,75). Dit is de tiende interviewbundel die Puchinger ons levert en naar mijn indruk één van de beste. De gesprekken met de ministers Van Agt en Gruijters, prof. Cornelia de Vogel, prof. Bouman en Guillaume van der Graft zijn met name van historische betekenis naast die met ds Spijkerboer: prof. Schilleheeckx, prof. J. T. Bakker en prof. D. C. Mulder.
Een paar citaten.
Ds Spijkerboer : “Vèel interessanter dan het christendom vind ik overigens dat er een gemeente is die het evangelie hoort en gelooft: Want het christendom is, over het geheel genomen, toch maar een heel twijfelachtige grootheid vol tegenstellingen, onduidelijkheden en dubbelzinnigheden - en als zodanig niet eens zo interessant.
Er zijn immers gestalten van het christendom waarin je de gemeente met of nauwelijks meer kunt herkennen ... ".
Over de gereformeerde bonders: "Wanneer de Bond er in slaagt allerlei niet ter zake doend conservatisme overboord te zetten zie ik hem als een van de meest belovende stromingen van de Nederlandse Hervormde Kerk. Ik vind de gereformeerde mystiek schitterend, en een hoop mensen wachten er eigenlijk op! De afstand tussen het hippe volkje en een goede Gereformeerde Bonder is in feite heel klein."
Minister Gruijters neemt in dit interview terug, dat hij eens van de confessionelen gezegd heeft: "Ze hebben 2 millennia van onbetrouwbaarheid achter zich.".
Indrukwekkend is het devote en spirituele gesprek met minister Van Agt. Hij is overtuigd van de toekomst van het christendom.... "ja, wie zal ooit kunnen taxeren wat de kloostergemeenschappen hebben betekend voor de miljoenen die vroeger geleefd hebben, en voor de ontwikkeling van onze beschaving? Weet u, waarin ik misschien nog het meeste houvast vind in mijn optimisme over de toekomst van het christendom?
Dat is: te zien hoeveel liefde en offervaardigheid - zelfverloochening is dat wel genoemd, met een woord dat niet meer in" is zijn ontplooid ten dienste van de mensen, nu al twintig eeuwen lang, door christelijk geïnspireerden, wier getal niet meer te tellen is. Ik kán niet geloven dat een bron waar uit zóveel goedheid is voortgekomen ooit zou kunnen opdrogen.
De Heer slaat steeds opnieuw water uit de rots."
(Alleen het interview met minister Van Agt is het kopen van deze interviewbundel al waard.)
Prof. Schillebeeckx: ... " het thema van de toekomst van het christendom is niet op te lossen met een vaak al te gemakkelijke verwijzing naar de bijstand van de Heilige Geest aan de kerk tot het eind der tijden. Niet dat ik daarin niet zou geloven; maar de Heilige Geest werkt niet in een vacuüm maar via de gemeente Gods en óók via de wereld".
Prof. J. T. Bakker is van mening, dat we steeds meer een tijd tegemoet gaan waarin de kerk een minder!heidskerk is. "Dan heb je de kerk die daar niet tegen kan op een verkéérde manier niet tegen kan; die heimwee heeft naar een groot en groots verleden en dus in de verdediging terecht komt, en dáárdoor agressief wordt.
Dat zit fout natuurlijk. De verontrusting" is wel algemeen en daar zouden de leden van verschillende kerken uit moeten afleiden dat hen niets vreemds overkomt. Dus moeten ze niet zo paniekerig doen, en denken dat het aan een paar mensen ligt, die in hun kring herrie zitten te schoppen."
Te veel op verleden gericht?
Het is een regelmatig gehoorde klacht, dat de christenen en de kerken konservatief zijn; zij zouden te veel op het verleden georiënteerd zijn.
Dit lijkt mij in een bepaald opzicht ook noodzakelijk. Wij leven in een speciale betekenis met een historisch besef. Er is namelijk iets gebeurd in de loop van de geschiedenis, dat ons leven een bizondere gloed geeft: de komst van Christus in de wereld, Zijn kruisiging èn Zijn opstanding.
En de christelijke kerk viert reeds vele eeuwen het heilig avondmaal denkend aan de woorden van Jezus: doe dat tot Mijn gedachtenis.
Maar ook: doe dat, totdat Ik kom!
De gemeente leeft dus niet alleen met het gezicht naar het verleden, maar is ook op de toekomst gericht. Er is reeds iets groots gebeurd, maar er gaat nog méér gebeuren.
Christenen zijn daarom bij uitstek mensen, die op de toekomst gericht zijn. Wat het verleden betreft: dat is voorbij; het is een steuntje in de rug om de toekomst tegemoet te gaan. Daarom is het vaak een weinig opbeurende zaak, als men ziet hoezeer christenen soms aan het verleden vast blijken te zitten. Het lijkt wel, alsof zij met de rug naar de toekomst staan. Ja, natuurlijk zeggen zij: in het verleden ligt het heden en in het nu wat komen zal. Maar in feite interpreteren zij het heden en de toekomst volgens de regel: zo is het altijd geweest.
Het nieuwe wordt slechts aanvaard voorzover het in het model van het oude past.
De woorden: doe dat tot Mijn gedachtenis, en: doe dat, totdat Ik kom, zijn niet zomaar een herhaling.
Zij hangen nauw met elkaar samen en hoewel het eerste in het tweede aanwezig is, wil het tweede iets nieuws aan het eerste toevoegen. Het brengt iets nieuws, dat het oude, het voorbije, in een nieuw perspektief plaatst.
Zo merk je, dat kerkelijke breuken in het verleden, voor velen onoverkomelijk blijken. De verantwoording van een kerkelijke keus wordt zo normatief geladen, dat de toekomst er letterlijk van af hangt. Het is bekend dat in de binnenverbandse vrijgemaakte kerken de 'vrijmaking' van 1944 zo'n zware lading krijgt.
De gang van de kerken en van de christenen wordt echter niet alleen door het verleden bepaald zij wordt er wel mede door bepaald. Na verloop van tijd kunnen historische gebeurtenissen vervagen, omdat zij steeds verder buiten het gezichtsveld van nieuwe generaties komt te liggen.
Voor de vrijgemaakte jeugd van vandaag zal de vrijmakingsgeschiedenis steeds meer een boekenwijsheid worden. De problemen van de jaren zeventig en wat men ziet als problemen van de toekomst zullen het geloofsleven en -beleven steeds sterker gaan bepalen.
De toekomst van de kerk en van het christendom worden, zover het van de mens kan afhangen, mede bepaald door de wijze waarop zij de problemen van de toekomst tegemoet treedt. Hopelijk zullen de christenen trouw willen blijven aan het belijden van de kerk door de eeuwen heen. Tevens zullen zij hopelijk inzien dat we twintigste-eeuwse problemen niet met zestiende-eeuwse antwoorden kunnen afdoen.
Hoe zullen de christenen zich opstenen ten opzichte van de oosterse godsdiensten en filosofieën die zich in het westen uitbreiden?
Hoe zullen zijn antwoord geven aan het zich snel verbreidende neo-marxisme?
Hoe zal hun houding zijn ten opzichte van de steeds ernstiger wordende maatschappelijke en politieke situatie in het westen en de houding van de westerse wereld tot de landen van de derde wereld?
Hoe zullen zij een evenwicht nastreven tussen woorden en werken tussen politieke en maatschappelijke aktiviteiten en bijbellezen bidden, zingen en mediteren, tussen maatschappelijk engagement en stil zijn voor God?
Zullen zij meedrijven op de eerste de beste modestromingen die zich in het westen aandienen? Of zullen zij in een star konservatisme verzeild raken? Zullen zij tot een eigen standpuntsbepaling komen?
Ja, en hoe zullen de christenen in de verschillende kerkgemeenschappen zich tegenover elkaar opstellen?
Deze laatste vraag en de houding van christenen ten opzichte van het marxisme zullen we - hoewel beperkt - de komende weken in Opbouw bespreken.