Franciscus' zonnelied
1975-03-14
Een van de mooiste liederen uit de Christelijke kerk is wel het lied van de schepping, Franciscus' Zonnelied geheten. Vooral vandaag, nu wij meer dan in het verleden ons bezinnen op wat ons aan schoons in Gods schepping is overgebleven, spreekt dit lied ons hart aan, vraagt onze instemming, krijgt onze bijval. Vooral ook, waar veel mensen dierbaar over de bijna vernielde schepping doen - maar de God der schepping niet wensen te kennen, ziet u dat Franciscus gans anders is. Want Franciscus vertolkte acht honderd jaar geleden, wat ieder van Gods kinderen zingt wanneer hij de zon ziet opgaan over bozen en goeden; wanneer de zon als een bruidegom uit zijn tent treedt om jubelend zijn pad als een held te lopen; wanneer wij ons koesteren in de kostelijke, levenwekkende warmte van de zon!- Jaargang 19
- nummer 11
Wie was ook weer Franciscus? Deze broeder uit het Italiaanse Assisi leefde van ongeveer 1181 tot 1226. Zijn doopnaam was eigenlijk Johannes, maar zijn vader (die zaken deed met Frankrijk en dat land zeer bewonderde) noemde hem Franciscus. Na een rijke jeugd, gevolgd door tegenslag, ziekte en gevangenschap, koos Franciscus vrijwillig de armoede tot zijn "bruid": werd de hulp van armen en melaatsen, liet zich door zijn vader onterven, stichtte de bedelorde der minrebroeders, der kleine luyden, Zonder schoenen, overkleed of wandelstok bereisde hij Europa en een deel van Afrika: met zijn preken van inkeer en boete net als Johannes de Doper, naar wie hij tenslotte genoemd was. Overigens was hij tegen de geregelde "orden" en de organisatie van de minderbroeders met hun regels en voorschriften stuitte hem geweldig tegen de borst.
Van Franciscus is bekend, dat hij zelfs voor de dieren preekte, in wie hij Gods scheppershand herkende. Hij heeft, na een visioen, de stigmata van onze Heiland aan handen, voeten en zijde ontvangen. Zijn leven van zelfverloochening, liefde tot de medemensen het medeschepsel, zijn intensieve warmbloedige levensbeoefening, zijn dichterlijkheid en vroomheid, zijn culturele gaven (hij wordt zelfs voorloper van de renaissance genaamd) maakten, dat hij reeds twee jaar na zijn dood heilig werd verklaard.
Kort voor zijn dood voltooide hij zijn "Zonnelied", het cantico de Ie creature. Het komt als lied 400 voor in het nieuwe Liedboek voor de Kerken, herdicht door J. W. Schulte Nordholt. De melodie, welke daarbij gebruikt is, kwam al in 1623 voor in een bundel Katholtscha Kirchengesänge. Deze melodie bestaat uit brokstukken van onze psalmwijzen 36 en 138. Elk der vier regels eindigt op halleluja; bovendien bestaat de vijfde regel uit een drievoudig halleluja. Zodat elk couplet in totaal tot zevenmaal toe halleluja bevat; wie op de betekenis der getallen in de Bijbel en in de Christelijke oudheid let, ziet in elk couplet het streven naar de volmaakte Lof voor God onze Schepper.
Almachtige; verheven Heer, halleluja,
aan U behoort de lof en eer, halleluja.
Wie kan U loven als Gij zijt, halleluja,
wij zegenen uw heerlijkheid, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja!
Ziehier de inleiding tot het Zonnelied. Want Franciscus was niet als de heidenen, die de zon tot god verheven en hém aanbaden! Wanneer hij zijn liefde tot de schepselen bezong was dat: om hierin zijn liefde tot de machtige Schepper uit te jubelen. Luister maar verder:
Geloofd om gans uw creatuur, halleluja!
Ten eerste om dat blinkend vuur, halleluja,
die warme, schitterende bron, halleluja,
de heer des hemels, broeder zon, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
Ziet u! Hij zingt niet: geloofd zij al uw creatuur - maar geloofd om gans uw creatuur. Hij weet het verschil tussen Schepper en schepsel.
Een verschil, dat hij de heidenen steeds trachtte duidelijk te maken.
Want dié aanbaden de zon en de maan, de sterren en andere schepselen.
Maar achter die kostelijke zaken zag Franciscus helder de Zonne der Gerechtigheid: God, die zich in Christus vertoont. Daarom verder:
Hij is zo heerlijk in zijn pracht, halleluja,
verdrijft zo stralende de nacht, halleluja,
en geeft ons dag aan dag zijn licht, halleluja,
als afglans van uw aangezicht, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
Ziet u wat een bloedwarme taal Franciscus gebruikt? Heel wat anders dan de bleke kloosterlingen uit zijn tijd, die de wereld en het zonlicht meden om "vroom" te worden. Want wereldmijding, loochening van Gods schone schepping, is allerminst Christelijk - is in wezen ondankbaar.
U kunt zich voorstellen dat Franciscus, verkleumd in de nacht die hij op reis in de open lucht doorbracht, 's morgens de zon vriendelijk toesprak: "ha, vriend en broeder, ben je daar? Toe, maak me een beetje warm en verdrijf de reumatiek uit mijn botten." En achter die zon zag hij Gods vriendelijk aangezicht, dat het licht voor de rechtvaardigen uitzaait en vreugde voor de oprechten van hart. Welnu, die liefde tot de heer des hemels (want hééft God niet de zon gesteld tot heerschappij over de dag?) geeft Franciscus in tweede instantie door aan de andere schepselen.
Lof zij U Heer, om zuster maan, halleluja,
om al de sterren die er staan, halleluja.
Zij tintelen in klare pracht, halleluja,
als edelstenen in de nacht, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja.
Misschien denkt u toch nog even aan de heidense verering van Baäl en Astarte? Aan de heidense orgieën bij volle maan? Aan de offers aan het heir des hemels? Aan de Baälspriesters tegenover Elia? Doe dat niet!
Het is onbillijk en onchristelijk tegenover broeder Franciscus. Aan Christenen is toch de fijngevoeligheid van oordeel toevertrouwd? Nu dan. Als u de psalmen goed kent verstaat u, dat Franciscus ons een voor-beel-dig lied naliet: een testament voor de kerkzang van alle eeuwen.
Geloofd zijt Gij om broeder wind, halleluja,
om lucht en wolken, welgezind, halleluja,
daar Gij met alle wind en weer
uw schepselen onderhoudto Heer, Halleluja.
Het zal u opvallen, dat Franciscus de schepselen beurtelings met broeder en zuster aanspreekt. Daar zit misschien wel meer diepte in, dan in het achteloze gebroeder en gezuster, dat wij in de kerk plegen te doen.
Hij meende tenminste wat hij zei. En voorts: hij noemde de zon mannelijk evenals psalm 19 - Van Dale en Koenen ten spijt. Zoals alle natuurvolken de zon mannelijk en de maan vrouwelijk noemen.
Voor zuster water danken wij, halleluja.
Hoe nederig en trouw is zij, halleluja,
als zij ons dient - hoe kuis en goed,
hoe kostbaar in haar overvloed, halleluja.
Even doordenken: welke betekenis heeft water ook in de Bijbel? Wassingen in de tabernakel, water der reiniging, water des levens, levend water, afwassing der zonden, nimmer meer dorsten in eeuwigheid. Bad der wedergeboorte.
Lof zij U Heer om broeder vuur,
die ons verlicht in 't nachtelijk uur,
die zo robuust en vrolijk is,
zo dapper in de duisternis, halleluja.
Ziet u de vrolijk dansende vlammen? Ziet u licht in de duisternis? De Grieken vertelden elkaar, dat het vuur een geschenk der goden was.
Begrijpelijk dat zij het vuur aanbaden. Maar Franciscus loofde de Gód van het vuur; de God van de vuurkolom; de God die - buiten Christus - een verterend vuur is.
Geloofd om moeder aarde, Heer,
ons leven staat in haar beheer,
zij geeft ons vruchten zonder tal
en bonte bloemen overal, halleluja.
Hé, nu is de aarde geen zuster en geen broeder. Gaat dat niet wat ver?
Is niet de kerk ons aller moeder? Geestelijk gesproken ja - maar naar ons natuurlijk leven, dat eerst komt naar de Schrift zegt, zijn wij uit het aardse stof genomen en zullen wij tot aards stof terugkeren; voeden wij ons met aardse materialen; bouwen en bewaren wij deze aarde. Zij voedt ons en mag dus in zekere zin "moeder"
genoemd worden. Zelfs de koning wordt van de vrucht des lands gediend, En dan die bloemen: zelfs Salomo in al zijn luister stond er niet zo fraai bij als de bloemen.
Is dat geen lofzegging waard? De binnenzijden van tabernakel en tempel waren versierd met bloemen. De altaren en de kandelaren droegen bloemknoppen. God houdt van bloemen.
Geloofd om elk die U bemint
en tot vergeven is gezind,
in vrede pijnen moeite lijdt;
eens kroont Gij hem met heerlijkheid.
Zo. Hier belandt Franciscus bij zijn geestelijke broeders en zusters.
Niet bij álle medemensen; maar bij hen, die vergeving ontvangen en vergeven kunnen; die dankbaar zijn in voorspoed en blijmoedig in tegenspoed; die uitzien naar de toegezegde kroon des levens. Merkt u wel, dat Franciscus de kloof tussen mensen en mensen, zoals God die trekt eerbiedigt? Want luister maar verder.
Lof zij U Heer om zuster dood;
zij is op aarde sterk en groot,
zij heerst alom, er is geen man
die aan haar macht ontsnappen kan.
Is het niet wonderlijk: God te prijzen om de natuurlijke dood? Hier is wijsheid nodig. De dood behoort tot het leven, als de geboorte. De dood, weliswaar de laatste vijand die vernietigd zal worden, is een schepping van God en oorspronkelijk geen vijand. Voor de mens geschapen werd lieten de bomen hun stervende bladeren vallen; leefden de zwaluwen van insecten, de kleine vissen van plankton, de haaien van kleine vissen; zelfs de planteneters doodden hun medeschepselen. De dood heerst immers over deze wereld. Het gaat er maar om: wat wij in dit korte leven tussen geboorte en dood hebben gedaan. Want:
Wee hun die sterven in de staat
van doodzonde en eeuwig kwaad.
Zalig wie doet wat Gij gebiedt;
de tweede dood verslindt hem niet.
Hier is de kring gesloten. Franciscus' zonnelied begon bij God, de Schepper van hemel en aarde, bezong Gods schepselen, klom op tot Gods beelddrager en keert terug tot God, die hem geschapen heeft. Als profeet van deze schepping knielt hij neer en aanbidt:
Geloofd, gezegend zijt Gij Heer, halleluja,
wij brengen U de lof en eer, halleluja.
Wij willen nederig en klein, halleluja,
de dienaars van uw grootheid zijn, halleluja.
Halleluja, halleluja, halleluja!
Is psalm 148 te moeilijk om in de kerk te zingen? Gaat het lastig met psalm 104? Valt u steeds terug op psalm 19? Probeer het dan eens met lied 400 uit het nieuwe Liedboek voor de kerken. De wijs is geen probleem.
Begint u er meteen maar mee: met Pasen of met de Biddag voor gewas en arbeid. U kunt teruggrijpen op eeuwenoude kerkelijke traditie - voordat een nieuwe hiërarchische pyramide het u weer verbiedt.