DE HEER zal opstaan tot de strijd

1975-03-21
  • Jaargang 19
  • nummer 12
Het Lam heeft zes zegels van het levensboek geopend. Daarbij werden de krachten zichtbaar, die in de wereld werken. Nu gaat het zevende open. Welke kracht zal nu openbaar worden?
Voorlopig gebeurt er niets. Het wordt stil in de hemel. In die stilte voelen we een gespannen eerbied voor de Here en het Lam.
In Hab. 2 :20, Zef. 1 :7, Zach. 2: 13 betekent de stilte: de dag des HEREN is nabij. En dan gaan er twee dingen gebeuren: de HERE brengt Zijn oordeel over de goddelozen en afvalligen, en Hij verlost Zijn trouwe kinderen, Hij komt in hun midden wonen.
Hoofdstuk 7 en het slot van 6 hebben ook die beide gebeurtenissen aangekondigd. Nu komen ze: de HEER zal opstaan tot de strijd - èn: 't vrome volk, in Hem verheugd, zal huppelen van zielevreugd.
In een gespannen, eerbiedige, stilte wacht de hemel daarop.

Tijdens die stilte ziet Johannes de zeven engelen, die voor God staan. Engelen, die. wij aartsengelen noemen. Gabriël noemt zichzelf: een engel die voor God staat. Deze engelen verschijnen nu, Gods eigen dienaren.
Zij krijgen bazuinen.
Daarin vinden we dezelfde elementen terug als in de stilte.
Als in Israël de bazuin wordt geblazen, betekent dat: er is oorlog. Er moet gevochten worden.
De Heer zal opstaan tot de strijd.
De bazuin kondigt ook de feestdagen van Israël aan: het vrome volk, in U verheugd. ...
De engelen blijven nog even stil; ze wachten.
Waarop? Dat mag Johannes ook zien.

Johannes werpt een blik in het hemelse heiligdom. Hij ziet daar, wat ook te zien was in het heiligdom op aarde: een altaar.
Op het altaar in tabernakel en tempel, voor de troon van de HERE, bracht de priester dagelijks het reukoffer: hij bracht de gebeden van het volk bij de HERE.
In de hemel neemt een engel deze priestertaak over. Hij komt met een gouden wierookvat naar het altaar, en hem werd veel reukwerk geschonken om het te geven -met (beter wellicht: voor) de gebeden der heiligen, op het gouden altaar voor de troon.
Dit gaat aan de dag des HEREN vooraf: het offer van de gebeden der heiligen.
Zien we, welke verantwoordelijkheid dat voor ons meebrengt?
De HERE wil, dat we om Zijn komst bidden. Christus heeft het ons geleerd: Uw koninkrijk kome.
En dat betekent ook, naar de catechismus: verstoor alle werken des duivels en alle heerschappij, die zich tegen U verheft. Het betekent: Here, sta op tot de strijd Ook dat gebed wil de Here van ons horen. Daar wacht Hij op. Een kerk, die dit gebed niet uitspreekt, houdt Hem tegen. Het verstommen van dit gebed zou (mag ik het zo zeggen?) de Here op de gedachte kunnen brengen: Mijn kinderen hebben blijkbaar niet veel last van de vijand, Ik hoef ze niet te helpen. En: ze geven er niet veel om, dat Mijn schepping door de vijand is bezet.
We mogen het ons wel afvragen: doet het ons wat, dat de wereld is zoals ze is? Ja, we hebben onze vragen, en onze angsten voor de toekomst. We denken misschien: later, als de Here Jezus terug is, wordt het allemaal anders.
Realiseren we ons, dat we voor een deel die toekomst zelf in de hand hebben? Dat we moeten roepen: Kom Here Jezus, ja kom met haast. Niet alleen wanneer en omdat we zelf in nood zitten, maar ook omdat we het niet kunnen verdragen, dat Gods mooie schepping zo bedorven is. De schepping zucht in hoop, schrijft Paulus in Rom. 8. We mogen meehelpen, die hoop te verwezenlijken.
Ook door ons gebed om de volkomen verlossing.

Ons gebed heeft verstrekkende gevolgen. Ook dat van U en mij.
De engel krijgt het reukwerk voor de gebeden van àlle heiligen.
Veel reukwerk. En de Here legt die gebeden niet naast Zich neer.
Want na het offer wordt het wierookvat weer gevuld. Nu met vuur. Het vuur, waarop het reukwerk is verbrand.
Dat vuur wordt op de aarde geworpen. Het effect ervan is als de verschijning van de HERE op de berg Sinaï: donderslagen en stemmen en bliksemstralen en aardbeving. Zo verschijnt de heilige God.

Zijn verschijning wordt voorafgegaan door de klank van de bazuinen. In aansluiting bij het gebaar van de engel, die vuur op de aarde werpt, tonen de gebeurtenissen, die door de bazuinen worden opgeroepen, de uitwerking van vuur. Dat vuur tast de leefwereld van de mensen aan: de aarde, de zee, de rivieren en de hemellichamen.
Er treedt een duidelijke overeenkomst op met plagen, die Egypte troffen toen de HERE Zijn volk ging bevrijden: hagel en vuur, bederf van het water, duisternis.
We zullen ons er voor moeten hoeden, aan de beschrijving fantasieën te verbinden, waardoor duidelijk gebeurtenissen uit de geschiedenis zouden worden aangewezen als effect van deze bazuinen. Ik voel me ndet bekwaam, om dergelijke verbindingen te leggen. Je ontkomt er echter nauwelijks aan, in deze tijd bij de derde bazuin te denken aan de vervuiling van water en milieu. Het effect van de derde bazuin roept voor ons, mensen van deze tijd, dit beeld op. We mogen daar best aan denken, maar moeten ons wel afvragen, of dat de enige bedoeling zal zijn? Een andere vraag is: moeten we hier denken aan ontwikkelingen, zoals wij die meemaken, of aan kosmische gebeurtenissen, zoals we die beschreven vinden rond de zondvloed? Ik zou daarover geen stellige uitspraken willen doen.
Wat we duidelijk is, is de toeneming van de rampen in vergelijking met de uitwerking van de plagen, in hoofdstuk 6 voorgesteld door de vier ruiters. Die kregen macht, een vierde deel van de mensen te doden. Nu raken de plagen al een derde deel van de wereld.
Wat deze visioenen ons willen zeggen, is, dunkt me: merken we wel op, dat in alle rampen die over de wereld gaan, de HERE dichterbij komt? Dat ze als bazuinstoten Zijn komst aankondigen?
Zijn komst op onze gebeden?
De rampen zijn onvoorstelbaar: een derde deel van de wereld wordt aangetast. Maar daarin komt de HERE. Tot gericht, en tot verlossing.

Met de rampen, in dit hoofdstuk getekend, zijn we er nog niet.
Johannes ziet hoog aan de hemel een adelaar vliegen. Zijn stem bereikt de hele aarde met een drievoudig wee-geroep. Er komen nog drie bazuinen. Die worden genoemd: weeën. Dan zullen rechtstreeks de mensen worden geraakt. Volgende keren hoop ik daar verder over te spreken.
Al die dingen gebeuren, omdat het Lam Gods het laatste zegel van het levensboek heeft geopend. Ze gebeuren, omdat de HERE Zijn kinderen gaat uitleiden uit de vruchteloosheid van de slavernij naar de vrijheid der kinderen Gods.
Ze gebeuren, omdat zij reikhalzend uitzien naar vrijheid, met heel de schepping. Omdat ze treuren om de verwording van wat God de Here goed geschapen heeft en daarom roepen om de komst van de Here Jezus Christus tot verlossing en bevrijding.
Tot de oogst.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief