Schrift-beweging of belijdenis-beweging
1975-03-21
Zo graag zou ik naar aanleiding van dr Arntzen's vertrek naar onze binnenverbandse zusterkerken een artikel schrijven, dat in plaats van olie te werpen op het vuur van de godsdienstige emoties - waarvan het verhaal in Hand. 19 ons het nutteloze laat zien - ons een beetje verder brengt in het verwerken van de identiteitscrisis, die onze kerken in deze tijd doormaken.- Jaargang 19
- nummer 12
Met elke crisis immers bedoelt de Here God, dat we verder zullen komen. Ons zoeken naar het positieve erin staat onder Zijn belofte.
Maar is er wel iets positiefs?
Er zijn, juist ook in deze tijd, enige aanstaande predikanten onder ons, die zich voegen bij andere kerken dan de onze. Zij wijken, van ons uit gezien, naar links uit.
En nu komt daar dus van de andere kant bij, dat een oudere predikant uit ons getal de voorkeur geeft aan de bediening in de binnenverbandse kerken. Van beide zijden wordt ons bij het afscheid gezegd, dat wij geen bestaansrecht en geen toekomst hebben. Dat moet ons tot onszelf doen inkeren met de vraag: hebben zij soms gelijk?
Wie zijn wij eigenlijk?
Als ik goed zie, zijn wij geneigd een beetje geprikkeld op deze vraag naar onze identiteit te reageren met de opmerking, dat wij gewoon gereformeerd zijn en verder niets. Eventueel ook, dat we precies dezelfden gebleven zijn als die we altijd al waren. Achter deze onbehaaglijkheid steekt dit begrijpelijke, dat het niet meevalt om met de aandacht van zovelen op je gericht, aan zelfonderzoek te doen. Toch moeten we door deze zure appel heen bijten. We zullen trouwens merken, dat het niet enkel zuurheid is, die we tegenkomen.
Voor de vraag 'wie zijn wij?' moeten we terug naar het verleden.
Zoals ik dat al enige malen eerder gedaan heb, vraag ik dan aandacht niet zo zeer voor de vrijmaking, maar voor wat aan de vrijmaking vooraf gegaan is, te weten de vernieuwde aandacht voor en bestudering van de Heilige Schrift. Die is niet pas begonnen in de dertiger jaren (zoals ik me weleens heb uitgedrukt) maar reeds eerder, laten we zeggen bij Bavinck. Aan deze beweging, waren aan het begin namen verbonden als die van Greijdanus, Grosheide. Noordtzij en J. Ridderbos. De 'Korte Verklaring' is van deze Schrift-beweging het duidelijkste monument. De lateren van de dertiger jaren kritiseerden wel is waar veelal de dogmatische gebondenheid van deze eerste generatie van exegeten, maar dat neemt niet weg, dat zij voortbouwden op wat deze vaders begonnen waren: het met nieuwe aandacht lezen van de Heilige Schrift na alles wat de historische kritiek met haar gedaan had -en met behulp van alles wat de ontsluiting van het oude nabije oosten aan het licht bracht, met handhaving intussen van de diepe eerbied, die wij tegenover de Bijbel als het Woord van God verschuldigd zijn.
De wortels van onze vrijgemaakte kerken liggen in deze Schrift-beweging, al moeten we dit niet omdraaien door te zeggen, dat deze Schrift-beweging alleen in de vrijgemaakte kerken haar stroomgebied gevonden heeft. Wat we ons nu echter te weinig realiseren is dat door deze aangegeven bepaaldheid de vrijmaking nogal verschilt van de Afscheiding en de Doleantie uit de vorige eeuw. Deze kerkelijke bewegingen zijn niet voortgekomen uit vernieuwde Schriftstudie.
Het zijn belijdenis-bewegingen geweest. Om iets kenmerkends te noemen: ds Hendrik de Cock heeft in de dagen van de Afscheiding de Dordtse Leerregels heruitgegeven. Hij bedoelde daarmee de vervallen kerkleer te herstellen.
Afscheiding en Doleantie waren kerkelijk-confessionele herstelbewegingen. De Vrijmaking is daarmee niet zonder meer te vergelijken.
Hoe pretentieus dat ook klinkt, de Vrijmaking is beter te vergelijken met de grote Reformatie van de zestiende eeuw. Niet in omvang en diepgang natuurlijk, maar aan beide ging een intensief vernieuwd Schriftlezen vooraf.
Het waren Schrift-bewegingen.
Ik bedoel hiermee allerminst een blaam te werpen op het confessionele.
kerkherstel in de vorige eeuw. Ik geloof dat men toen inderdaad kon volstaan met het vaandel der confessie omhoog te steken tegenover het modernisme.
Men had niets anders, maar men had ook niets anders nodig. Want God de Here geeft aan elke tijd het nodige voedsel, Hij geeft ons heden ons dagelijks brood. De latere afgescheidenen brachten ,trouwens in de persoon van Van Andel, Lindeboom en M. Noordtzij een begin van exegetische belangstelling op.
Maar dit betekent nu wel, dat we behoedzaam moeten zijn, als de Vrijmaking gezet wordt tegen de achtergrond van de vorige-eeuwse kerkgeschiedenis. De vergelijking met Afscheiding en Doleantie heeft de Vrijmaking niet enkel goed gedaan, hoe sterk ze zich ook als voor de hand liggend aan ons opdringt. Natuurlijk zijn er genoeg punten van overeenkomst tussen toen en nu, maar juist op het punt van de confessie zie ik een verschil. Het is bijvoorbeeld ondenkbaar, dat Hendrik de Cock door zijn kerkelijke tegenstanders verdacht zou zijn geworden van ontrouw aan de belijdenis en Abraham Kuyper liep die kans ook niet gemakkelijk. Maar de voormannen van de Vrijmaking is dit overkomen. Zij hadden dan ook niet te maken met kerkelijke leiders, die het modernisme bevorderden, althans niet tegenstonden, maar zij stonden juist tegenover kerkelijke waardigheidsbekleders, die met behulp van de oude confessies het nieuwe Schrift-verstaan trachtten in te dammen En ten dele hadden zij daarvoor de confessies ook wel op hun hand.
Dit laatste valt op te maken uit de uitvlucht, die sommige jonge Schriftuitleggers van die tijd zochten. Zij verdedigden namelijk de interessante stelling, dat de confessie verklaard moet worden met behulp van de Schrift en niet met behulp van de 1iheologie van de opstellers. Daarmee zochten ze de nieuwe wijn van hun Schriftstudie te doen in de oude zakken van de confessie. Legitiem was dat natuurlijk niet, maar wat moesten ze in een kerk waar alleen de confessie als criterium van rechtzinnigheid gold? Degenen die dit deden waren te goeder trouw. Zij maten alleen hun eigen tijd, die er één van reformatorische opleving was, met de criteria van de negentiende eeuwen zijn restauratieve bewegingen. Zo wilden ze vóór alles confessioneel zijn een tragisch misbruik van een term die in de vorige eeuw bruikbaar was geweest.
Maar waren de vaders van de beweging die o.a. op de Vrijmaking is uitgelopen, dan zo onconfessioneel?
Ach nee, laten we het verschil met voorheen alsjeblieft niet overdrijven. Het nieuwe Schriftverstaan is niet een ànder Schriftverstaan dan vroeger, het is een verfijning, die verder gaat op de lijn die in de grote Reformatie gevonden is. Het Schrift-getuigenis wordt beter in z'n historische geprofileerdheid verstaan, dat wil zeggen dat beter gelet wordt op de data die op bijbelse teksten staan.
Beter dan vroeger wordt gezien, dat de Here God in zijn openbaring een weg is gegaan, die in Christus zijn hoogtepunt bereikt heeft. Meer dan vroeger doorzien wij de scholastieke benadering van de Heilige Schrift, meer dan voorheen onderkennen wij het moralistisch misbruik, dat van de Bijbel gemaakt kan worden. Deze dingen zijn trouwens nog niet tot afsluiting gekomen; ze gaan nog door.
Welnu, het kan duidelijk zijn dat deze Schriftbenadering ons niet op gespannen voet doet staan met de confessie. Wel voert zij hier en daar verder in het verstaan. Een mooi voorbeeld vind ik zelf de zondagen 5 en 6 van de Heidelbergse Catechismus. Ik bedoel niet, dat wij heel theologisch Nederland moeten napraten in de kritiek die op deze vragen en antwoorden wordt uitgebracht: hier zou een redenering van de scholastieke Anselmus gevolgd zijn, die eigenlijk om het redeneerderige zelf al onacceptabel zou zijn. Dit is immers een kritiek, die niet met een goed alternatief gekomen is.
Er is nu eenmaal - zo kun je ter verdediging van de Heidelberger zeggen - een toeleiding tot Christus nodig; je kunt niet in het wilde weg over Hem beginnen te spreken.
Beter dan deze negatieve kritiek is daarom de stelling: Wat ons in de zondagen 5 en 6 van de Heidelbergse Catechismus als een (niet foute) redenering geboden wordt, presenteert ons de Bijbel, meer pastoraal, in de vorm van de uitgebreide verbondsgeschiedenis van het Oude Testament.
Langs de weg van de belofte aan de aartsvaders, het Sinaï-verbond, de kritiek der profeten en het échec van de babylonische ballingschap worden wij er voor klaar gemaakt, Jezus Christus als onze Verlosser te begroeten: hèt goddelijk antwoord op de grote vraag waar het Oude Testament op uit loopt.
Het had dus heilshistorischer gekund in de zondagen 5 en 6. Zoals vr. en antw. 19 wel aangeeft, maar niet uitwerkt. Langs de heilshistorische weg zou duidelijk gemaakt kunnen zijn, dat God ons zijn Christus niet met behulp van een logische redenering opgedrongen heeft. De Here God heeft er geduldig de tij d voor genomen om de Eerstgeborene in de wereld te brengen. Deze tijdsfactor zou ook in rekening gebracht moeten worden bij zondag 2 van de Catechismus.
waar op de vraag: waaruit kent gij uw ellende? geantwoord wordt: uit de wet Gods. Als je dat in Rom. 3 naleest, blijkt dat 'wet' hier de betekenis heeft van 'wetsbedeling'.
In de lange weg van Israëls geschiedenis is ons geleerd, wie wij zijn: zondaars, geneigd God en hun naaste te haten. Dit zijn winstpunten, correcties op de Catechismus, die voortkomen uit zijn eigen diepste bedoelingen. Ze kunnen vruchtbaar gemaakt worden voor de catechese bij [ongelui, die vinden dat hun wel wat vlug de ellende-kennis aangepraat wordt en dat zij wel wat snel van de ellende naar de verlossing toe gesproken worden. De Bijbel als weg is een pastoraal gegeven.
Maar het confessionalisme staat voor deze dingen niet open. Het ziet de confessie aan voor het eindpunt van het Schriftverstaan.
Dat is mij zeer duidelijk gebleken in de discussie die ik in ons blad van eind vorig jaar met dr Arntzen over de verontrusting gevoerd heb. Een discussie, waar ik achteraf erg blij mee ben, omdat ze posities opgehelderd heeft.
lik gaf dan in die discussie met dr Arntzen, (bij wijze van proeve van een Schriftverklaring die aan de historische dimensie van de Bijhel recht wil doen), een uitleg van het woord van de Meester over het doodslaan in de bergrede, Matth. 5 : 21 v., en trachtte aan te tonen, hoe actueel het onderwijs van Christus hier is, omdat het blijkt te voorzien in de situatie, die bezig is binnen ons gezichtsveld te komen, de situatie namelijk waarin, anders dan in de tijd (der 'ouden', het ethische gebod ('gij zult niet doodslaan') niet langer geschraagd wordt door een publiek rechtsbestel, waarin wie doodslag pleegde, verviel aan het gerecht (zie Opbouw van 20 sept. 1974). Deze uitleg van mij stond in een breder raam, waarin ik stelde, dat Jezus in zijn hele onderwijs zo sterk eindtijdelijk is en zo inspreekt op situaties, die ons bekend beginnen voor te komen.
Hoe reageerde dr Arntzen hier nu op? Hij vond de uitleg 'net iets te scherpzinnig' en, geen misverstanden, dat màg. Maar in plaats van er nu met heuse tegenargumenten op in te gaan, lezen we: "Is de bijbel niet gegeven voor eenvoudige gelovigen, die op het eerste gezicht begrijpen wat er bedoeld is?
Persoonlijk vind ik de bedoeling van de perikoop veel duidelijker weergegeven in Zondag 40 van de catechismus." (Zie Opbouw van 6 december 1974.) Volkomen onnodig wordt hier de Catechismus tegen mij in het veld gebracht. De Catechismus, die ik met geen woord had tegengesproken, die ik alleen maar had aangevuld. Hier wordt duidelijk de confessie gehanteerd als het eindpunt van de Schriftuitleg. Dat is precies de fout van het confessionalisme. Het confessionalisme maakt lui in de exegese, het stimuleert het verdere onderzoek der Schriften niet, het stelt zich tevreden met het gevondene.
Het teert op de kracht van een roemrijk geslacht. Daarom moeten wij vanuit de beste tradities van de Vrijmaking tegen dit confessionalisme hard grondig nee zeggen.
Aan de Vrijmaking ligt een Schrift-beweging ten grondslag.
Zij wordt evenwel vandaag geconfronteerd met de Verontrusting, die een belijdenis-beweging is. De venleiding is nu groot om terwille van de Verontrusting (die terecht verontrust is!) die Schrift-heweging maar te vergeten en als Vrijgemaakte kerken een belijdenisbeweging te worden. Maar dat is dan wel een verloochening van de oorspronkelijke afkomst, die, vrees ik, niet anders dan met confessionalisme gestraft kan worden. Juist voor de vrijgemaakten, die de Schrift-beweging van binnenuit gekend hebben, dreigt hier een groter gevaar dan voor de verontrusten.
Ik moet nu denken aan de preek, die ik op de laatste zondag vóór mijn schorsing als predikant van Wageningen gehouden heb, over Hand. 24 : 20, 21: "Of laten dezen hier zelf zeggen, wat voor misdrijf zij hebben gevonden, toen ik voor den Raad stond, of het moest zijn dit ene woord, dat ik, in hun midden staande, uitriep: Terzake van de opstanding van doden sta ik heden voor u terecht!" De vraag behandelend wat voor misdadigs er nu toch wel in die uitroep kon steken, heb ik toen uiteengezet, dat Paulus bij zijn proces in Jeruzalem aanvankelijk gebruik heeft gemaakt van het verschil tussen de orthodoxe farizeeërs en de vrijzinnige sadduceeërs in het joodse sanhedrin en dat hij met zijn uitroep, die eigenlijk een trouwbetuiging aan de joods-orthodoxe confessie was, de farizeeërs voor zich gewonnen heeft (zie Hand. 23: 6-10). Maar achteraf betreurde de apostel deze tactiek toch, omdat dit bondgenootschap met een verontruste orthodoxie hem in zijn evangelieverkondiging meer belemmerde dan hielp. Hij begreep, dat hij als dienaar van zijn Heer zijn eigen weg moest gaan, ook al leverde hem dat zelfs in het orthodoxe kamp een grote eenzaamheid op. Op hoe belangrijke punten hij het ook met de joodse rechtzinnigheid eens was en eens kon worden, het dilemma orthodoxie-modernisme was toch niet zonder meer bruikbaar voor hem.
Nu is hiervan niet alles over te brengen op onze situatie zonder de Verontrusting groot onrecht te doen. En toch, die eigen weg, ligt die ook vandaag niet vóór ons?
Moeten we die vandaag niet blijven gaan? Zeker niet uit halsstarrigheid, omdat onze vaders er nu eenmaal mee begonnen zijn. Dat is geen reden. Maar een goede reden is wel, dat wij geloven, dat de bron der Schrift meer Levend water voor juist onze tijd bevat dan met de putemmer der belijdenis tot dusver naar boven is gehaald. Het verstaan zal toenemen, is ons beloofd (Joh, 16:12-15) en het zal ook nodig zijn voor de tijd die we tegemoet gaan.
Ik heb dus in die preek de confrontatie tussen Vrijmaking en Verontrusting aan de orde gesteld en ik ben blij dat ik dat nog in de ongedeelde vrijgemaakte kerk heb mogen doen (niet alleen met deze preek), want de hele vrijgemaakte kerk heeft recht op de waarschuwing, die ik toen liet horen. lik suggereer trouwens niet, dat ik om deze preek geschorst ben, ofschoon deze problematiek wel degelijk meespeelde in het geheel van het conflict in Wageningen.
Niemand zal het nu vreemd kunnen vinden, dat ik door de overgang van dr Arntzen naar de vrijgemaakte zusterkerken (binnen verband) bevestigd word in mijn indruk, dat de Schrift-beweging daar heeft plaats gemaakt voor een belijdenis-beweging met confessionalistische trekken, al zie ik tegelijk aan de Kamper Hogeschool hoopvolle tekenen, dat dit goud niet geheel verdonkerd is en de draad van vroeger weer opgenomen wordt., Overigens wil ik niet de indruk wekken, dat voor mij een confessionalistisch aandoende theologie niet een zeer groot vakmanschap zou kunnen vertonen, Mijn bedoeling is niet, iemand wie ook maar of iets wat ook maar verachtelijk te behandelen.
Voor ons buitenverbanders echter zie ik nu zeer in het bizonder de taak weggelegd om in studie, maar vooral in prediking en catechese, naar binnen en naar buiten, de goede vrijmakingstraditie voort te zetten. Niet om ons tegen iemand af te zetten, maar om allen te dienen, Daarom stel ik met diepe vreugde vast, dat er voor onze vrijgemaakte kerken (buiten verband) wel degelijk een weg naar voren loopt, de toekomst in. Een weg waarop we misschien ook nuttig mogen zijn voor de kinderen van hen die ons nu zo sterk veroordelen, Heus, het wordt wel actueel wat wij bedoelen. Het is het al én het wordt 't nog meer.
We maken een moeilijke tijd door, maar het zal, als de Here het zegent, niet tevergeefs zijn.